27 October 1902. (VIII).

O! konden wij u maar zeggen, welk eene verteedering er over ons komt

telkenmale als wij bewijzen uwer hartelijke liefde voor ons ontvangen.

In al onze ellende achten wij ons _bevoorrechte_ wezens. Er zijn o, zoo

vele armen, in ellendiger toestand nog dan wij, die _alleen_, zonder

maagd of vriend het leven moeten doorworstelen, nooit een

hartelijk-deelnemend woord hooren, een sympathieken blik opvangen, een

warmen handdruk krijgen. Wij voelen ons _rijk gezegend_ in het bezit van

zulk eene vriendschap en liefde als de uwe.

Blijf ons steeds liefhebben en vertrouwen, Moedertje, zóó maakt u ons

gelukkig. Wij danken u innig, innig voor uwe liefde en sympathie.

U ziet, dat we al wat op streek zijn gekomen; hierop wachtten wij om u

te antwoorden op uw laatste schrijven, dat wij in ons hebben opgenomen

en bewaren als een reliquie.

Och toe, wij bidden en smeeken u, denkt u niet meer zóó aan ons geluk,

wij hebben het u al zoo dikwijls gezegd, _niet ons_ geluk zoeken wij,

maar dat van _anderen_.

Geloof ons, wij verwachten van _Europa_, noch van _onze toekomst_ rozen

voor _ons zelf_. Wij hebben maar één droom, één illusie van Europa, dat

het ons goed zal toerusten voor den strijd, dien wij ons hebben

aangebonden voor het heil van ons volk, onze zusteren.

Heusch, we verwachten niets, niets van Europa, wat Europeesche meisjes

daarvan droomen: "vreugde"; noch daar veel vriendschap en sympathie te

zullen vinden; noch ons _gelukkiger_ te zullen gevoelen in eene

_Europeesche_ omgeving; wij verwachten en hopen slechts dit eene, daar

te zullen vinden, wat wij _noodig_ hebben voor _ons doel: kennis,

ontwikkeling._ En dááraan alléén _denken_ wij. Wat komt het er op aan,

of wij het niet prettig zullen vinden in Europa, ons nooit thuis zullen

kunnen gevoelen in die Hollandsche omgeving, als wij daar maar krijgen

wat wij _zoeken_ en _noodig_ hebben voor ons _doel_? Daarvoor komen wij,

en niet om er vreugde te scheppen.

Het lichtpunt van ons zijn daar zal zijn het samenzijn met onzen besten

broer, aan wien wij verbonden zijn, niet alleen door banden des bloeds,

maar ook door verwantschap van ziel en geest!

[Illustration: Regentswoning te Japara met een der paseban's.]

Werkelijk wij verwachten niet, dat de Europeesche wereld ons

_gelukkiger_ zal maken. De tijd is lang voorbij, dat wij in allen ernst

meenden "de Europeesche maatschappij is het eenige ware, het

voortreffelijke en onovertreffelijke".

Vergeef ons, dat wij het zeggen. Maar u zelf, vindt u de Europeesche

maatschappij volmaakt? O, wij zullen de laatsten zijn, die niet dankbaar

het vele, zéér vele goede in uwe wereld zullen erkennen; maar zal u

ontkennen, dat tegenover het heel-mooie, het grootsche en verhevene in

uw maatschappij, veel is, dat dikwijls den naam beschaving tot eene

bespotting maakt?

Wij klagen over kleinzieligheid en kleingeestigheid in onze omgeving;

meen niet, dat wij denken in de wereld, waarin wij wenschen te komen om

ons doel te bereiken, dat kleine niet te zullen vinden.

Wel zal het ons misschien zwaarder vallen, omdat wij van "beschaafden"

anders mogen verwachten.

U zelf weet het beter dan wij, dat onder de _duizenden_, die de wereld

"beschaafd" heet, slechts _weinigen_ dit in _werkelijkheid_ zijn; dat

breedheid van blik en opvattingen nog lang niet het eigendom is van

iederen Europeaan, van wien men dat kan en mag verwachten; en dat zelfs

in de meest elegante, voorname en schitterende salons _bekrompenheid_ en

_kortzichtigheid_ géén zeldzaamheden zijn.

Wij stellen ons Holland heusch niet voor als een ideaal land;

integendeel; afgaande op hetgeen wij hier van Hollanders hebben gezien

en ondervonden, kunnen wij er vast op rekenen, in hun klein, koud land

_veel_ te zullen zien en ondervinden, dat ons gevoelsmenschen _pijnlijk_

zal aandoen en _bitter grieven_.

Men verwijt ons Javanen, dat wij geboren leugenaars zijn, volstrekt

onbetrouwbaar en de ondankbaarheid gepersonifieerd.

