25 Januari 1903. (IX.)

Lang heb ik op 't papier zitten turen, zonder dat ik verder kwam dan de

aanhef; zoovele gedachten waarden in me rond, zoovele gevoelens

doortrilden mijne ziel. In die enkele oogenblikken leefde ik mijn

geheele leven van de laatste jaren weer.

Naast jubelend geluk kenden wij uren van bittere smart, wanhoop en

vertwijfeling. 't Is ons, of wij in dien korten tijd verscheidene levens

hebben afgelegd. De jaren van ons blij-kind-zijn lijken al zóó ver

achter ons te liggen. Rijk aan groote oogenblikken waren de laatste

dagen en weken weer voor ons.

En er was weemoed, er was dankbaarheid, er was van alles wat in mijn

hart, maar weemoed had er den boventoon.

Nu, terwijl ik schrijf, varen mij dezelfde gewaarwordingen weer door de

ziel; heb ik een gevoel als om te stikken. Neen, ik wil er niet aan

toegeven; ik neem uwe woorden, vanmorgen gesproken, ter harte. Ik wil

mij niet laten vermeesteren door treurige gedachten; de meerdere wil ik

zijn van 't leed; het verdriet moet me dienen.

En wat u aan 't strand en vanmorgen in den wagen met ons gesproken

heeft, o, hoe zullen wij u daarvoor bedanken?[1]

Ik weet geen woord, dat onze gevoelens goed kan weergeven. Dat laat zich

alleen gevoelen, niet zeggen! Wij zijn o zoo dankbaar en gelukkig, dat u

met ons gesproken heeft. Dat was de taal van een oprecht vriendenhart.

Ik heb gisteren den heelen nacht aan uwe woorden aldoor moeten denken,

en wat dit voor eene uitwerking heeft, weet u. Wij beiden hebben er lang

met elkaar over gesproken gisteren en vandaag, en zoodra Vader wat meer

aangesterkt zal zijn, zullen wij er met hem over spreken. Nu kunnen wij

alvast beginnen met Mama op de hoogte der zaak te brengen, en onderwijl

rustig en kalmpjes de nota schrijven. Is het zaakje beklonken, dan gaan

er brieven naar Holland. Wij hebben nu zoo'n rustig gevoel over ons. Dat

was het, waaraan wij behoefte hadden; een kalm, ernstig, sympathiek

woord van een, dien wij oprecht vriend weten.

Wij hadden er naar gesmacht om met u beiden te spreken. Uit het diepst

van mijn hart zeg ik u dank voor uwe woorden, uwen raad.

Wat ons ook naar Holland deed verlangen, was de wensch om een tijdje

geheel van _die_ wereld weg te zijn, die zoo smartelijk onze zielen

heeft gewond. Dat helsche leed mocht niet weer geleden worden. Holland

sluit die mogelijkheid geheel uit, maar in plaats daarvan bergen van

andere ellende.

Dank, dat u er ons op gewezen heeft.

[1] Het gesprek blijkt uit den volgenden brief.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 92 / 136 题