Werkelijk, meermalen had ik de pen reeds opgenomen om u te schrijven,
maar dan kwam er weer dit en dat tusschen, dat mij mijn brief weer deed
uitstellen. Ik wachtte op een mooie gelegenheid ... nu zie ik, dat die
gelegenheden nooit komen, men moet ze _maken_.
Brieven aan ons onverschillige menschen worden makkelijker geschreven,
of beter gezegd, men komt er gemakkelijker toe ze te schrijven, dan
epistels aan personen, waarvoor men sympathie gevoelt.
Aan de eersten heeft men niets te vertellen, kan men afkomen met een
paar woordjes; maar onzen vrienden willen wij uitvoerige brieven
schrijven.
't Vorige jaar was er aldoor verdriet in de kaboepaten van Japara. De
een na den ander werd op 't ziekbed geworpen en wel steeds in zóó hevige
mate, dat wij voortdurend in angst verkeerden, een dierbaar leven te
moeten afstaan. Goddank! alles is ten goede gekeerd. Het nieuwe jaar
begon vroolijk en verdrietig tezamen. Den 24^{sten} Januari vierden wij
hier bruiloft. Zusje Kardinah, de jongste van het klaverblad, trouwde;
dit was een blijde gebeurtenis. Aan die vreugde was leed verbonden. Wij,
die steeds zoo innig met elkaar samen waren geweest, moesten afstand van
elkaar doen. Na haar vertrek was hier zoo'n groote pijnlijke leegte. Er
is met haar zooveel liefs uit huis gegaan.
Wij zijn al eens bij haar geweest, in April; toen zag ze er uitstekend
uit; was dik, wat ze thuis nooit was, en had rozen op de wangen. Ma
heeft haar in Augustus weergezien. Ma ging er met angst in 't harte
heen, want een ernstige ongesteldheid riep haar bij zusje. De rozen op
de wangen waren weg, doch wij waren dankbaar, dat Ma zusje nog vond. Het
was heel erg met haar geweest, een zware attaque van malaria. Nu is
zusje weer beter en zit in het gebergte, om in een koel klimaat de
verloren krachten te herwinnen.
Met groote belangstelling lazen wij het belangwekkend in-rijke stuk van
u "Een talenbond met Nederland". Wij danken u nog eens zeer hartelijk
voor uwe vriendelijke attentie ons dat geschrift te zenden; wij stellen
uwe vriendelijkheid op hoogen prijs. Wij lazen verscheidene artikelen,
geschreven naar aanleiding van het uwe.
Uit het artikel van Mr. P. Brooshooft, hoofd-redacteur van de
Locomotief, zagen we, dat de vertaling van het veelbesproken stuk van
Professor Anton van de hand zijner lieve, begaafde vrouw is.
Heerlijk voor den man, die in zijne vrouw niet alleen een huishoudster,
een moeder zijner kinderen, maar ook een _vriendin_ heeft, die belang
stelt in zijn werk, met hem meeleeft daarin. Dit is voor den man
ongetwijfeld van onschatbare waarde, ten minste als hij niet bekrompen
en pedant is. Genoeg zijn dezulken zeker, die in de belangstelling
hunner vrouwen voor hun werk, nieuwsgierigheid en bemoeizucht zien. Zoo
zoetjes aan betreed ik 't gebied der vrouwen-emancipatie, waarvan u in
Europa meer dan genoeg zal gehoord hebben. Heeft de vrouwenquaestie
reeds uwe aandacht getrokken, in de komende jaren zal u daaraan meer
aandacht geven, omdat u nu zelf ook een dochtertje heeft op te voeden.
Als wij hier onderwijs en opvoeding voor de meisjes vragen, ja bidden,
smeeken, dan is het niet omdat wij van de meisjes concurrenten van den
man willen maken in 's levens strijd, maar omdat wij, overtuigd als wij
zijn van den grooten invloed, die van de vrouw kan ten leven uitgaan, de
vrouwen beter geschikt willen maken tot de groote taak, die moeder
Natuur zelf haar in handen legt: _moeder--eerste opvoedster_ zijn van
het menschdom!
Niet waar, van de vrouw ontvangt de mensch zijn allervroegste opvoeding,
die in de meeste gevallen niet zonder beteekenis is voor het geheele
leven.
't Is de vrouw, de moeder, die in 's menschen hart de allereerste kiemen
van deugden en ondeugden legt, welke den mensch meestal het geheele
leven door bijblijven.
Niet zonder grond zegt men: "hij of zij heeft het met de moedermelk
ingezogen".
Lang geleden dachten we, dat wie intellectueel goed ontwikkeld was, ook
zedelijk hoog stond. Helaas! al gauw werden we uit dien droom
opgeschrikt--leerden we inzien, dat hooge intellectueele ontwikkeling
nog volstrekt geen brevet is voor zedelijke superioriteit.
Diep ontroerd en pijnlijk getroffen stonden wij voor deze ontdekking.
Toen wij van deze groote emotie bekomen waren, drongen wij diep in de
quaestie door, en speurden de oorzaken na. En daar stonden wij weer voor
een tweede waarheid: "Niet de school alleen ontwikkele den geest van het
kind, vooral ook het _huisgezin_ moèt opvoeden! De school ontwikkelt het
verstand, het gezin vorme het karakter!"
