Wat het snijwerk betreft, het is _prachtig_ geslaagd, en wij vinden uw
tafeltje het mooiste wat wij ooit van onzen Singo hebben bewonderd.
Heerlijk is 't om te zien, hoe de goede ziel steeds vooruitgaat.
Kort geleden was hij als door een wonder aan een groote ramp ontsnapt.
Er brandden om zijn huis elf woningen zijner kameraden tot den grond toe
af; de klapperboomen op zijn erfje stonden reeds in lichte laaie, maar
als door een wonder bleef zijn huis geheel ongedeerd. Het geheele dorpje
liep uit om dit wonder te aanschouwen en om den gelukkigen eigenaar van
het gespaard gebleven huis te vragen, welke "ilmoe", ("djimat"[1]), dan
wel tooverwapen hij had, dat, waar al de omliggende huisjes geheel
afbrandden, het zijne alleen pal bleef staan, ongedeerd. "Neen, hij had
"ilmoe", noch "djimat", noch tooverwapen; hij had alleen maar "Goesti
Allah", en die heeft hem voor hem en de zijnen gespaard". Aardig
geantwoord, vindt u niet? Maar nu moet u verder hooren, den dag na den
brand kwam die man bij ons, en verbeeld u, hij _bedankte_ ons voor het
behoud zijner woning. Er ging niets van af; _onze zegen_ hield het vuur
van zijn huis af. Het was de kracht van onze zegenbede voor hem, die
zijn huis voor onheil beveiligde! Wat zegt u daar wel van! Roerend is
zulke eenvoud en naïef geloof!
Ik vraag mijzelf af, of ik wel goed doe door de eenvoudige zielen hun
naïef geloof te ontnemen, waar zij mee gelukkig zijn? En wat zal ik hun
in de plaats daarvan kunnen geven? Afbreken kan de domste, maar
opbouwen? Ons geloof kunnen wij hun nu nog niet geven. En kan men zijn
geloof wel ooit aan een ander geven? Geloof, echt, waar geloof, geen
aangenomen, geërfd, ontstaat door een zieleproces.... Wij vinden het zoo
eng, dat ons door die eenvoudige zielen een macht wordt toegeschreven,
die wij, noch iemand anders bezitten.
Wij hebben zoo menig liefs van onze vrienden uit 't volk ondervonden.
Dáárom hebben wij ons een langen tijd geheel van allen godsdienst
afgekeerd, omdat wij zooveel _liefdeloosheid_ zien onder den dekmantel
godsdienst. Eerst langzamerhand leerden wij inzien, dat _niet de
godsdienst_ liefdeloos is, maar dat het _menschen_ zijn, die het
oorspronkelijke goddelijk mooie leelijk maken. De mooiste en de hoogste
godsdienst vinden wij de _Liefde_. En moet men dan absoluut een Christen
zijn om naar dit goddelijk gebod te kunnen leven? Ook de Boeddhist, de
Brahmaan, de Jood, de Mohammedaan, zelfs de heiden, kan een zuiver
liefdeleven leiden.
* * * * *
Er is iets, waarin ik geheel opga, wèg raak, zoo dikwijls ik daarin
leef: mooie muziek. Men kan alles van ons gedaan krijgen, als wij
bedwelmd zijn door muziek. En als wij eens iets moesten doen, waar heel,
heel wat moed toe noodig is, dan zouden wij ons eerst willen bedwelmen
door heerlijke muziek. Zoo'n invloed heeft muziek op ons. Toch waren wij
eens er volmaakt koud voor.
Anders moeten wij ons dikwijls geweld aandoen, om onze vingers niet te
laten meegolven op de tonen van den gamelan, die een vuurstroom in onze
aderen gieten. Ook de jongere zusjes hebben hetzelfde gevoel, als zij
mooi gamelan hooren. Wij hebben alleen als kinderen aan dansen gedaan,
geheel uit ons eigen; toen wij nauwelijks loopen konden, begonnen wij
onze armen, handjes en lijf te bewegen op de tonen van de gamelan. En
als kleine peuzels was 't onze illusie eens danseressen te worden, en
sloten wij vriendschap met danseressen. Heel dikwijls kleedde Moeder ons
als eene danseres aan, en dan danste ik tot ik er bij neerviel. O! reine
onschuld; vertrouwelijk nestelden wij ons in de armen van danseressen;
wij bewonderden haar kunst en zij waren heel lief voor ons.
