14 Januari 1903. (IX.)

Mijn broertje wil absoluut niet priaji worden en bij 't Binnenlandsch

Bestuur komen, en als Mevrouw u wel eens 't een en ander van mijne

brieven heeft medegedeeld, dan zal u wel weten, dat ik hier niet om

treur, maar integendeel juist broertje toejuich om zijne voornemens en

plannen. Wij vinden 't _heerlijk_, dat broertje niet tot ideaal heeft,

wat duizenden landgenooten vóór en met hem als het meest

begeerenswaardige, als het toppunt van geluk beschouwen; een kleine

vorst-zijn, schitterende W-knoopen en goudgestreepte zonneschermen! 'Is

voor ons een _groote vreugde_, dat die glans en geur niet tot hem

spreken; en heerlijk vooral vinden wij, dat hij zoo _jong_ tot die

erkenning is gekomen en geheel uit zijn eigen een anderen weg wil

inslaan dan die tot nu toe gevolgd en door duizenden platgetreden.

Liever zou ik gezien hebben, dat hij zich ging wijden aan de lijdende

menschheid en de doktersstudie koos. Dit is misschien gedeeltelijk

zelfzucht van me. Ik zou hem graag dokter zien worden, omdat er op dat

gebied zoo ontzettend veel en moois is te doen en ... omdat hij dan ook

ideeën van ons zou kunnen verwezenlijken. Wat zou hij niet veel kunnen

doen voor de wederzijdsche waardeering van het Europeesche en het

Inlandsche element! Hij zou zijn volk vertrouwd kunnen maken met de

Europeesche geneeswijze en in de Europeesche wereld aandacht vragen voor

eenvoudige Inlandsche middelen, welker deugdelijkheid is geconstateerd.

Ik sprak broertje van de dokter-djawa-school, maar daar heeft hij geen

lust in, en wij willen geen pressie uitoefenen.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 90 / 136 题