Ik dacht aan den vorigen keer toen met je Vader je Moedertje samen met
ons genoot van de zee, _onze zee_! Dat waren weelde-oogenblikken die je
niet, nooit vergeet! Ook dezen laatsten keer zal dat aan 't strand
zitten met je Vader steeds in onze herinnering blijven voortleven. Dáár
sprak je Vader met ons over onze plannen.
Wàt was ons dàt weldadig, dat gesprek van hart tot hart met een dien wij
zóó hoogachten, liefhebben en oprecht vriend weten. En wat dàt voor eene
uitwerking had? Ik had er den geheelen nacht niet van kunnen slapen; ik
had in bed liggen woelen met je Vader's ernstige, liefdevolle woorden in
mijn hoofd en in mijn hart! D&t was het waaraan wij behoefte hadden,
waarnaar wij met smachtend verlangen hadden uitgezien: een ernstig,
liefdevol woord gesproken van hart tot hart, oog in oog.
Den volgenden ochtend heel vroeg moest je vader al weêr weg tot ons
groot verdriet; wij brachten Z.Ed. weg en in den wagen hervatten wij
weder ons gesprek aan 't strand. Het resultaat daarvan is, dat wij al
heel gauw met volkomen toestemming van de oudjes een request aan den
Gouverneur-Generaal zullen richten, om door de Regeering in de
gelegenheid te worden gesteld ten bate van de Javaansche vrouw in de
toekomst, onze opvoeding te voltooien op ... Batavia!
Kijk je er niet van op beste broer? Ik weet niet hoe jij het vinden zal.
Maar vindt je ons niet erg wispelturig? Dat wilde eerst met alle geweld
naar Holland; bewoog hemel en aarde om haar zin te krijgen, en nu zij
eindelijk kunnen gaan, dank zij 't werk der vrienden, zeggen zij: "Ik
blijf!" Wat zeg je wel van zulk een wispelturigheid? Maar beter gedwaald
en ten halve gekeerd, dan heelemaal gedwaald, soms alleen uit dwazen
trots om niet ongelijk te willen bekennen.
Weet je wanneer dat idee van naar Holland gaan in ons vaste vormen nam?
In de Decemberdagen van 1901, toen wij nameloos leden. In ons kwam een
wild, woest verlangen wèg, ver, ver weg te gaan, geheel van de omgeving
weg, die ons zoo bitter heeft doen lijden. Weg, weg, weg, vèr weg, in
een andere atmosfeer, in een ander land, in een andere luchtstreek
ademen, leven, en als onze zielewonden waren geheeld, en wij naar den
geest, en misschien ook naar lichaam, waren gesterkt, terugkeeren als
herboren in onze oude maatschappij om er te werken aan hare
hervorming.... Dat helsche leed mag niet meer worden geleden. Holland
sluit die mogelijkheid geheel uit, men zal niet meer aan ons denken;
helaas, dat men dat vergeten maar al te goed zal doen. Ook door dat deel
der Inlandsche maatschappij zullen wij vergeten worden, voor wie wij
juist werken willen, zijn wij in Holland geweest. En wat in Holland ons
wacht? bergen verdriet, waarvan wij geen flauw vermoeden hebben. Hierop
heeft je Vader ons gewezen en op ander verdriet, dat ons _hier_ wacht
van de zijde van hen juist, voor wie we werken willen als wij in Holland
zijn geweest.
Het is alles zéér waar,--o! arme illusies! Je weet, dat 't steeds een
groote illusie van ons is geweest, om in Holland opgeleid te worden voor
de taak, die wij denken te gaan vervullen.... Ook Vaders laatste zware
ongesteldheid heeft ons tot nadenken gebracht. Z.Ed. is zóó aan ons
gehecht.... Aangrijpende tooneelen aan zijn jongste ziekbed staan me
voor den geest, waaruit wij zagen hoezeer dat lieve hart aan ons gehecht
was. Maar ik vraag mezelf af, zouden wij wel tot dit besluit zijn
gekomen, als je beste vader niet hier was geweest en met ons had
gesproken, zooals Z.Ed. het heeft gedaan? Ik weet het niet ... doch dat
onze oudjes je Vader veel te danken hebben, lijdt geen twijfel. En
wijzelf zijn Z.Ed. o zoo dankbaar!
Lang hebben zusje en ik over je Vader's woorden gesproken en nagedacht,
en de slotsom is, dat het gaan naar Holland voorloopig onder het loodje
blijft, en wij hopen al heel spoedig te Batavia te kunnen komen.
Doch dit alles is _persoonlijk_. Op den voorgrond moeten staan de
practische voordeden, die onze zaak heeft van eene opleiding op
Batavia. Wij zouden al dadelijk kunnen beginnen, terwijl als wij naar
Holland gingen, wij nog zoolang moeten wachten. Ik denk aldoor aan je
Vader's woorden: "Waarom niet dadelijk gedaan, wat gedaan kan worden?
