12 December 1902. (VIII.)

Wat het snijwerk betreft, het is _prachtig_ geslaagd, en wij vinden uw

tafeltje het mooiste wat wij ooit van onzen Singo hebben bewonderd.

Heerlijk is 't om te zien, hoe de goede ziel steeds vooruitgaat.

Kort geleden was hij als door een wonder aan een groote ramp ontsnapt.

Er brandden om zijn huis elf woningen zijner kameraden tot den grond toe

af; de klapperboomen op zijn erfje stonden reeds in lichte laaie, maar

als door een wonder bleef zijn huis geheel ongedeerd. Het geheele dorpje

liep uit om dit wonder te aanschouwen en om den gelukkigen eigenaar van

het gespaard gebleven huis te vragen, welke "ilmoe", ("djimat"[1]), dan

wel tooverwapen hij had, dat, waar al de omliggende huisjes geheel

afbrandden, het zijne alleen pal bleef staan, ongedeerd. "Neen, hij had

"ilmoe", noch "djimat", noch tooverwapen; hij had alleen maar "Goesti

Allah", en die heeft hem voor hem en de zijnen gespaard". Aardig

geantwoord, vindt u niet? Maar nu moet u verder hooren, den dag na den

brand kwam die man bij ons, en verbeeld u, hij _bedankte_ ons voor het

behoud zijner woning. Er ging niets van af; _onze zegen_ hield het vuur

van zijn huis af. Het was de kracht van onze zegenbede voor hem, die

zijn huis voor onheil beveiligde! Wat zegt u daar wel van! Roerend is

zulke eenvoud en naïef geloof!

Ik vraag mijzelf af, of ik wel goed doe door de eenvoudige zielen hun

naïef geloof te ontnemen, waar zij mee gelukkig zijn? En wat zal ik hun

in de plaats daarvan kunnen geven? Afbreken kan de domste, maar

opbouwen? Ons geloof kunnen wij hun nu nog niet geven. En kan men zijn

geloof wel ooit aan een ander geven? Geloof, echt, waar geloof, geen

aangenomen, geërfd, ontstaat door een zieleproces.... Wij vinden het zoo

eng, dat ons door die eenvoudige zielen een macht wordt toegeschreven,

die wij, noch iemand anders bezitten.

Wij hebben zoo menig liefs van onze vrienden uit 't volk ondervonden.

Dáárom hebben wij ons een langen tijd geheel van allen godsdienst

afgekeerd, omdat wij zooveel _liefdeloosheid_ zien onder den dekmantel

godsdienst. Eerst langzamerhand leerden wij inzien, dat _niet de

godsdienst_ liefdeloos is, maar dat het _menschen_ zijn, die het

oorspronkelijke goddelijk mooie leelijk maken. De mooiste en de hoogste

godsdienst vinden wij de _Liefde_. En moet men dan absoluut een Christen

zijn om naar dit goddelijk gebod te kunnen leven? Ook de Boeddhist, de

Brahmaan, de Jood, de Mohammedaan, zelfs de heiden, kan een zuiver

liefdeleven leiden.

* * * * *

Er is iets, waarin ik geheel opga, wèg raak, zoo dikwijls ik daarin

leef: mooie muziek. Men kan alles van ons gedaan krijgen, als wij

bedwelmd zijn door muziek. En als wij eens iets moesten doen, waar heel,

heel wat moed toe noodig is, dan zouden wij ons eerst willen bedwelmen

door heerlijke muziek. Zoo'n invloed heeft muziek op ons. Toch waren wij

eens er volmaakt koud voor.

Anders moeten wij ons dikwijls geweld aandoen, om onze vingers niet te

laten meegolven op de tonen van den gamelan, die een vuurstroom in onze

aderen gieten. Ook de jongere zusjes hebben hetzelfde gevoel, als zij

mooi gamelan hooren. Wij hebben alleen als kinderen aan dansen gedaan,

geheel uit ons eigen; toen wij nauwelijks loopen konden, begonnen wij

onze armen, handjes en lijf te bewegen op de tonen van de gamelan. En

als kleine peuzels was 't onze illusie eens danseressen te worden, en

sloten wij vriendschap met danseressen. Heel dikwijls kleedde Moeder ons

als eene danseres aan, en dan danste ik tot ik er bij neerviel. O! reine

onschuld; vertrouwelijk nestelden wij ons in de armen van danseressen;

wij bewonderden haar kunst en zij waren heel lief voor ons.