Later, heel, heel later leerden wij begrijpen, wie zij waren, die wij
zoo innig bewonderden, en wij verguisden _de kunst_ om _den mensch_, en
wij schaamden er ons voor, ooit verlangd te hebben eene danseres te
worden.[2] En heel later weer leerden wij de kunst van den mensch te
scheiden--en wij zijn nog steeds leerende. Het moest ons volstrekt
onverschillig laten wat de mensch-schrijver is; wij moesten alleen den
kunstenaar in hem eeren, evenals in Multatuli het genie.
Zooals ik ergens reeds zei, verlangen wij zeer met menschen van
allerlei ras, geloof en richting in aanraking te komen. Dezen laatsten
keer op Semarang maakten we kennis met eenige Said's families.[3] Broer
kent er heel velen, goede, vrome menschen. Hij bracht ons o.a. bij den
kapitein der Arabieren, en we kwamen tot de ontdekking, dat we familie
van elkaar zijn. Door over en weer te vragen ontdekten wij, dat zijn
familie, grootvader, goed bevriend was met den onzen; zijn vader en oom
waren de speelkameraden van Vader en zijn broers en van grootvaders
aangenomen zoons. Door omstandigheden verloren de vrienden elkaar uit
het oog, tot nu het toeval de kleinkinderen weer tezamen bracht.
Aardig om een kijkje te nemen in een vreemd interieur, en wij vonden er
zooveel hartelijkheid. Dat ondervinden wij meer van menschen van
allerlei ras, onszelf geheel vreemd, maar die zelf, of wier ouders onze
grootouders hebben gekend.
Zoo hebben wij ook in het Moorsche kamp vrienden zitten, wier ouders met
onze grootouders bevriend waren. Wij werden er steeds heel hartelijk
ontvangen. Onlangs trouwde een zoon van hen met een Moorsch meisje hier.
Wij kwamen op de bruiloft; veel van de oude gebruiken zijn thans
afgeschaft, zoodat mijne beschrijving van zulk eene bruiloft nu niet
geheel juist is. Het is dan ook al zoo oud, ik schreef het als kind en
een paar jaar geleden verscheen het in 't tijdschrift voor taal-, land-
en volkenkunde van Nederlandsch-Indië.[4] Ik weet niet of ik mij er over
verblijden moet, dat sommige hunner oude gebruiken zijn afgeschaft, als
ik zie, wat zij in de plaats van dat oude hebben aangenomen. Dat
namaak-Europeesche, geplakt op het oude kleed der traditie, geeft zoo'n
allerpotsierlijkste vertooning. Terecht wekt zulks den lachlust op van
Europeanen. De voorname Kodja vindt het nu te min om op zijn
huwelijksdag, bij de ontmoeting, zijn jong vrouwtje de gebruikelijke
sirih in een sierlijken gouden koker gevat te geven. De bruidegom, dien
wij onlangs zagen, gaf zijn bruidje een bloemtuiltje bonte kunstbloemen,
waaraan bonte linten wapperden. Geen kenanga, tjempaka en melati tooiden
hunne bruidsgewaden, maar bonte kunstbloemen. Zij waren immers
Europeesch!
Maar één met de voeten treden van een oud gebruik, juichen wij
onverdeeld toe. Het is bij hen het gebruik, dat jonggetrouwden in de
drie eerste dagen van hun samenzijn, het huis niet uit mogen. Nu zouden
de ouders, die maar kort hier bleven, de jonggetrouwden graag bij ons
brengen; maar hoe kon het, de vereischte drie dagen zouden dan nog niet
verstreken zijn. Hoe verrast en verrukt waren wij, toen wij hem zijne
vrouw hoorden zeggen: "Besok pagi soré kemanten saja sowanken ka
kaboepaten".