Het is dan _gedaan_, terwijl dat andere nog in de toekomst ligt." Je
Vader sprak van een gewonde, die om hulp roept: daar komt iemand, maar
die zegt: "Neen vriend, ik wil je nu niet helpen, ik zal eerst leeren,
hoe wonden moeten verbonden worden." Die iemand gaat weg, studeeren, en
als hij eindelijk volgens de kunst verbinden kan, is de gewonde, die om
hulp riep, al lang dood.
Dan sprak je Vader van een parel, die diep ligt in zee. Je weet, dat zij
er in ligt, maar je weet niet precies waar. Je stapt in zee en wil haar
zóó halen. Het water komt je aan de lippen. Er komt iemand, die je zegt:
"Vriend, doe zoo niet, ga niet verder, 't water reikt je aan de lippen;
als je verdrinkt, dan heb je de parel nog niet. Ga terug, stap in een
prauw, peil en visch naar de parel."
Je Vader zei, dat als wij wilden, wij al dadelijk de school konden
openen, zonder eenig examen gedaan te hebben. 't Staat nergens in de wet
voorgeschreven, dat men examen moet gedaan hebben om aan Inlandsche
meisjes onderwijs te geven. Wij konden dan Europeesche onderwijzeressen
er bij nemen, dat was bijzaak. Maar vindt je wel dat wij die school
mogen openen, zonder er eerst voor opgeleid te worden? 't Is waar, dat
wij met "Onze School" (hoe grappig klinkt het, en pedant tevens) meer
een zedelijke opvoeding beoogen dan een doctrinale. Daarom zouden wij de
school niet van Regeeringswege opgericht willen hebben, maar
particulier, omdat wij ons anders aan bepaalde voorschriften moeten
onderwerpen, en wij willen ons schooltje geheel inrichten volgens ons
idee, de kinderen onderwijzen, niet schoolsch, maar zooals eene moeder
hare kinderen opvoedt.
Het moet volstrekt niet aan eene school herinneren, maar aan een groot
huisgezin, waarvan de leden elkander liefhebben en van elkaar leeren, en
de moeder niet in naam, maar _inderdaad moeder_ is--de lichamelijke en
geestelijke opvoedster van het kind.
Aan dat idee van je Vader hebben wij wel meer gedacht, maar op deze
manier: als wij _niet konden studeeren_ en thuis moesten blijven, zouden
wij dan niet dochtertjes van regenten bij ons nemen, zooveel als de
kaboepaten maar bergen kan, ze hier naar school laten gaan en thuis
hare zedelijke opvoeding op ons nemen, spelenderwijze de jonge hartjes
leiden, de karaktertjes vormen, en op uren, dat ònze kinderen
schoolgaan, andere kindertjes van Inlandsche hoofden hier ter plaatse
bij ons nemen, ze leeren handwerken, enz., onderwijl ongemerkt aan hare
hartjes kloppende voor den geest, dien wij voorstaan? Maar als wij eene
_school_ konden openen, dan wilden wij liever eerst studeeren, vindt je
dat ook niet, broer? De school zal komen òf op Magelang òf op Salatiga.
Je Vader heeft er met den onzen over gesproken, en er is heel geen
bezwaar; wel voor dat gaan naar Holland. Heerlijk, hè broer?
Op de wijze als daareven aangegeven, had indertijd mijn Grootvader
anderer hoofdenzonen opgevoed. Grootvader had een gouverneur uit laten
komen voor zijne kinderen, en Pangerans van Solo en een regent van
Midden-Java zonden Grootvader hunne zoons om op te voeden. Zoo zie je;
er is niets nieuws onder de zon; ons idee, zoogenaamd "splinternieuw",
is al een _oud_ idee, van Grootvader reeds afkomstig. Onze denkbeelden,
onze geest is overgeërfd; hij, Grootvader, was de pionnier; wij zetten
slechts zijn werk voort. 't Waren beste menschen, beiden, Grootvader en
Grootmoeder.
Je Vader heeft ons den inhoud van het request voorgezegd; 't is een
enkel regeltje maar, doch daarbij moet een nota gaan, waarin onze
plannen en ideeën uitvoerig en nauwkeurig moeten omschreven worden, en
het moet geschreven worden _uit het hart_, heelemaal niet denken, dat
het bestemd is voor den Gouverneur-Generaal, maar eenvoudig schrijven
wat 't hart ons ingeeft.
Je Vader wil die nota wel eerst lezen, als wij daarop gesteld zijn, maar
Z.Ed. denkt, dat 't niet noodig is.
Wij moeten eenvoudig schrijven wat uit 't hart komt.