Later, heel, heel later leerden wij begrijpen, wie zij waren, die wij

zoo innig bewonderden, en wij verguisden _de kunst_ om _den mensch_, en

wij schaamden er ons voor, ooit verlangd te hebben eene danseres te

worden.[2] En heel later weer leerden wij de kunst van den mensch te

scheiden--en wij zijn nog steeds leerende. Het moest ons volstrekt

onverschillig laten wat de mensch-schrijver is; wij moesten alleen den

kunstenaar in hem eeren, evenals in Multatuli het genie.

Zooals ik ergens reeds zei, verlangen wij zeer met menschen van

allerlei ras, geloof en richting in aanraking te komen. Dezen laatsten

keer op Semarang maakten we kennis met eenige Said's families.[3] Broer

kent er heel velen, goede, vrome menschen. Hij bracht ons o.a. bij den

kapitein der Arabieren, en we kwamen tot de ontdekking, dat we familie

van elkaar zijn. Door over en weer te vragen ontdekten wij, dat zijn

familie, grootvader, goed bevriend was met den onzen; zijn vader en oom

waren de speelkameraden van Vader en zijn broers en van grootvaders

aangenomen zoons. Door omstandigheden verloren de vrienden elkaar uit

het oog, tot nu het toeval de kleinkinderen weer tezamen bracht.

Aardig om een kijkje te nemen in een vreemd interieur, en wij vonden er

zooveel hartelijkheid. Dat ondervinden wij meer van menschen van

allerlei ras, onszelf geheel vreemd, maar die zelf, of wier ouders onze

grootouders hebben gekend.

Zoo hebben wij ook in het Moorsche kamp vrienden zitten, wier ouders met

onze grootouders bevriend waren. Wij werden er steeds heel hartelijk

ontvangen. Onlangs trouwde een zoon van hen met een Moorsch meisje hier.

Wij kwamen op de bruiloft; veel van de oude gebruiken zijn thans

afgeschaft, zoodat mijne beschrijving van zulk eene bruiloft nu niet

geheel juist is. Het is dan ook al zoo oud, ik schreef het als kind en

een paar jaar geleden verscheen het in 't tijdschrift voor taal-, land-

en volkenkunde van Nederlandsch-Indië.[4] Ik weet niet of ik mij er over

verblijden moet, dat sommige hunner oude gebruiken zijn afgeschaft, als

ik zie, wat zij in de plaats van dat oude hebben aangenomen. Dat

namaak-Europeesche, geplakt op het oude kleed der traditie, geeft zoo'n

allerpotsierlijkste vertooning. Terecht wekt zulks den lachlust op van

Europeanen. De voorname Kodja vindt het nu te min om op zijn

huwelijksdag, bij de ontmoeting, zijn jong vrouwtje de gebruikelijke

sirih in een sierlijken gouden koker gevat te geven. De bruidegom, dien

wij onlangs zagen, gaf zijn bruidje een bloemtuiltje bonte kunstbloemen,

waaraan bonte linten wapperden. Geen kenanga, tjempaka en melati tooiden

hunne bruidsgewaden, maar bonte kunstbloemen. Zij waren immers

Europeesch!

Maar één met de voeten treden van een oud gebruik, juichen wij

onverdeeld toe. Het is bij hen het gebruik, dat jonggetrouwden in de

drie eerste dagen van hun samenzijn, het huis niet uit mogen. Nu zouden

de ouders, die maar kort hier bleven, de jonggetrouwden graag bij ons

brengen; maar hoe kon het, de vereischte drie dagen zouden dan nog niet

verstreken zijn. Hoe verrast en verrukt waren wij, toen wij hem zijne

vrouw hoorden zeggen: "Besok pagi soré kemanten saja sowanken ka

kaboepaten".