Aan de moeder, het middelpunt van het gezin, is eene groote taak in de
opvoeding harer kinderen opgedragen: het zedelijk deel hunner vorming.
Men geve den meisjes eene deugdelijke opvoeding, bereide haar degelijk
voor tot hare groote taak.
O, dat de moeders weten, wat zij in handen krijgen, als haar het
grootste vrouwengeluk geschonken wordt: moederweelde! Met het kind
aanvaarden zij de toekomst. O, dat 't haar klaar en duidelijk voor oogen
sta de verplichting, die het moederschap haar oplegt. Niet voor _haar
zelven_ hebben zij het kind gekregen; zij moeten het opvoeden voor dat
groote gezin, waarvan het eens deel zal uitmaken, het reuzengezin, dat
Maatschappij heet!
Hiervoor vragen wij opvoeding en onderwijs voor meisjes.
Wij zijn innig overtuigd, dat de beschaving van 't Javaansche volk niet
krachtig zal kunnen voortschrijden, zoolang de vrouwen daarvan
uitgesloten blijven.
Den vrouwen moet het beschavingswerk in de hand gegeven worden--en de
beschaving zal zich krachtig verbreiden onder het Javaansche volk. Vorm
flinke, verstandige moeders, en Java zal flinke arbeidsters aan zijn
vooruitgang hebben gekregen. Zij zullen haar beschaving en ontwikkeling
op haar kinderen overplanten; haar dochters, die weer moeders zullen
zijn, haar zoons, die eenmaal geroepen zullen zijn te waken over de
belangen van het volk.
O, waar zal de tijd zijn, dat mijne landgenooten deze denkbeelden zullen
onderschrijven? Ik vrees, die tijd is nog heel, heel ver! Maar als er
niet eindelijk eens een begin aan wordt gemaakt, dan zal hij nog verder
zijn, nog langer wegblijven.
Alle begin is _moeilijk_ en voor menigen baanbreker is 't leven _vol
bitterheid_. En 't is heel begrijpelijk, dat ouders hun kinderen liever
een lot zien kiezen, dat hun meer waarborgen geeft voor een gelukkig
leven, dan een, waarvan men vooruit met zekerheid kan zeggen, dat het
vol bitterheid zal zijn.
Als men in het hart een groot ideaal draagt, en dat ideaal beoogt nu
eens niet eigen geluk, maar anderer heil, is 't dan zonde, om te
trachten 't ideaal te bereiken, ook als men daardoor een paar
liefhebbende harten breekt? Of is 't dure plicht om terwille dier harten
het ideaal uit eigen boezem te rukken?
Hoe zal men zich het nuttigst maken voor de menschheid, door
_zelfverzaking_, of door _zelfverwezenlijking_? Zelfverzaking ter wille
van een paar dierbaren, of zelfverwezenlijking ten dienste van het
groote huisgezin Maatschappij?
O! wat is 't schoon om te willen, te kúnnen en te mògen! Deze gelukkige
combinatie is helaas! slechts voor heel weinigen weggelegd.
* * * * *
Met groot, groot genot maakten wij kennis met Frits Reuter. Hè, dat is
nu eens een lectuur, waaraan men zijn hart ophaalt. Het is zoo _gezond_
en frischt zoo op. Groot, groot genoegen, heeft u ons met dat heerlijke
cadeau gedaan! Ook anderen hier hebben van dat heerlijk werk genoten.
Het ging hun als ons; toen zij er eenmaal aan begonnen waren, konden zij
er niet van scheiden. Wat zegt u wel, van 7 uur in den vooravond tot 3
uur in den nacht aan één stuk doorlezen? Verstandig is het niet, maar
wel begrijpelijk als men in zulk een _uitstekend gezelschap_ is. Als 't
uwe bedoeling was, dat wij uwen grooten volksdichter zouden liefkrijgen,
dan heeft u wel voldoening van uw werk. Frits Reuter heeft een vast
plaatsje veroverd in onze liefde en vereering!
Van Couperus' prachtig werk hebben wij zeer genoten. Wij lezen hem
anders alleen graag om zijn heerlijk mooie taal; de personen in zijn
werken vinden wij doorgaans ziekelijk. Maar nu hebben taal en inhoud
beide tot ons gesproken. Verrukkelijke sprake! Wel mag Nederland trotsch
zijn op zulk een kunstenaar!
Ook de lectuur van Vosmaer's voortreffelijk boek heeft ons groot genot
verschaft. Met ontroering lazen wij zijn mooie "Inwijding". Het is de
eerste maal, dat wij met dezen Nederlandschen schrijver kennis maakten,
en wij danken u wel hartelijk voor deze kennismaking, die tot een der
aangenaamsten van dien aard behoort. Na de lezing van "Inwijding" kregen
wij een boek over de Grieksche Mythologie, met afbeeldingen van de Goden
en Godinnen uit de Grieksche Godenleer. Heerlijk om die platen te zien
en de beschrijvingen daarvan te lezen: na de lectuur van "Inwijding"! O!
al dat moois met eigen oogen te aanschouwen, de zielsverrukking te
ondergaan, die Sietske en Frank doortrilde bij het gezicht van al dat
Grootsche en Schoone! Neen, neen, zooveel niet verlangen!--laten wij al
dankbaar zijn, dat er iemand is, begaafd met de macht over 't woord, die
dat Schoone zoo levendig heeft uitgebeeld, en wij zijn schoone taal
_verstaan_!
