4 October 1902. (III.)

Werkelijk, meermalen had ik de pen reeds opgenomen om u te schrijven,

maar dan kwam er weer dit en dat tusschen, dat mij mijn brief weer deed

uitstellen. Ik wachtte op een mooie gelegenheid ... nu zie ik, dat die

gelegenheden nooit komen, men moet ze _maken_.

Brieven aan ons onverschillige menschen worden makkelijker geschreven,

of beter gezegd, men komt er gemakkelijker toe ze te schrijven, dan

epistels aan personen, waarvoor men sympathie gevoelt.

Aan de eersten heeft men niets te vertellen, kan men afkomen met een

paar woordjes; maar onzen vrienden willen wij uitvoerige brieven

schrijven.

't Vorige jaar was er aldoor verdriet in de kaboepaten van Japara. De

een na den ander werd op 't ziekbed geworpen en wel steeds in zóó hevige

mate, dat wij voortdurend in angst verkeerden, een dierbaar leven te

moeten afstaan. Goddank! alles is ten goede gekeerd. Het nieuwe jaar

begon vroolijk en verdrietig tezamen. Den 24^{sten} Januari vierden wij

hier bruiloft. Zusje Kardinah, de jongste van het klaverblad, trouwde;

dit was een blijde gebeurtenis. Aan die vreugde was leed verbonden. Wij,

die steeds zoo innig met elkaar samen waren geweest, moesten afstand van

elkaar doen. Na haar vertrek was hier zoo'n groote pijnlijke leegte. Er

is met haar zooveel liefs uit huis gegaan.

Wij zijn al eens bij haar geweest, in April; toen zag ze er uitstekend

uit; was dik, wat ze thuis nooit was, en had rozen op de wangen. Ma

heeft haar in Augustus weergezien. Ma ging er met angst in 't harte

heen, want een ernstige ongesteldheid riep haar bij zusje. De rozen op

de wangen waren weg, doch wij waren dankbaar, dat Ma zusje nog vond. Het

was heel erg met haar geweest, een zware attaque van malaria. Nu is

zusje weer beter en zit in het gebergte, om in een koel klimaat de

verloren krachten te herwinnen.

Met groote belangstelling lazen wij het belangwekkend in-rijke stuk van

u "Een talenbond met Nederland". Wij danken u nog eens zeer hartelijk

voor uwe vriendelijke attentie ons dat geschrift te zenden; wij stellen

uwe vriendelijkheid op hoogen prijs. Wij lazen verscheidene artikelen,

geschreven naar aanleiding van het uwe.

Uit het artikel van Mr. P. Brooshooft, hoofd-redacteur van de

Locomotief, zagen we, dat de vertaling van het veelbesproken stuk van

Professor Anton van de hand zijner lieve, begaafde vrouw is.

Heerlijk voor den man, die in zijne vrouw niet alleen een huishoudster,

een moeder zijner kinderen, maar ook een _vriendin_ heeft, die belang

stelt in zijn werk, met hem meeleeft daarin. Dit is voor den man

ongetwijfeld van onschatbare waarde, ten minste als hij niet bekrompen

en pedant is. Genoeg zijn dezulken zeker, die in de belangstelling

hunner vrouwen voor hun werk, nieuwsgierigheid en bemoeizucht zien. Zoo

zoetjes aan betreed ik 't gebied der vrouwen-emancipatie, waarvan u in

Europa meer dan genoeg zal gehoord hebben. Heeft de vrouwenquaestie

reeds uwe aandacht getrokken, in de komende jaren zal u daaraan meer

aandacht geven, omdat u nu zelf ook een dochtertje heeft op te voeden.

Als wij hier onderwijs en opvoeding voor de meisjes vragen, ja bidden,

smeeken, dan is het niet omdat wij van de meisjes concurrenten van den

man willen maken in 's levens strijd, maar omdat wij, overtuigd als wij

zijn van den grooten invloed, die van de vrouw kan ten leven uitgaan, de

vrouwen beter geschikt willen maken tot de groote taak, die moeder

Natuur zelf haar in handen legt: _moeder--eerste opvoedster_ zijn van

het menschdom!

Niet waar, van de vrouw ontvangt de mensch zijn allervroegste opvoeding,

die in de meeste gevallen niet zonder beteekenis is voor het geheele

leven.

't Is de vrouw, de moeder, die in 's menschen hart de allereerste kiemen

van deugden en ondeugden legt, welke den mensch meestal het geheele

leven door bijblijven.

Niet zonder grond zegt men: "hij of zij heeft het met de moedermelk

ingezogen".

Lang geleden dachten we, dat wie intellectueel goed ontwikkeld was, ook

zedelijk hoog stond. Helaas! al gauw werden we uit dien droom

opgeschrikt--leerden we inzien, dat hooge intellectueele ontwikkeling

nog volstrekt geen brevet is voor zedelijke superioriteit.

Diep ontroerd en pijnlijk getroffen stonden wij voor deze ontdekking.

Toen wij van deze groote emotie bekomen waren, drongen wij diep in de

quaestie door, en speurden de oorzaken na. En daar stonden wij weer voor

een tweede waarheid: "Niet de school alleen ontwikkele den geest van het

kind, vooral ook het _huisgezin_ moèt opvoeden! De school ontwikkelt het

verstand, het gezin vorme het karakter!"

