17 Januari 1903. (VII.)

In geen drie weken is er een druppel regen gevallen; 't is hier zoo

snikheet, als wij 't nooit hebben gehad, zelfs niet in den droogsten

Oostmoesson.

Vader is wanhopig; de bibit-paddi staat op de sawahs te bruinen. O! arm,

arm volk! Tot dusver heeft de bevolking dezer afdeeling genoeg voeding,

en kent zij die vreeselijke ramp "voedingsgebrek" niet. Maar wat niet

is, kan komen, en deze groote droogte in den Westmoesson voorspelt alles

behalve goeds. Waar moet het heen, als de droogte aanhoudt? Sedert een

paar morgens waaien er winden, die wij anders in Mei krijgen. Is de

kentering nu al ingetreden? en de Oostmoesson begonnen?

Vreeselijk: men staat er machteloos over. Ontzettend is het om al wat

men heeft gezaaid en geplant te zien bruinen en sterven, zonder er iets

tegen te kunnen doen. Men kan geen water maken! En die groote warmte

werkt ook afmattend op het lichaam; men voelt zich loom en lusteloos.

Wat zegt u wel van zulk een klacht van een kind der zon! O! hoe

verschrikkelijk voor de menschen die op de velden werken, als het hier

bij ons al zoo broeiend warm is--en dat in den Westmoesson. Stuur nu

toch wat van uw koü, u mag van onze warmte zooveel nemen als u wil.

Konden wij dàt maar werkelijk doen!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 91 / 136 题