27 Januari 1903. (X.)

Ik dacht aan den vorigen keer toen met je Vader je Moedertje samen met

ons genoot van de zee, _onze zee_! Dat waren weelde-oogenblikken die je

niet, nooit vergeet! Ook dezen laatsten keer zal dat aan 't strand

zitten met je Vader steeds in onze herinnering blijven voortleven. Dáár

sprak je Vader met ons over onze plannen.

Wàt was ons dàt weldadig, dat gesprek van hart tot hart met een dien wij

zóó hoogachten, liefhebben en oprecht vriend weten. En wat dàt voor eene

uitwerking had? Ik had er den geheelen nacht niet van kunnen slapen; ik

had in bed liggen woelen met je Vader's ernstige, liefdevolle woorden in

mijn hoofd en in mijn hart! D&t was het waaraan wij behoefte hadden,

waarnaar wij met smachtend verlangen hadden uitgezien: een ernstig,

liefdevol woord gesproken van hart tot hart, oog in oog.

Den volgenden ochtend heel vroeg moest je vader al weêr weg tot ons

groot verdriet; wij brachten Z.Ed. weg en in den wagen hervatten wij

weder ons gesprek aan 't strand. Het resultaat daarvan is, dat wij al

heel gauw met volkomen toestemming van de oudjes een request aan den

Gouverneur-Generaal zullen richten, om door de Regeering in de

gelegenheid te worden gesteld ten bate van de Javaansche vrouw in de

toekomst, onze opvoeding te voltooien op ... Batavia!

Kijk je er niet van op beste broer? Ik weet niet hoe jij het vinden zal.

Maar vindt je ons niet erg wispelturig? Dat wilde eerst met alle geweld

naar Holland; bewoog hemel en aarde om haar zin te krijgen, en nu zij

eindelijk kunnen gaan, dank zij 't werk der vrienden, zeggen zij: "Ik

blijf!" Wat zeg je wel van zulk een wispelturigheid? Maar beter gedwaald

en ten halve gekeerd, dan heelemaal gedwaald, soms alleen uit dwazen

trots om niet ongelijk te willen bekennen.

Weet je wanneer dat idee van naar Holland gaan in ons vaste vormen nam?

In de Decemberdagen van 1901, toen wij nameloos leden. In ons kwam een

wild, woest verlangen wèg, ver, ver weg te gaan, geheel van de omgeving

weg, die ons zoo bitter heeft doen lijden. Weg, weg, weg, vèr weg, in

een andere atmosfeer, in een ander land, in een andere luchtstreek

ademen, leven, en als onze zielewonden waren geheeld, en wij naar den

geest, en misschien ook naar lichaam, waren gesterkt, terugkeeren als

herboren in onze oude maatschappij om er te werken aan hare

hervorming.... Dat helsche leed mag niet meer worden geleden. Holland

sluit die mogelijkheid geheel uit, men zal niet meer aan ons denken;

helaas, dat men dat vergeten maar al te goed zal doen. Ook door dat deel

der Inlandsche maatschappij zullen wij vergeten worden, voor wie wij

juist werken willen, zijn wij in Holland geweest. En wat in Holland ons

wacht? bergen verdriet, waarvan wij geen flauw vermoeden hebben. Hierop

heeft je Vader ons gewezen en op ander verdriet, dat ons _hier_ wacht

van de zijde van hen juist, voor wie we werken willen als wij in Holland

zijn geweest.

Het is alles zéér waar,--o! arme illusies! Je weet, dat 't steeds een

groote illusie van ons is geweest, om in Holland opgeleid te worden voor

de taak, die wij denken te gaan vervullen.... Ook Vaders laatste zware

ongesteldheid heeft ons tot nadenken gebracht. Z.Ed. is zóó aan ons

gehecht.... Aangrijpende tooneelen aan zijn jongste ziekbed staan me

voor den geest, waaruit wij zagen hoezeer dat lieve hart aan ons gehecht

was. Maar ik vraag mezelf af, zouden wij wel tot dit besluit zijn

gekomen, als je beste vader niet hier was geweest en met ons had

gesproken, zooals Z.Ed. het heeft gedaan? Ik weet het niet ... doch dat

onze oudjes je Vader veel te danken hebben, lijdt geen twijfel. En

wijzelf zijn Z.Ed. o zoo dankbaar!

Lang hebben zusje en ik over je Vader's woorden gesproken en nagedacht,

en de slotsom is, dat het gaan naar Holland voorloopig onder het loodje

blijft, en wij hopen al heel spoedig te Batavia te kunnen komen.

Doch dit alles is _persoonlijk_. Op den voorgrond moeten staan de

practische voordeden, die onze zaak heeft van eene opleiding op

Batavia. Wij zouden al dadelijk kunnen beginnen, terwijl als wij naar

Holland gingen, wij nog zoolang moeten wachten. Ik denk aldoor aan je

Vader's woorden: "Waarom niet dadelijk gedaan, wat gedaan kan worden?

