21 November 1902. (VIII.)

Als wij liefhebben, dan moeten wij heel blij en dankbaar zijn, als het

voorwerp onzer liefde veel liefde geniet, èn geven èn ontvangen. Is het

niet? Als wij liefhebben, dan is onze liefste wensch, dat onze liefste

gelukkig is. En _gelukkig_ is degene, die veel liefheeft en veel wordt

geliefd. Ik spreek hier niet van eene liefde tusschen man en vrouw; 't

is een teer punt, en ik kan er niet over oordeelen. Ik spreek hier van

eene liefde, die men voor _velen_ kan gevoelen, hoewel voor de eene weer

op een andere wijze dan voor een ander.

Of is 't zelfzucht van mijzelf, als ik van anderen, die ik liefheb, en

mij wederkeerig liefhebben, verwacht, dat zij zich zullen verheugen in

mijn geluk, ook als dat bestaat uit het wegschenken van mijn hart aan

een ander?

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 86 / 136 题