3 Januari 1903. (VII.)

Hoe zal ik u mijn dank betuigen voor hetgeen uw brief en het

Kamerverslag van 26 November j.l. ons melden; wij zullen u nooit, nooit

genoeg dankbaar kunnen zijn voor hetgeen u voor ons heeft gedaan. De

schuld, die wij aan u hebben, is nooit af te doen, die nemen wij mee

naar de andere wereld. O! hoe u te beschrijven den stroom van gedachten,

die zich uitstortte in mijn gemoed, toen ik door een floers van tranen

heen èn uw brief èn de aangestreepte gedeelten in 't Kamerverslag las.

God is groot, God is machtig, God _is_ liefde. Dit is eene goddelijke

genade. Wij beidjes keken elkaar aan zonder elkaar te zien, vèr over

elkanders hoofden heen zweefde onze blik, zweefden onze gedachten naar

verre landen, verre vrienden, naar tijden, gebeurtenissen, die de

toekomst nog omsluierd houdt. Beiden dachten en gevoelden we op dat

oogenblik hetzelfde. Naast een gevoel van onuitsprekelijke dankbaarheid,

was er weemoed, diepe weemoed, in het hart.

Weemoedig waren wij, omdat wij niet oogenblikkelijk de trouwe, edele

zielen bedanken konden, onze vrienden niet de hand drukken, of hen aan

't hart sluiten, die deze groote vreugde ons bereidden.

En weemoedig waren wij om de vele lieve, dierbare, beminde harten, aan

welke de heugelijke tijding door ons met zoo innige dankbaarheid

begroet, bloedende wonden zou toebrengen.

Arme, arme oudjes! De vervulling van onzen hartewensch beteekent voor

hen, afstand doen van hunne kinderen, beteekent zielsverdriet. Het zal

zoo bitter, bitter hard zijn voor hen, als eenmaal de boot wegstoomt,

die hunne lieven van hunne harten scheurt en brengt naar 't verre,

vreemde land. Zullen zij ongedeerd weeromkomen?--zullen de oudjes hen

wederzien?

Zij zijn zoo innig aan ons gehecht, vooral mijn vadertje aan mij, die

hem zoo zeer aan zijne moeder herinnert en in wie hij ziet zijn eigen

portret.

God trooste de arme, bedroefde, beminde harten, als het zoo ver is. Het

is egoïstisch, maar wij hopen, dat 't _dra_ zoo ver komt.

Broer, Stella en alle vrienden zullen stellig ingelukkig zijn, dat uwe

nobele pogingen met zulk een goeden uitslag bekroond zijn geworden. Met

diepe ontroering lazen wij uwe rede, waarin u Regeeringshulp in riep

voor een paar kinderen van het volk, wiens lot u zich zóó zeer aantrekt;

daarna 't antwoord van den Minister en hierop uwe dankzegging!

Als u zeg ik uit 't diepste mijns harten u mijn innigen dank en druk u

warm de hand. En als Mevrouw, hopen wij, dat de toekomst zal bewijzen,

dat u niet aan onwaardigen uwe sympathie heeft geschonken en er voor

gewerkt. Heb wil van uw nobel werk, mijn Vriend!

Zóóveel hebben wij er al voor gestreden en geleden. En wij gelooven, dat

nog ernstige beroeringen ons te wachten staan, aleer wij al dat nare, en

daarnaast dat vele lieve achter ons kunnen laten, om weg te stoomen naar

dat verre land, waarvan wij verwachten, dat het ons goed zal toerusten

voor de taak, die wij denken te gaan vervullen.

Men hoeft niemand ooit iets kwaads gedaan of iets in den weg gelegd te

hebben om zich felle vijanden op den hals te halen. Men is bezig de

familie op te stoken tegen onze plannen. "Het is niet pantes,[1] dat wij

naar Holland willen gaan. En wat een _schande_ om te willen gaan op

andermans kosten".

Er zijn er, die met leede oogen aanzien, dat ik schrijf; en er is mij

een wenk gegeven, om daarmede op te houden. Het is niet "pantes" voor

een meisje om voor het publiek te schrijven. O, foei, een _ongetrouwde

vrouw_, wier naam links en rechts wordt genoemd: "Als zij een man had,

dan kon 't er meê door!"

Van Dr. Adriani heb ik zoo pas een langen brief gekregen over

onderwerpen, die u ook belang inboezemen. Ik heb hem verteld, _wat_ u

heeft gedaan voor ons, en hij is er zóó blij over. Hij schreef o.a.:

"Wat Mevrouw Van Kol u heeft doen zien, is datgene, wat het _wezen_ van

allen godsdienst is: de erkenning van God als een persoon, niet een

begrip, niet _het_ Goede, maar _De_ Goede!"

Er staan heel mooie en ernstige dingen in zijn brief. Wat zou ik niet

graag dien samen met u lezen en bespreken. Ik moet hem nog beantwoorden.

Ergens zegt hij: "maar ik zie het niet anders in: het Christendom brengt

niemand geluk aan; alleen de persoonlijke verhouding tot God is het, die

aan het Christendom zijne beteekenis geeft".

[1] Pantes = behoorlijk.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 89 / 136 题