Het is dan _gedaan_, terwijl dat andere nog in de toekomst ligt." Je

Vader sprak van een gewonde, die om hulp roept: daar komt iemand, maar

die zegt: "Neen vriend, ik wil je nu niet helpen, ik zal eerst leeren,

hoe wonden moeten verbonden worden." Die iemand gaat weg, studeeren, en

als hij eindelijk volgens de kunst verbinden kan, is de gewonde, die om

hulp riep, al lang dood.

Dan sprak je Vader van een parel, die diep ligt in zee. Je weet, dat zij

er in ligt, maar je weet niet precies waar. Je stapt in zee en wil haar

zóó halen. Het water komt je aan de lippen. Er komt iemand, die je zegt:

"Vriend, doe zoo niet, ga niet verder, 't water reikt je aan de lippen;

als je verdrinkt, dan heb je de parel nog niet. Ga terug, stap in een

prauw, peil en visch naar de parel."

Je Vader zei, dat als wij wilden, wij al dadelijk de school konden

openen, zonder eenig examen gedaan te hebben. 't Staat nergens in de wet

voorgeschreven, dat men examen moet gedaan hebben om aan Inlandsche

meisjes onderwijs te geven. Wij konden dan Europeesche onderwijzeressen

er bij nemen, dat was bijzaak. Maar vindt je wel dat wij die school

mogen openen, zonder er eerst voor opgeleid te worden? 't Is waar, dat

wij met "Onze School" (hoe grappig klinkt het, en pedant tevens) meer

een zedelijke opvoeding beoogen dan een doctrinale. Daarom zouden wij de

school niet van Regeeringswege opgericht willen hebben, maar

particulier, omdat wij ons anders aan bepaalde voorschriften moeten

onderwerpen, en wij willen ons schooltje geheel inrichten volgens ons

idee, de kinderen onderwijzen, niet schoolsch, maar zooals eene moeder

hare kinderen opvoedt.

Het moet volstrekt niet aan eene school herinneren, maar aan een groot

huisgezin, waarvan de leden elkander liefhebben en van elkaar leeren, en

de moeder niet in naam, maar _inderdaad moeder_ is--de lichamelijke en

geestelijke opvoedster van het kind.

Aan dat idee van je Vader hebben wij wel meer gedacht, maar op deze

manier: als wij _niet konden studeeren_ en thuis moesten blijven, zouden

wij dan niet dochtertjes van regenten bij ons nemen, zooveel als de

kaboepaten maar bergen kan, ze hier naar school laten gaan en thuis

hare zedelijke opvoeding op ons nemen, spelenderwijze de jonge hartjes

leiden, de karaktertjes vormen, en op uren, dat ònze kinderen

schoolgaan, andere kindertjes van Inlandsche hoofden hier ter plaatse

bij ons nemen, ze leeren handwerken, enz., onderwijl ongemerkt aan hare

hartjes kloppende voor den geest, dien wij voorstaan? Maar als wij eene

_school_ konden openen, dan wilden wij liever eerst studeeren, vindt je

dat ook niet, broer? De school zal komen òf op Magelang òf op Salatiga.

Je Vader heeft er met den onzen over gesproken, en er is heel geen

bezwaar; wel voor dat gaan naar Holland. Heerlijk, hè broer?

Op de wijze als daareven aangegeven, had indertijd mijn Grootvader

anderer hoofdenzonen opgevoed. Grootvader had een gouverneur uit laten

komen voor zijne kinderen, en Pangerans van Solo en een regent van

Midden-Java zonden Grootvader hunne zoons om op te voeden. Zoo zie je;

er is niets nieuws onder de zon; ons idee, zoogenaamd "splinternieuw",

is al een _oud_ idee, van Grootvader reeds afkomstig. Onze denkbeelden,

onze geest is overgeërfd; hij, Grootvader, was de pionnier; wij zetten

slechts zijn werk voort. 't Waren beste menschen, beiden, Grootvader en

Grootmoeder.

Je Vader heeft ons den inhoud van het request voorgezegd; 't is een

enkel regeltje maar, doch daarbij moet een nota gaan, waarin onze

plannen en ideeën uitvoerig en nauwkeurig moeten omschreven worden, en

het moet geschreven worden _uit het hart_, heelemaal niet denken, dat

het bestemd is voor den Gouverneur-Generaal, maar eenvoudig schrijven

wat 't hart ons ingeeft.

Je Vader wil die nota wel eerst lezen, als wij daarop gesteld zijn, maar

Z.Ed. denkt, dat 't niet noodig is.

Wij moeten eenvoudig schrijven wat uit 't hart komt.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 93 / 136 题