O! je weet niet, hoe zoet 't me streelt, dat men nu de
kunstvoortbrengselen van ons land kent en waardeert. Ik maak mij er wel
eens bezorgd over, wie zal ons werk in die richting voortzetten, als wij
hier niet meer zijn? Onze zusjes kunnen wij het niet opdragen; ze zijn
nog zoo jong, en er is eene geldelijke verantwoordelijkheid aan
verbonden. Komt er een Europeaan hier, die zich met dien arbeid belast,
dan zal 't natuurlijk zijn, dat onze artisten geëxploiteerd zullen
worden ten bate van zijn eigen zak. Voor zijn pleizier, of ter wille van
die lieden, Javanen, zal hij de tusschenpersoon en correspondent der
Japarasche kunstenaars en de markt, niet zijn. Er moet èn liefde voor de
kunst, èn liefde voor den Javaan in 't hart wonen om dien arbeid
belangeloos en met toewijding te vervullen.
Gelukkig, dat Oost en West zich nu over onze beschermelingen ontfermd
heeft, doch ook die Vereeniging moet hier iemand hebben, want zich
direct in verbinding stellen met die lieden kan zij niet, aangezien deze
alleen hun eigen taal spreken en lezen.
* * * * *
Dat baanbreker zijn geen kinderwerk noch pleizierwerk is, wisten we
altijd; dat het een lot vol bitterheid is, ook; maar dat je de hel in je
draagt, neen, Stella, dat wisten we niet. O! en toch duizend maal liever
de hel in ons, dan geen gevoel! Al wat uitsteekt, moet geknot worden; al
wat blinkt, besmet, bevuild! Ten allen tijde hebben idealisten het hard
te verantwoorden gehad. De wereld duldt niet, dat er andere merken onder
de menschen rondloopen dan het gros. En iemand, die niet is als de
anderen, zal zijn levenlang geplaagd worden, om zijn eigen kleed weg te
werpen, en in plaats daarvan het kleed der gewoonheid aan te doen.
* * * * *
Ik kan je niets beloven en wil niets beloven, Stella, want ik weet niet,
of ik mijne belofte wel zal kunnen houden. Vindt je Modjowarno dan zoo
verschrikkelijk? Wat heb je liever, dat we krankzinnig worden hier
thuis, of dat wij genezing zoeken voor onze zielewonden in die
liefdesatmosfeer? Daar zal het naar toe, als ons verlangen niet wordt
bevredigd, wij nog langer gevangen, gekluisterd gehouden worden door
kleinzieligheid en kleingeestigheid. Wij zijn veel te vurig van aard, om
ons te kunnen schikken in een toestand, dien wij met hart en ziel
verachten en verfoeien. Niet de buitenlandsche vijand maakt ons
vleugellam, dien vreezen we niet; maar de binnenlandsche vreet ons in de
ziel, in 't hart, in de hersens! Niets kan ons troosten, niemand kan ons
helpen dan God en wij zelf!
Toe, zeg, dat je niet terneergeslagen, wanhopig verdrietig zal zijn, als
je een brief van me krijgt, om je brieven voortaan naar Modjowarno te
adresseeren. Gun ons die troost, Stella. Toe, sta, als 't moet, met
weemoed, doch niet met bloedend hart ons af aan Modjowarno. Die plaats
heeft voor ons geen verschrikking. Wij hebben de innige overtuiging, dat
die omgeving van hooge, reine, zichzelf verzakende liefde onze harte- en
zielewonden zal heelen, en ons louteren. Dat wij daar met verscheurde
harten en diepgewonde zielen zullen komen, lijdt geen twijfel, maar
Modjowarno zal daaraan niet de minste schuld hebben. En nog zal alles
dan niet verloren zijn, Stella! Jij zelf hebt mij zoo vaak gewezen op
mijne pen. Die zal ik op Modjowarno ook nog hebben. Want ik zal daar
niets te verliezen en niets te wagen hebben dan _mijzelf_. Hier waag ik
_veel_, als ik alles uitzeg, wat in mij leeft en bruist. Word ik
opvoedster, dan is de voorwaarde tot slagen, dat de menschen vertrouwen
in mij hebben en mij apprecieeren; anders zal men mij zijne kinderen
_niet_ ter opvoeding toevertrouwen. En dat zal men niet, als ik alles
zeg, wat ik denk en voel; dat zal de menschen tegen mij in het harnas
jagen. En, zooals ik je reeds zei, op Modjowarno zullen wij niet anders
komen dan met verscheurde harten en diep gewonde zielen. Weet je wat dit
beteekenen zal voor mijne pen?
Niets spreekt zoo tot 't hart als _hartebloed_. De jongste
gebeurtenissen hebben het weer bewezen, en mij doen zien, dat ik kàn
_meeslepen_ met mijne pen, zoo ... ik haar in hartebloed doop. Ik heb
harten doen trillen van ontroering, oogen vochtig doen worden. Je kent
mij te goed, hoop ik, om te denken aan ijdelheid, dat ik je dit vertel.
Het is mij alleen te doen, om je te laten zien, hoezeer de waarde van
een pen stijgt, heeft men hartebloed tot inkt. Weinige maanden nog maar
geleden snikte een mij persoonlijk geheel onbekende het uit bij het
lezen van enkele woorden van me; zij voelde hòe mijne ziel verscheurde
en mijn hart brak, toen de woorden aan mijn pen ontvloeiden. Het greep
haar zóó aan, dat zij onmiddellijk werk maakte om redding te brengen in
dien nood. Den volgenden dag reeds kon zij ons eene uitkomst bieden;
helaas, om een paar dagen later teniet gedaan te worden door het
_verstand_.
Men denkt mij zeker een pleizier te doen met me telkens te verzekeren,
dat ik "prachtig" schrijf. Wat heb ik daaraan? Ik wil, dat mijn
geschrijf blijvend indruk maakt, Stella, en diepte wordt alleen
verkregen door _graven_. In mijn hart, mijn ziel moet gewroet, gegraven
worden, en als daaruit als een fontein het bloed opspuit, dan eerst zal
het blijvende waarde hebben. Treurig, maar waar!