Niet slechts hebben wij dit gelezen, maar ook meermalen hooren zeggen,

wat reeds een mooie proeve aflegt van sprekers fijngevoeligheid.

Wij glimlachen er slechts om, als wij zulke lieflijkheden hooren of

lezen; in ons eigen denken wij aan het Europeesche gezelschapsleven, dat

o zoo dikwijls de schitterendste getuigenissen aflegt van de

waarheidsliefde, oprechtheid van menigen, menigen Europeaan, die zoo

hoog neerziet, en schimpt op den volstrekt leugenachtigen,

onbetrouwbaren Javaan.

Tot voor eenige jaren geleden kwamen wij zeer weinig met Europeanen in

aanraking. De eerste keer, dat wij ons in een Europeesch gewoel

bevonden, was ter gelegenheid der kroning van Hare Majesteit. O! hoe u

onze ontroering te beschrijven, toen wij voor 't eerst leerden beseffen,

welk eene bewonderingswaardige hoogte het komediespelen in de

Europeesche wereld, buiten het tooneel, heeft bereikt.

't Was op dat feest, dat mijne roerende vereering voor Europeanen

doodelijke steken ontving. We zagen twee dames in druk gesprek, innig

gearmd, vertrouwelijk tegen elkaar aanleunend, wij hoorden lieve woorden

heen en over. Goede vriendinnen, dachten we. Een heer kwam het tweetal

scheiden, en we hoorden de aangezochte tot hem zeggen: "Zoo'n kat!",

terwijl de overblijvende tot eene andere dame zeide: "dat malle mensch,

om zich zoo bespottelijk toe te takelen". Even tevoren verklaarde zij

innig, dat die "lieve" zoo allerliefst was gekleed.

Slag op slag waren we dien avond getuigen van dergelijke en andere

"hartverheffende" tooneeltjes. We zagen rood-verhitte mannengezichten,

"heeren", die een afschuwelijke dranklucht om zich verspreidden als zij

spraken. En o, dat gejoel en getier, waarbij het hooren en zien

verging.... Wij werden _koud_ om het hart, en snakten er naar van de

"beschaafde" omgeving weg te komen. O! als wij eens gemeen waren en

wilden terug vertellen, wat _vrienden_ van elkander zeiden, er zou een

formeele burgeroorlog uitbreken.

Zoo pas schreef een meisje ons opgetogen over een bezoek, dat zij aan

een wederzijdsche kennis bracht, zij was er zoo allerliefst, zoo

allerhartelijkst ontvangen. Kort daarop spraken we bewuste kennis, en

bedankten voor de lieve ontvangst van ons kennisje, en wat kregen wij

ten antwoord? "Ik vind haar een _akelige_ meid, zij kijkt altijd even

_zuur_, is nooit eens lief en vriendelijk, maar altijd even _snibbig_."

Ontelbare malen waren wij getuigen van misselijke zoen-partijen tusschen

personen van wie wij wisten, dat zij elkander _haten_.

En het waren niet die geminachte _nonna_'s,[1] die het deden, maar

blanken van onvermengd bloed, beschaafd en ontwikkeld opgevoed. Wij

zagen ook, hoe onnoozele nonna's voor den gek werden gehouden door

knappe, beschaafde Hollanders.

De Javaan is een _geboren leugenaar_, is _volstrekt onbetrouwbaar_!

Wij laten die beschuldiging daar; wij vragen slechts: als een _kind_

zondigt uit _onwetendheid_, en een volwassen, denkend persoon begaat

diezelfde zonde met _overleg_, uit _berekening_, wie van beiden is het

meest schuldig? Wij vragen ons soms wel eens af: wat is dan

_beschaving_? Is het ... is het meesterlijkheid in het ... huichelen?

O! wat doen we? wat hebben wij gezegd? Vergeef ons, Moedertje! U weet

wel dat het niet in onze bedoeling ligt u te krenken of te beleedigen,

dat wij slechts _oprecht_ tegenover u willen zijn. Nietwaar, oprechtheid

is de basis van onze vriendschap, onze liefde? 't Is dikwijls niet

hoffelijk oprecht te zijn. Als het niet zijn _moet_, dan willen wij niet

gaarne onhoffelijk zijn, daarvoor zijn wij Javanen, tot wier specifieke

eigenschappen "hoffelijkheid" behoort.

_Uw_ licht heeft ons doen zien en vragen: "wat is vorm zonder inhoud?"

Wij vinden dat u moet weten, hoe wij een en ander in uwe maatschappij

vinden; omdat u schijnt te denken, dat wij de Europeesche wereld een

ideaal vinden. Wat wij _ware beschaving_ vonden, weet u reeds lang; en

wij weten, dat u er ook zoo over denkt: de _ware beschaving_ is nog

volstrekt niet het algemeene eigendom in de landen der beschaving. Het

_ware_ is ook wel te vinden bij de volkeren, waarop het _gros_ van 't

blanke ras, overtuigd als het is van eigen voortreffelijkheid, met

_minachting_ neerziet.