"Pigi mana dan, belom tiga ari? Masa boleh?" wierp zijne vrouw tegen. En

de Kodja antwoordde: "Kangdjeng bilang, itoe atoeran kan tjoema adat

sadja. Adat tida toeroet apa-apa; oentoeng, tjilaka pembawakannja orang

sendiri. Kaloek atinja sendiri, eklas, boewang adat, slamat tida ada

satoe apa. Saja poenja ati menoeroet, dawoenhja Kangdjeng. Soedah

slamat, tiada apa apa".[5]

Onze oogen flonkerden hem tegen, wij hadden hem wel de hand willen

drukken. Dus ook hij, de aan oude zedelijke gewoonten verkleefde

Oosterling, erkent, dat adat niets is dan een aangenomen gebruik, dat

men evenals een oud kleed afleggen kan, als 't ons niet meer voldoet, en

dat de adat op zichzelf niets te maken heeft met ons levensgeluk.

Wij zijn duizendmaal bevoorrecht. Wij hebben een hoog doel, en wij

hebben liefde! Konden wij maar wat geven van onze weelde! Maar geluk kàn

niemand ons geven, als wij het niet zelf willen.

Wij durven er niet aan denken, laat staan hopen, maar toch--maar toch,

wat zou het zalig zijn, zoo wij één snaar konden doen trillen, zoolang

verstikt onder materie, zoo wij de Godsvonk konden aanwakkeren tot een

mooie vlam! Aan dat alles denkende, komt in ons een vredig en wonder

soort gevoel, en daarnaast innige dankbaarheid. Rijk is ons leven; wel

veel bitters is er in, maar daarnaast ook veel wonderzoets.

Het gelukkigste en 't rijkst gezegend voelen wij ons, als wij een

medemensch hebben kunnen helpen. Stoffelijk hebben wij niets te geven.

Wat wij hebben en kunnen geven, geven wij--dat is onze liefde. Vaak

vinden wij 't erg vreemd, dat menschen, zoo veel, veel ouder dan wij,

getrouwd en moeder van groote kinderen, in onze armen hun leed

uitschreien. 't Stemt ons zóó dankbaar, als wij dan één traan kunnen

drogen. Wie dàt gevoel eens heeft gekend, zal 't niet weer kunnen en

willen vergeten.

Maakt u zich daarom niet over ons ongerust, lieveling, als onze toekomst

eens donker mocht zijn. Zóó lang er op aarde nog tranen te drogen zijn,

nog harten liefde behoeven, zullen uwe bruine vriendinnetjes werk hebben

en bezig zijn, dat is: gelukkig zijn. Werkelijk, maak u zich niet

ongerust over ons, nu niet en later niet, nooit! Draag ons op aan het

Opperwezen, aan den Vader van Liefde! Hij zal ons helpen, steunen,

troosten en voorlichten. Wees gerust en treur niet, wij weten ons Godes.

Hij kent ons, en zal ons richten liefdevol. Willen wij 't goede, dan zal

Hij ons helpen; willen wij 't kwade, dan zullen wij onze straf niet

ontgaan. Dat geloof draagt ons en geeft ons zoo'n rust en vrede.

Wij streven er naar om _werkelijk sterk_ te worden--zóó dat wij onszelf

helpen kunnen. Zichzelf helpen is dikwijls moeilijker dan anderen te

helpen. En wie zichzelf helpen kan, zal anderen nog beter kunnen helpen.

[1] Ilmoe = wetenschap om te verkrijgen wat men wenscht. Djimat = middel

om van rampen bevrijd te blijven. Met tooverwapen wordt bedoeld een

wapen waaraan geheimzinnige kracht wordt toegeschreven in het belang van

den bezitter.

[2] De danseressen hebben op Java geen goeden naam.

[3] Said is de titel van Arabische afstammelingen van Nabi Moehammad,

den stichter van de Mohammedaansche leer.

[4] Zie de noot op blz. 16.

[5] De vrije vertaling luidt:

Morgenavond zal ik het bruidspaar naar de kaboepaten (regentswoning)

leiden. Hoe kan dat; de drie dagen zijn dan nog niet voorbij. De regent

zegt, dat het slechts eene gewoonteregeling geldt; geluk of ongeluk

veroorzaakt de mensch zich zelf. Als het hart slechts rein is, behoeft

men zich niet aan gewoonte te storen; voor het geluk doet het niets ter

zake. Mijn hart volgt de zienswijze van den Regent. Het zal wel goed

gaan; er zal niets gebeuren.

* * * * *

[Illustration: Op den grooten weg tusschen Depok en Buitenzorg.]

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 88 / 136 题