11 October 1902. (I.)

O! je weet niet, hoe zoet 't me streelt, dat men nu de

kunstvoortbrengselen van ons land kent en waardeert. Ik maak mij er wel

eens bezorgd over, wie zal ons werk in die richting voortzetten, als wij

hier niet meer zijn? Onze zusjes kunnen wij het niet opdragen; ze zijn

nog zoo jong, en er is eene geldelijke verantwoordelijkheid aan

verbonden. Komt er een Europeaan hier, die zich met dien arbeid belast,

dan zal 't natuurlijk zijn, dat onze artisten geëxploiteerd zullen

worden ten bate van zijn eigen zak. Voor zijn pleizier, of ter wille van

die lieden, Javanen, zal hij de tusschenpersoon en correspondent der

Japarasche kunstenaars en de markt, niet zijn. Er moet èn liefde voor de

kunst, èn liefde voor den Javaan in 't hart wonen om dien arbeid

belangeloos en met toewijding te vervullen.

Gelukkig, dat Oost en West zich nu over onze beschermelingen ontfermd

heeft, doch ook die Vereeniging moet hier iemand hebben, want zich

direct in verbinding stellen met die lieden kan zij niet, aangezien deze

alleen hun eigen taal spreken en lezen.

* * * * *

Dat baanbreker zijn geen kinderwerk noch pleizierwerk is, wisten we

altijd; dat het een lot vol bitterheid is, ook; maar dat je de hel in je

draagt, neen, Stella, dat wisten we niet. O! en toch duizend maal liever

de hel in ons, dan geen gevoel! Al wat uitsteekt, moet geknot worden; al

wat blinkt, besmet, bevuild! Ten allen tijde hebben idealisten het hard

te verantwoorden gehad. De wereld duldt niet, dat er andere merken onder

de menschen rondloopen dan het gros. En iemand, die niet is als de

anderen, zal zijn levenlang geplaagd worden, om zijn eigen kleed weg te

werpen, en in plaats daarvan het kleed der gewoonheid aan te doen.

* * * * *

Ik kan je niets beloven en wil niets beloven, Stella, want ik weet niet,

of ik mijne belofte wel zal kunnen houden. Vindt je Modjowarno dan zoo

verschrikkelijk? Wat heb je liever, dat we krankzinnig worden hier

thuis, of dat wij genezing zoeken voor onze zielewonden in die

liefdesatmosfeer? Daar zal het naar toe, als ons verlangen niet wordt

bevredigd, wij nog langer gevangen, gekluisterd gehouden worden door

kleinzieligheid en kleingeestigheid. Wij zijn veel te vurig van aard, om

ons te kunnen schikken in een toestand, dien wij met hart en ziel

verachten en verfoeien. Niet de buitenlandsche vijand maakt ons

vleugellam, dien vreezen we niet; maar de binnenlandsche vreet ons in de

ziel, in 't hart, in de hersens! Niets kan ons troosten, niemand kan ons

helpen dan God en wij zelf!

Toe, zeg, dat je niet terneergeslagen, wanhopig verdrietig zal zijn, als

je een brief van me krijgt, om je brieven voortaan naar Modjowarno te

adresseeren. Gun ons die troost, Stella. Toe, sta, als 't moet, met

weemoed, doch niet met bloedend hart ons af aan Modjowarno. Die plaats

heeft voor ons geen verschrikking. Wij hebben de innige overtuiging, dat

die omgeving van hooge, reine, zichzelf verzakende liefde onze harte- en

zielewonden zal heelen, en ons louteren. Dat wij daar met verscheurde

harten en diepgewonde zielen zullen komen, lijdt geen twijfel, maar

Modjowarno zal daaraan niet de minste schuld hebben. En nog zal alles

dan niet verloren zijn, Stella! Jij zelf hebt mij zoo vaak gewezen op

mijne pen. Die zal ik op Modjowarno ook nog hebben. Want ik zal daar

niets te verliezen en niets te wagen hebben dan _mijzelf_. Hier waag ik

_veel_, als ik alles uitzeg, wat in mij leeft en bruist. Word ik

opvoedster, dan is de voorwaarde tot slagen, dat de menschen vertrouwen

in mij hebben en mij apprecieeren; anders zal men mij zijne kinderen

_niet_ ter opvoeding toevertrouwen. En dat zal men niet, als ik alles

zeg, wat ik denk en voel; dat zal de menschen tegen mij in het harnas

jagen. En, zooals ik je reeds zei, op Modjowarno zullen wij niet anders

komen dan met verscheurde harten en diep gewonde zielen. Weet je wat dit

beteekenen zal voor mijne pen?

Niets spreekt zoo tot 't hart als _hartebloed_. De jongste

gebeurtenissen hebben het weer bewezen, en mij doen zien, dat ik kàn

_meeslepen_ met mijne pen, zoo ... ik haar in hartebloed doop. Ik heb

harten doen trillen van ontroering, oogen vochtig doen worden. Je kent

mij te goed, hoop ik, om te denken aan ijdelheid, dat ik je dit vertel.

Het is mij alleen te doen, om je te laten zien, hoezeer de waarde van

een pen stijgt, heeft men hartebloed tot inkt. Weinige maanden nog maar

geleden snikte een mij persoonlijk geheel onbekende het uit bij het

lezen van enkele woorden van me; zij voelde hòe mijne ziel verscheurde

en mijn hart brak, toen de woorden aan mijn pen ontvloeiden. Het greep

haar zóó aan, dat zij onmiddellijk werk maakte om redding te brengen in

dien nood. Den volgenden dag reeds kon zij ons eene uitkomst bieden;

helaas, om een paar dagen later teniet gedaan te worden door het

_verstand_.

Men denkt mij zeker een pleizier te doen met me telkens te verzekeren,

dat ik "prachtig" schrijf. Wat heb ik daaraan? Ik wil, dat mijn

geschrijf blijvend indruk maakt, Stella, en diepte wordt alleen

verkregen door _graven_. In mijn hart, mijn ziel moet gewroet, gegraven

worden, en als daaruit als een fontein het bloed opspuit, dan eerst zal

het blijvende waarde hebben. Treurig, maar waar!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 83 / 136 题