Sedert een paar maanden is een van Nederland's groote kunstenaars op
Java, mijn mooi vaderland. De tooneelspeler en declamator Willem
Royaards maakt een ware zegetocht door ons Zonneland, oogst het grootste
succes in, overal waar hij het publiek genieten laat van zijne machtige
kunst.
Hoe gaarne zouden wij hem willen hooren. De vorige maand stonden wij op
't punt om van zijne kunst te genieten, toen de voordracht, die hij zou
geven, afsprong. Wij hebben den grooten kunstenaar niet op 't tooneel
mogen hooren, ons is eene andere vreugde ten deel gevallen. Wij hebben
hem persoonlijk gesproken. Wij hadden hier heelemaal niet op gerekend;
geheel onverwacht ontmoetten wij hem; 't was eene heerlijke
verrassing:--een pleister op de wonde, die ons dat zelfde uur in het
harte geslagen werd.
Een droef gebeuren was de aanleiding tot die onverhoopte kennismaking.
Wij brachten onze vrienden, de familie Ovink weg, en aan boord van 't
stoombootje, dat ons naar de groote boot bracht, die onze vrienden van
ons wegvoeren zou naar hun eigen land, ontmoetten wij den heer Royaards,
die ook de familie Ovink uitgeleide deed.
Het was voor ons een hard oogenblik, toen wij onze vriendin moesten
afstaan--en God weet, misschien voor _goed_, want zij komen _niet_ meer
naar Indië terug. Er is geen kans op weerzien, tenzij het "gelukkigste
aller gelukkigste gesternten" ons naar haar land voert!
Zou daar hoop op zijn?--de tijd, die antwoord geeft op alle
levensvragen, zal ook deze vraag eens beantwoorden!
Ze zijn ons zoo lief! Wij hadden een gevoel of een stuk van ons eigen
werd losgescheurd, toen de beide booten van elkaar afvaarden! Zij zijn
als een stuk geworden van onze eigen ziel! "Er kan geen duurzame
vriendschap, geen volkomen sympathie bestaan tusschen kinderen van een
verschillend ras, geboren onder een verschillende hemelstreek", beweert
men zoo dikwijls. Hoe wordt die bewering hier gelogenstraft! Inniger,
trouwer vriendschap kunnen kinderen van eenzelfde ras en land niet met
elkaar sluiten, dan de vriendschap hier tusschen de blanke kinderen van
het Westen en de bruine kinderen van het Oosten! De ziel, het
onzienlijke, het wezenlijke in ons, dat eeuwig is, spot met alle
uiterlijkheid; waar de ziel een zusterziel ontmoet, bestaat er voor haar
geen scheidsmuur van ras en van geloof; en zal zij met groote vreugde de
ziel, wonend in een lichaam van andere huidskleur, dan die van 't hare,
begroeten en zich met haar vereenigen,--omdat zij zich met haar verwant
voelt. Zieleverwantschap is dieper band dan bloedverwantschap.
Gezegende menschen, die in dit leven zijn geplaatst niet alleen als
_bloed_verwanten, maar ook als _ziel_sverwanten, de zusters en broeders
naar den geest en naar de ziel!
De controleur, dien u hier bij ons ontmoet heeft, en die ook een
_vriend_ is van ons, is den heer Ovink als assistent-resident gevolgd op
Djombang: een speling van het toeval!
Het gaat dikwijls heel vreemd toe in het leven! Het geluk kiest soms de
onmogelijkste wegen, om ons te naderen, en wij kortzichtige menschen,
met ons eindige verstand, zijn gauw geneigd om te morren, als wij iets
niet verklaren kunnen van het Oneindige! En toch, alles is zoo eenvoudig
als wij maar _begrijpen willen. Geen licht_, waar niet _duisternis_
vooraf ging: dat leert dag aan dag, avond aan avond, de dag en de nacht!
Wat zouden wij 't aardig vinden, als u in den Haag eens onze vrienden,
de familie Ovink, ontmoette! 't Spijt mij nog altijd, dat u indertijd
niet naar Djombang had kunnen gaan. U had dan het Zendingsstation
Modjowarno kunnen zien, en dat was wel de moeite waard. Wij zelf zouden
er graag naar toe willen, helaas! tot nu toe hebben we geen uitvoering
aan dat voornemen kunnen geven. Wij zouden er zelfs een tijdje willen
blijven. Het zal ons stellig goed doen om een poos te ademen in die
heilige, zichzelf verzakende liefdesatmosfeer. Die reine lucht werkt
_zuiverend_ en _versterkend_!
Geen mensch zoo verdorven, of hij ondergaat den invloed van zulk eene
hooge, heilige liefde!