Lang heb ik op 't papier zitten turen, zonder dat ik verder kwam dan de
aanhef; zoovele gedachten waarden in me rond, zoovele gevoelens
doortrilden mijne ziel. In die enkele oogenblikken leefde ik mijn
geheele leven van de laatste jaren weer.
Naast jubelend geluk kenden wij uren van bittere smart, wanhoop en
vertwijfeling. 't Is ons, of wij in dien korten tijd verscheidene levens
hebben afgelegd. De jaren van ons blij-kind-zijn lijken al zóó ver
achter ons te liggen. Rijk aan groote oogenblikken waren de laatste
dagen en weken weer voor ons.
En er was weemoed, er was dankbaarheid, er was van alles wat in mijn
hart, maar weemoed had er den boventoon.
Nu, terwijl ik schrijf, varen mij dezelfde gewaarwordingen weer door de
ziel; heb ik een gevoel als om te stikken. Neen, ik wil er niet aan
toegeven; ik neem uwe woorden, vanmorgen gesproken, ter harte. Ik wil
mij niet laten vermeesteren door treurige gedachten; de meerdere wil ik
zijn van 't leed; het verdriet moet me dienen.
En wat u aan 't strand en vanmorgen in den wagen met ons gesproken
heeft, o, hoe zullen wij u daarvoor bedanken?[1]
Ik weet geen woord, dat onze gevoelens goed kan weergeven. Dat laat zich
alleen gevoelen, niet zeggen! Wij zijn o zoo dankbaar en gelukkig, dat u
met ons gesproken heeft. Dat was de taal van een oprecht vriendenhart.
Ik heb gisteren den heelen nacht aan uwe woorden aldoor moeten denken,
en wat dit voor eene uitwerking heeft, weet u. Wij beiden hebben er lang
met elkaar over gesproken gisteren en vandaag, en zoodra Vader wat meer
aangesterkt zal zijn, zullen wij er met hem over spreken. Nu kunnen wij
alvast beginnen met Mama op de hoogte der zaak te brengen, en onderwijl
rustig en kalmpjes de nota schrijven. Is het zaakje beklonken, dan gaan
er brieven naar Holland. Wij hebben nu zoo'n rustig gevoel over ons. Dat
was het, waaraan wij behoefte hadden; een kalm, ernstig, sympathiek
woord van een, dien wij oprecht vriend weten.
Wij hadden er naar gesmacht om met u beiden te spreken. Uit het diepst
van mijn hart zeg ik u dank voor uwe woorden, uwen raad.
Wat ons ook naar Holland deed verlangen, was de wensch om een tijdje
geheel van _die_ wereld weg te zijn, die zoo smartelijk onze zielen
heeft gewond. Dat helsche leed mocht niet weer geleden worden. Holland
sluit die mogelijkheid geheel uit, maar in plaats daarvan bergen van
andere ellende.
Dank, dat u er ons op gewezen heeft.
[1] Het gesprek blijkt uit den volgenden brief.