21 November 1902. (X.)

Je moet weten drie van de vier planken onzer boekenkast zijn propvol

boeken; de vierde houden wij open voor de portretten van onze vrienden

en andere souvenirs; zoo hebben wij dan alle vrienden bij elkaar. Je

staat tusschen Mama en broer Kartono; iets verder op Dr. Adriani, die

zeer sympathieke geleerde en groote menschen-vriend; dan komt een lief

schepseltje, een rein, frisch, onbedorven natuurbloempje, waar wij heel

veel van houden; ook Papa is er in groot tenue; je bent er in goed

gezelschap, werkelijk! 't Is een plaats, waar we iederen dag komen; de

dag is voor ons nog niet begonnen, als wij onze vrienden nog niet in de

lieve, trouwe gezichten hebben gezien.

* * * * *

Als wij goed nagaan, dan vinden wij het eigenlijk toch wel goed, dat

niet al onze wenschen kunnen worden vervuld. Daargelaten, dat het

_akelig_ zou zijn, indien wij niets te wenschen zouden hebben, zou het

er treurig uitzien, indien al wat we wenschten in vervulling kwam. Wij

wenschen niet zelden, _gedachteloos_ iets, dat als het vervuld werd, ons

erg berouwen zou. Uit eigen ervaring weten we, dat dikwijls de

vervulling van hartewenschen gepaard gaat met bittere tranen.

Wij hebben idee, dat wij je toch eens zullen zien, en dat die ontmoeting

dan zal zijn zeer vluchtig. Een ontmoeten, groeten en weer scheiden in

een paar minuten tijds. Wij zullen als 't ware een glimp van elkaar zien

en dan voor goed voor elkaar verdwijnen. Gek, hè, dat we dat idee hebben

en het niet uit ons hoofd kunnen zetten.

Waarom moeten we toch naar een persoonlijk ontmoeten verlangen, als de

geestesontmoeting al zoo goed is; meer hebben wij immers niet noodig; de

_geest_, is dat niet het beste in ons? En als wij het _beste_ in elkaar

kennen, wat willen wij dan nog meer?

* * * * *

Hoe vond je 't vuurschermpje van Japarasch houtsnijwerk--niet heerlijk?

O! ik kan je niet zeggen, hoe gelukkig ik ben dat de kunst van ons land

hoe langer hoe meer gekend en gewaardeerd wordt. Heil allen edelen

Javanenvrienden, die de kunst van Indië en daarmede het zielemooi van

het volk aan het licht brachten. Wij hopen innig, dat de belangstelling

in de Indische kunst niet zal blijken te zijn als zoo menige andere:

_een vluchtige mode_.

Neen, niet waar, dat zal ze niet; wij hopen het van _niet_, al moeten we

ook erkennen, dat de meesten, die nu belangstelling toonen in onze

kunst, het slechts doen uit mode,--degenen die den eersten stoot gaven

tot die beweging, deden het uit _innige overtuiging_, en deze zal het op

den langen duur wel winnen op de zucht tot _nadoen_ van het gros.

Maar dat is niet de geschiedenis van al het nieuwe, ook dat voorbestemd

is tot een làng leven?

Doch laat ik nu niet langer dit onderwerp uitspinnen.

* * * * *

Zie je, ik zou zoo graag verschillende levens willen meeleven, b.v. in

een mijndistrict te midden van mijnwerkers; of wel in een Inlandsche

Christengemeente te midden van Inlandsche Christenen; in een Chineesche,

een Maleisch kamp, en wat niet al. Vooral zou ik innig graag willen

meeleven het leven in de dessa en kampong te midden van het eigenlijke

volk. Dat heeft steeds groote bekoring voor me; ik weet dat ons volk me

dan nóg vaster aan het hart zal groeien. De ziel van welk volk ook kan

je eerst goed leeren kennen, als je een tijd midden in dat volk en met

dat volk mee leeft.

Ik heb zooveel liefs van ons eigen volk gezien; het is een voorsmaak van

wat ik genieten zal, als ik er midden in leef. Zooveel mogelijk zoeken

we aanraking met het volk en als we alleen uitgaan, dan brengen we

steeds een bezoek aan een of meer kamponghuizen. In den beginne keken ze

ons er wel wat vreemd op aan, maar nu zien ze er niets meer in.

Een kinderhand is gauw gevuld; zoo ook de hand van een kinder-volk. Ze

zijn erg gevoelig voor hartelijkheid, en hebben ook veel zin voor humor.

Zoo kan je ze met een kwinkslag die hen hartelijk lachen doet, een zware

karwei vroolijk doen verrichten. Wij hebben al sinds een paar maanden

elken dag een hoop werkvolk van den Waterstaat op het erf. Ze zijn bezig

het achterhuis te verbouwen; wij krijgen een aardige pendopo achter.

In het rustuur komen wij dikwijls op de werkplaats om een praatje te

maken met het werkvolk. Stel je voor je zusjes op een zandhoop zittend;

om haar heen moe gewerkte lieden, bijna geen kleeren aan 't lijf, een

strootje rookend of sirih kauwend. Wij moeten natuurlijk steeds het

gesprek beginnen; als het niet _moet_, dan zal een mindere liever den

geheelen dag zwijgen, dan het eerst te spreken tot zijn meerderen.

Het is erg aardig; we hooren op die wijze het een en ander, dat anders

buiten ons gehoor zou blijven. Dat volkje werkt onder toezicht van een

Indo.[1] Deze was in den beginne stug, teruggetrokken, groette zelfs

niet, als hij kwam en ging. Nu zijn wij goede maatjes--wij zijn begonnen

hem eerst te groeten en daarna aan te spreken. Hij was vreeselijk

verlegen eerst, maar nu kan hij boomen, hoor!

Hij is goed voor zijn volkje, dat met hem vrij omgaat en toch beleefd.

We hoorden het volkje dikwijls gekheid maken met den "toewan", een

bewijs, dat de baas goed is voor ze. Kregen ze standjes, moesten ze iets

overdoen, dan hoorden wij ze niet mopperen. Aardig hè? Aan dien sinjo[2]

konden vele "bazen" een voorbeeld nemen.

[1] Indo = Indo-Europeaan.

[2] Sinjo is afgeleid van het Portugeesche Senhor dat heer (mijnheer)

beteekent. Met Sinjo duidt men aan de in Indië geboren afstammelingen

van Europeanen en Inlandsche vrouwen.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 87 / 136 题