"Pigi mana dan, belom tiga ari? Masa boleh?" wierp zijne vrouw tegen. En
de Kodja antwoordde: "Kangdjeng bilang, itoe atoeran kan tjoema adat
sadja. Adat tida toeroet apa-apa; oentoeng, tjilaka pembawakannja orang
sendiri. Kaloek atinja sendiri, eklas, boewang adat, slamat tida ada
satoe apa. Saja poenja ati menoeroet, dawoenhja Kangdjeng. Soedah
slamat, tiada apa apa".[5]
Onze oogen flonkerden hem tegen, wij hadden hem wel de hand willen
drukken. Dus ook hij, de aan oude zedelijke gewoonten verkleefde
Oosterling, erkent, dat adat niets is dan een aangenomen gebruik, dat
men evenals een oud kleed afleggen kan, als 't ons niet meer voldoet, en
dat de adat op zichzelf niets te maken heeft met ons levensgeluk.
Wij zijn duizendmaal bevoorrecht. Wij hebben een hoog doel, en wij
hebben liefde! Konden wij maar wat geven van onze weelde! Maar geluk kàn
niemand ons geven, als wij het niet zelf willen.
Wij durven er niet aan denken, laat staan hopen, maar toch--maar toch,
wat zou het zalig zijn, zoo wij één snaar konden doen trillen, zoolang
verstikt onder materie, zoo wij de Godsvonk konden aanwakkeren tot een
mooie vlam! Aan dat alles denkende, komt in ons een vredig en wonder
soort gevoel, en daarnaast innige dankbaarheid. Rijk is ons leven; wel
veel bitters is er in, maar daarnaast ook veel wonderzoets.
Het gelukkigste en 't rijkst gezegend voelen wij ons, als wij een
medemensch hebben kunnen helpen. Stoffelijk hebben wij niets te geven.
Wat wij hebben en kunnen geven, geven wij--dat is onze liefde. Vaak
vinden wij 't erg vreemd, dat menschen, zoo veel, veel ouder dan wij,
getrouwd en moeder van groote kinderen, in onze armen hun leed
uitschreien. 't Stemt ons zóó dankbaar, als wij dan één traan kunnen
drogen. Wie dàt gevoel eens heeft gekend, zal 't niet weer kunnen en
willen vergeten.
Maakt u zich daarom niet over ons ongerust, lieveling, als onze toekomst
eens donker mocht zijn. Zóó lang er op aarde nog tranen te drogen zijn,
nog harten liefde behoeven, zullen uwe bruine vriendinnetjes werk hebben
en bezig zijn, dat is: gelukkig zijn. Werkelijk, maak u zich niet
ongerust over ons, nu niet en later niet, nooit! Draag ons op aan het
Opperwezen, aan den Vader van Liefde! Hij zal ons helpen, steunen,
troosten en voorlichten. Wees gerust en treur niet, wij weten ons Godes.
Hij kent ons, en zal ons richten liefdevol. Willen wij 't goede, dan zal
Hij ons helpen; willen wij 't kwade, dan zullen wij onze straf niet
ontgaan. Dat geloof draagt ons en geeft ons zoo'n rust en vrede.
Wij streven er naar om _werkelijk sterk_ te worden--zóó dat wij onszelf
helpen kunnen. Zichzelf helpen is dikwijls moeilijker dan anderen te
helpen. En wie zichzelf helpen kan, zal anderen nog beter kunnen helpen.
[1] Ilmoe = wetenschap om te verkrijgen wat men wenscht. Djimat = middel
om van rampen bevrijd te blijven. Met tooverwapen wordt bedoeld een
wapen waaraan geheimzinnige kracht wordt toegeschreven in het belang van
den bezitter.
[2] De danseressen hebben op Java geen goeden naam.
[3] Said is de titel van Arabische afstammelingen van Nabi Moehammad,
den stichter van de Mohammedaansche leer.
[4] Zie de noot op blz. 16.
[5] De vrije vertaling luidt:
Morgenavond zal ik het bruidspaar naar de kaboepaten (regentswoning)
leiden. Hoe kan dat; de drie dagen zijn dan nog niet voorbij. De regent
zegt, dat het slechts eene gewoonteregeling geldt; geluk of ongeluk
veroorzaakt de mensch zich zelf. Als het hart slechts rein is, behoeft
men zich niet aan gewoonte te storen; voor het geluk doet het niets ter
zake. Mijn hart volgt de zienswijze van den Regent. Het zal wel goed
gaan; er zal niets gebeuren.
* * * * *
[Illustration: Op den grooten weg tusschen Depok en Buitenzorg.]