Gebreken heeft ons volk zeer zeker, maar daarnaast ook deugden, waaraan

de "beschaafde volkeren" wel een voorbeeld kunnen nemen. Wij zijn al

ontaard, dat ziet u; anders zouden wij dat zeker niet zeggen, hetwelk

geen mooie dunk geeft van een der specifieke eigenschappen van het

Javaansche volk: "bescheidenheid".

Vader heeft me eens gezegd: "Ni, denk niet, dat er veel Europeanen zijn,

die _werkelijk_ van je houden. Er zijn er maar heel enkelen".

Dat hoefde Vader waarlijk niet te zeggen; wij weten het zelve heel

_best_; wij kunnen op onze vingers natellen, en hoeven daarvoor niet

eens twee handen te gebruiken, degenen, die het _oprecht_ met ons

meenen. De _meesten_ wenden sympathie voor, om mee te _poseeren_ of uit

_berekening_.

Bespottelijk! Het beste is maar om in zulke dingen slechts het

humoristische te zien; dan ergert men er zich niet aan. O! de menschen

zijn dikwijls zoo in-bespottelijk en doen allerdwaast. Denkt u niet, dat

zeer velen, die nu roepen om de Inlandsche kunst, er niet over

uitgepraat raken, het slechts doen om meê te doen, en niet omdat zij er

zelf wat voor voelen? Eenige _voornamen_ interesseeren er zich voor en

_iedereen_ dweept er mee! Of men het uit overtuiging doet? Maar wat komt

het er op aan als het _doel_ der ware Javanen -en kunstvrienden er maar

mee bereikt wordt?

Denkt u, dat wij niet weten, waarom de Echo gaarne stukken van ons

plaatst, al zijn we nog zóó _onnoozel_? 't Is een mooie _reclame_ voor

het blad. De Hollandsche Lelie stelde mij hare kolommen ter beschikking,

en de vorige directrice verzocht keer op keer brieven van me te mogen

plaatsen; waarom? Voor de reclame! Brieven van eene echte dochter van

het Oosten, van een "heusch Javaansch meisje", gedachten van zoo'n

half-wilde en dan door haar zelf in eene Europeesche taal gevat, o, hoe

vreeselijk _interessant_? En als wij wanhopig onze ellende uitschreien

in het Hollandsch, dan is het weer zoo innig "interessant". En--God moge

het verhoeden!--als wij eens mochten sterven aan gebroken harten om ons

vermoord ideaal, dan zal het o zoo machtig interessant zijn.

O! en er zijn menschen, die interessant-zijn iets begeerenswaardigs

vinden.

* * * * *

Er is zoo heel veel moois in de Javaansche _zedenleer_. 't Is alleen

maar jammer, dat niet iedereen _symboliek verstaat_.

Men vat _letterlijk_ op, wat de wijzen leeraren. B.v. onthouding van

slaap en voedsel; daaruit ontstaat nu, dat men moet _vasten_ en zoo

weinig mogelijk slapen, om goed te gaan in dit leven en in het

hiernamaalsche. Het groote idee gaat hun voorbij! "_Niet_ eten en slapen

is het _doel_ van ons _leven_."

Ik ben een Boeddha-kindje, weet u, en dat is al een reden om geen

dierlijk voedsel te gebruiken. Als kind was ik zwaar ziek geweest; de

doktoren konden me niet helpen; ze waren radeloos. Daar bood zich een

Chinees (een gestrafte,[2] waar wij kinderen mee bevriend waren) aan,

mij te helpen. Mijne ouders namen het aan, en ik _genas_. Wat de

medicijnen van gestudeerde menschen niet vermochten, deed

"kwakzalverij". Hij genas me eenvoudig door me asch te laten drinken van

brandoffers aan een Chineesch afgodsbeeldje gewijd. Door dien drank ben

ik geworden het kind van dien Chineeschen heilige, den Santik-kong van

Welahan. Een jaar of wat geleden brachten wij den heilige een bezoek. 't

Is een klein gouden beeldje, dag en nacht bewierookt. In tijden van

epidemiën wordt het naar her en der gehaald en met statie rondgebracht

om den invloed van booze geesten te bezweren. Met grooten luister wordt

steeds gevierd de verjaardag van den heilige. Chineezen van her en der

komen er dan voor over. Van Chineesche oud-ingezetenen hoorden we de

legende van dat gouden beeldje, dat voor de Chineezen werkelijk leeft.

Ons land is een land van mystiek, mythen, sagen en legenden.

