12 October 1902. (VIII.)

Al sinds een jaar heb ik wat van mijzelf gehoord, dat mij bedroeft. _Ik

ben coquet_. Spaar mij niet, antwoord mij oprecht: ben ik coquet? En zoo

ja, waarin dan? Ik ben er erg verdrietig om, want ik wil niets aan me of

om me hebben dat wuft is.

Iemand, geen kwaadspreker, zegt, dat ik met mijne _oogen spreek_. Is het

waar? Ik heb den zusjes gevraagd om goed op mijn doen en laten te letten

en mij dan te zeggen, wat voor bijzonders zij er in zien, wat er aan is

van mijn oogengespeel. En het waarheidlievend zusje zegt, altijd geweten

te hebben, dat mijne oogen schitteren, als ik veel spreek, met wie ook.

Geloof me, dat ik het _niet met opzet_ doe, en dat ik er nooit aan

gedacht heb, waarmee ook, te behagen, en als ik iets doe, waaraan zij

die uitlegging geven, het _onbewust_ is, ondanks mijzelve.

't Is eene vreemde gewaarwording, als men altijd gedacht heeft, een

ernstig degelijk meisje te zijn, om dan op eens te hooren, dat men een

coquet schepsel is. Ik stond verstomd, en was toen erg verdrietig er

over. Geloof me toch, dat ik nooit, nooit gedacht heb aan die dingen, en

het ook nooit doen zal.

Men wil, dat ik zedig (schijnheilig) mijne oogen neersla; dat doe ik

niet; ik wil de menschen in de oogen zien, niet voor hen mijne oogen

neerslaan, noch hen _naar_ de oogen kijken. Ik weet wel, wat men ons zal

laten _beloven_, misschien wel onder eede, als wij van hier gaan, dat

wij hun die vreeselijke schande niet zullen aandoen, van met Europeanen

lief en leed te deelen. Zij kunnen _gerust_ zijn op dat punt.

_Uit ons eigen_ zullen, wij al daaraan niet denken; immers wij zouden er

de heele boel mee _bederven_. Van _onszelven_ mogen wij het niet; wij,

die _voorbeeld_ willen geven in het goede.

U weet wel, hoe bitter weinig wij geven om wat "men" zegt, maar in dit

geval mag men niet en nooit zeggen: "Daar heb je het al, waar 't naar

toe gaat, als men zijne dochters Europeesch opvoedt, dan trouwen ze met

Europeanen." Dat zou onberekenbare schade aan de zaak toebrengen, en dat

màg niet.

En toch doen wij feitelijk niet anders dan lief en leed met Europeanen

deelen. Wat doe ik op 't oogenblik? Leven niet Europeanen ons innigste

voelen, ons zieleleven mee? en leven wij niet mee het gemoedsleven van

Europeanen?

Men kan ons veel, ja alles ontnemen, maar niet mijne pen. Die blijft

mijn, en ik zal mij ijverig oefenen in het hanteeren van dat wapen. Laat

men ons niet al te veel tergen, ook 't taaiste geduld wordt uitgeput, en

dan zullen we van dat wapen gebruik maken, al zullen wij ons-zelven er

aan wonden. U kan er zeker van zijn, dat als wij op Modjowarno komen,

wij daarvan flink gebruik zullen maken. Dan zullen wij niets meer te

verliezen of te wagen hebben dan _onszelf_.

Dat wij in deze dagen meer dan ooit naar een trouw vriendenhart

verlangen, hoeven wij u dat nog te zeggen?

Wij zijn _koud_ geworden, wij willen onze verkilde harten warmen aan uw

hart, uwe liefde! Wij klagen over andrer egoïsme, en wat zijn we zelf

dan? De grootste egoisten! Is het niet puur egoïsme, om anderen in eigen

pijnen en smarten te doen deelen? om liefde te vragen, terwijl wij

_weten_, dat liefde voor ons _onafscheidbaar_ is van _leed_?

Vindt u ons niet erg achteruit gegaan?

Wij zijn _hard, liefdeloos_ geworden en _scherp_; o, wij schrikken er

dikwijls zelf van.

O! God, geef ons kracht, sterk, steun ons! En u, lieveling, vraag ik

vergeving voor 't leed, dat ik u doe met dezen brief. Zwijgen is ook

weer niet goed, niet eerlijk. Vergeef me, heb uwe bruine kinderen lief.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 84 / 136 题