Al sinds een jaar heb ik wat van mijzelf gehoord, dat mij bedroeft. _Ik
ben coquet_. Spaar mij niet, antwoord mij oprecht: ben ik coquet? En zoo
ja, waarin dan? Ik ben er erg verdrietig om, want ik wil niets aan me of
om me hebben dat wuft is.
Iemand, geen kwaadspreker, zegt, dat ik met mijne _oogen spreek_. Is het
waar? Ik heb den zusjes gevraagd om goed op mijn doen en laten te letten
en mij dan te zeggen, wat voor bijzonders zij er in zien, wat er aan is
van mijn oogengespeel. En het waarheidlievend zusje zegt, altijd geweten
te hebben, dat mijne oogen schitteren, als ik veel spreek, met wie ook.
Geloof me, dat ik het _niet met opzet_ doe, en dat ik er nooit aan
gedacht heb, waarmee ook, te behagen, en als ik iets doe, waaraan zij
die uitlegging geven, het _onbewust_ is, ondanks mijzelve.
't Is eene vreemde gewaarwording, als men altijd gedacht heeft, een
ernstig degelijk meisje te zijn, om dan op eens te hooren, dat men een
coquet schepsel is. Ik stond verstomd, en was toen erg verdrietig er
over. Geloof me toch, dat ik nooit, nooit gedacht heb aan die dingen, en
het ook nooit doen zal.
Men wil, dat ik zedig (schijnheilig) mijne oogen neersla; dat doe ik
niet; ik wil de menschen in de oogen zien, niet voor hen mijne oogen
neerslaan, noch hen _naar_ de oogen kijken. Ik weet wel, wat men ons zal
laten _beloven_, misschien wel onder eede, als wij van hier gaan, dat
wij hun die vreeselijke schande niet zullen aandoen, van met Europeanen
lief en leed te deelen. Zij kunnen _gerust_ zijn op dat punt.
_Uit ons eigen_ zullen, wij al daaraan niet denken; immers wij zouden er
de heele boel mee _bederven_. Van _onszelven_ mogen wij het niet; wij,
die _voorbeeld_ willen geven in het goede.
U weet wel, hoe bitter weinig wij geven om wat "men" zegt, maar in dit
geval mag men niet en nooit zeggen: "Daar heb je het al, waar 't naar
toe gaat, als men zijne dochters Europeesch opvoedt, dan trouwen ze met
Europeanen." Dat zou onberekenbare schade aan de zaak toebrengen, en dat
màg niet.
En toch doen wij feitelijk niet anders dan lief en leed met Europeanen
deelen. Wat doe ik op 't oogenblik? Leven niet Europeanen ons innigste
voelen, ons zieleleven mee? en leven wij niet mee het gemoedsleven van
Europeanen?
Men kan ons veel, ja alles ontnemen, maar niet mijne pen. Die blijft
mijn, en ik zal mij ijverig oefenen in het hanteeren van dat wapen. Laat
men ons niet al te veel tergen, ook 't taaiste geduld wordt uitgeput, en
dan zullen we van dat wapen gebruik maken, al zullen wij ons-zelven er
aan wonden. U kan er zeker van zijn, dat als wij op Modjowarno komen,
wij daarvan flink gebruik zullen maken. Dan zullen wij niets meer te
verliezen of te wagen hebben dan _onszelf_.
Dat wij in deze dagen meer dan ooit naar een trouw vriendenhart
verlangen, hoeven wij u dat nog te zeggen?
Wij zijn _koud_ geworden, wij willen onze verkilde harten warmen aan uw
hart, uwe liefde! Wij klagen over andrer egoïsme, en wat zijn we zelf
dan? De grootste egoisten! Is het niet puur egoïsme, om anderen in eigen
pijnen en smarten te doen deelen? om liefde te vragen, terwijl wij
_weten_, dat liefde voor ons _onafscheidbaar_ is van _leed_?
Vindt u ons niet erg achteruit gegaan?
Wij zijn _hard, liefdeloos_ geworden en _scherp_; o, wij schrikken er
dikwijls zelf van.
O! God, geef ons kracht, sterk, steun ons! En u, lieveling, vraag ik
vergeving voor 't leed, dat ik u doe met dezen brief. Zwijgen is ook
weer niet goed, niet eerlijk. Vergeef me, heb uwe bruine kinderen lief.