U heeft zeker wel gehoord van de benijdenswaardige berusting, die de

Javanen toonen onder de vreeselijkste slagen van het noodlot. "Het is

tekdir!" (voorbeschikt) zeggen zij en daarin putten zij troost en

berusting. "Het lot van ieder mensch is bepaald, nog vóór hij 't

levenslicht ziet. Geluk en ongeluk is hem voorbeschikt vóór zijne

geboorte. Geen mensch vermag te keeren, wat God heeft beschikt. Maar

vóór het ongeluk gebeurt, is het plicht alles te doen om het te weren;

gebeurt het toch, dan is het "tekdir". En tegen "tekdir" vermag _niets_

ter wereld.

Weet u, wat dit zegt voor ons? Wij moeten _volhouden, doorzetten_, laten

gebeuren, wat gebeuren moet, en zij zullen er in berusten en zeggen:

"het is tekdir".

Vóórdat het gebeurd is, zullen ze ons nog aldoor tegenwerken; staan ze

voor het feit, dan staan ze voor een "_tekdir_" en zullen _berusten_.

God geve ons _kracht_!

't Is _diep treurig_; wij zijn bezig ons te vervreemden van onze lieven,

banden los te maken, die tot dusver ons grootste geluk hebben

uitgemaakt.

Maar liever een klein _gaaf_ hutje, dan van een kasteel de ruïne; liever

in een volkomen gaaf schuitje, dan te drijven op 't wrak van een

prachtige stoomboot.

Al sinds geruimen tijd moet ik naar bed zonder Vader's bijzonderen

nachtgroet voor mij alleen.[3]

Tot voor een paar maanden geleden ging Vader nooit naar bed, zonder op

zijn gang daarheen, voor onze kamer stil te staan, zijn hoofd tusschen

onze deur te steken, om nog eens zijn dochtertje te zien, haar naam te

noemen, vóór hij ter rust ging. Was mijne deur op slot, dan tikte hij er

aan; zijn dochtertje moest hooren, dat haar liefste haar niet vergat.

Voorbij nu die lieve, lieve tijd!

Ik heb _veel_ liefde gehad, te veel zelfs. En wat de een _te veel_

heeft, moet een andere _te weinig_ hebben.

God is _rechtvaardig_. Nu is het _mijn_ beurt om te ontberen, te lang

reeds heb ik in overvloed gebaad.

_Hard_ is het voor _mij_, maar voor hem, _mijn Vader_, _mijn lieve,

hoop, bid_ ik _vurig, innig_, dat het hem zal mogen _gelukken_ mij uit

zijn hart te bannen. Mijn armen lieve zal dan veel bitter leed gespaard

worden.

Ik heb hem nog steeds innig, hartelijk lief; ondanks alles, is hij mij

dierbaar gebleven als voorheen;--alleen--ik moet mij nog wennen aan

liefhebben zonder den glans van het ideale.

't Was zóó mooi geweest, o zóó mooi! Ik dankte aan die ideale liefde

heel-mooie, werkelijk _gelukkige_ jaren!

Mijn arme, arme Vader, voor hem ware het beter geweest, dat ik géén

Boeddha-kind was geworden, dan bezat hij mij nog _geheel onverdeeld_, al

was het slechts in zijne herinnering.

't Is zoo waar, wat Nellie zegt: "Het leven brengt soms nog wreeder

scheiding dan de dood; en wat de dood ons ontnam in den bloei der liefde

en der vriendschap, dat blijft veel zekerder ons geestelijk eigendom,

dan wat het leven ons laat!"

Arme, lieve, oude Vader, dat hij dit op zijn ouden dag van zijn

hartekind moet ondervinden.

't Is bitter hard voor hem; moge God mij vergeven. Maar niet hij alleen

heeft geleden, lijdt en zal lijden; ook wij hebben gestreden en geleden.

Wij bidden God vurig, dat hij niet te veel om ons zal lijden, en dat 't

hem gegeven mag zijn, mettertijd werkelijk reden te hebben om trotsch op

zijne dochtertjes te zijn.

Dat zal hem verzoenen met de groote teleurstelling, die wij hem nu

bereiden.

[1] Met nonna's worden aangeduid de vrouwelijke afstammelingen van

Europeanen en Inlandsche vrouwen. Het woord is blijkbaar overgebleven

van den Portugeeschen tijd in Indië. In het Portugeesch is "nonna" de

titel waarmede de nonnen van St. Benedictus worden aangesproken.

[2] De gestraften gingen vroeger dagelijks buiten de gevangenis allerlei

werk verrichten op de Gouvernementserven.

[3] Dat deze passage opgenomen is niettegenstaande haren zeer

vertrouwelijken aard, geschiedt om een beeld te geven van het

zielelijden. Wanneer men later (blz. 304 en elders) leest hoe vader en

dochter weder tot elkander komen, zal men de schijnbare onbescheidenheid

billijken en vergeven.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 85 / 136 题