Mijn broertje wil absoluut niet priaji worden en bij 't Binnenlandsch
Bestuur komen, en als Mevrouw u wel eens 't een en ander van mijne
brieven heeft medegedeeld, dan zal u wel weten, dat ik hier niet om
treur, maar integendeel juist broertje toejuich om zijne voornemens en
plannen. Wij vinden 't _heerlijk_, dat broertje niet tot ideaal heeft,
wat duizenden landgenooten vóór en met hem als het meest
begeerenswaardige, als het toppunt van geluk beschouwen; een kleine
vorst-zijn, schitterende W-knoopen en goudgestreepte zonneschermen! 'Is
voor ons een _groote vreugde_, dat die glans en geur niet tot hem
spreken; en heerlijk vooral vinden wij, dat hij zoo _jong_ tot die
erkenning is gekomen en geheel uit zijn eigen een anderen weg wil
inslaan dan die tot nu toe gevolgd en door duizenden platgetreden.
Liever zou ik gezien hebben, dat hij zich ging wijden aan de lijdende
menschheid en de doktersstudie koos. Dit is misschien gedeeltelijk
zelfzucht van me. Ik zou hem graag dokter zien worden, omdat er op dat
gebied zoo ontzettend veel en moois is te doen en ... omdat hij dan ook
ideeën van ons zou kunnen verwezenlijken. Wat zou hij niet veel kunnen
doen voor de wederzijdsche waardeering van het Europeesche en het
Inlandsche element! Hij zou zijn volk vertrouwd kunnen maken met de
Europeesche geneeswijze en in de Europeesche wereld aandacht vragen voor
eenvoudige Inlandsche middelen, welker deugdelijkheid is geconstateerd.
Ik sprak broertje van de dokter-djawa-school, maar daar heeft hij geen
lust in, en wij willen geen pressie uitoefenen.