Aan de moeder, het middelpunt van het gezin, is eene groote taak in de

opvoeding harer kinderen opgedragen: het zedelijk deel hunner vorming.

Men geve den meisjes eene deugdelijke opvoeding, bereide haar degelijk

voor tot hare groote taak.

O, dat de moeders weten, wat zij in handen krijgen, als haar het

grootste vrouwengeluk geschonken wordt: moederweelde! Met het kind

aanvaarden zij de toekomst. O, dat 't haar klaar en duidelijk voor oogen

sta de verplichting, die het moederschap haar oplegt. Niet voor _haar

zelven_ hebben zij het kind gekregen; zij moeten het opvoeden voor dat

groote gezin, waarvan het eens deel zal uitmaken, het reuzengezin, dat

Maatschappij heet!

Hiervoor vragen wij opvoeding en onderwijs voor meisjes.

Wij zijn innig overtuigd, dat de beschaving van 't Javaansche volk niet

krachtig zal kunnen voortschrijden, zoolang de vrouwen daarvan

uitgesloten blijven.

Den vrouwen moet het beschavingswerk in de hand gegeven worden--en de

beschaving zal zich krachtig verbreiden onder het Javaansche volk. Vorm

flinke, verstandige moeders, en Java zal flinke arbeidsters aan zijn

vooruitgang hebben gekregen. Zij zullen haar beschaving en ontwikkeling

op haar kinderen overplanten; haar dochters, die weer moeders zullen

zijn, haar zoons, die eenmaal geroepen zullen zijn te waken over de

belangen van het volk.

O, waar zal de tijd zijn, dat mijne landgenooten deze denkbeelden zullen

onderschrijven? Ik vrees, die tijd is nog heel, heel ver! Maar als er

niet eindelijk eens een begin aan wordt gemaakt, dan zal hij nog verder

zijn, nog langer wegblijven.

Alle begin is _moeilijk_ en voor menigen baanbreker is 't leven _vol

bitterheid_. En 't is heel begrijpelijk, dat ouders hun kinderen liever

een lot zien kiezen, dat hun meer waarborgen geeft voor een gelukkig

leven, dan een, waarvan men vooruit met zekerheid kan zeggen, dat het

vol bitterheid zal zijn.

Als men in het hart een groot ideaal draagt, en dat ideaal beoogt nu

eens niet eigen geluk, maar anderer heil, is 't dan zonde, om te

trachten 't ideaal te bereiken, ook als men daardoor een paar

liefhebbende harten breekt? Of is 't dure plicht om terwille dier harten

het ideaal uit eigen boezem te rukken?

Hoe zal men zich het nuttigst maken voor de menschheid, door

_zelfverzaking_, of door _zelfverwezenlijking_? Zelfverzaking ter wille

van een paar dierbaren, of zelfverwezenlijking ten dienste van het

groote huisgezin Maatschappij?

O! wat is 't schoon om te willen, te kúnnen en te mògen! Deze gelukkige

combinatie is helaas! slechts voor heel weinigen weggelegd.

* * * * *

Met groot, groot genot maakten wij kennis met Frits Reuter. Hè, dat is

nu eens een lectuur, waaraan men zijn hart ophaalt. Het is zoo _gezond_

en frischt zoo op. Groot, groot genoegen, heeft u ons met dat heerlijke

cadeau gedaan! Ook anderen hier hebben van dat heerlijk werk genoten.

Het ging hun als ons; toen zij er eenmaal aan begonnen waren, konden zij

er niet van scheiden. Wat zegt u wel, van 7 uur in den vooravond tot 3

uur in den nacht aan één stuk doorlezen? Verstandig is het niet, maar

wel begrijpelijk als men in zulk een _uitstekend gezelschap_ is. Als 't

uwe bedoeling was, dat wij uwen grooten volksdichter zouden liefkrijgen,

dan heeft u wel voldoening van uw werk. Frits Reuter heeft een vast

plaatsje veroverd in onze liefde en vereering!

Van Couperus' prachtig werk hebben wij zeer genoten. Wij lezen hem

anders alleen graag om zijn heerlijk mooie taal; de personen in zijn

werken vinden wij doorgaans ziekelijk. Maar nu hebben taal en inhoud

beide tot ons gesproken. Verrukkelijke sprake! Wel mag Nederland trotsch

zijn op zulk een kunstenaar!

Ook de lectuur van Vosmaer's voortreffelijk boek heeft ons groot genot

verschaft. Met ontroering lazen wij zijn mooie "Inwijding". Het is de

eerste maal, dat wij met dezen Nederlandschen schrijver kennis maakten,

en wij danken u wel hartelijk voor deze kennismaking, die tot een der

aangenaamsten van dien aard behoort. Na de lezing van "Inwijding" kregen

wij een boek over de Grieksche Mythologie, met afbeeldingen van de Goden

en Godinnen uit de Grieksche Godenleer. Heerlijk om die platen te zien

en de beschrijvingen daarvan te lezen: na de lectuur van "Inwijding"! O!

al dat moois met eigen oogen te aanschouwen, de zielsverrukking te

ondergaan, die Sietske en Frank doortrilde bij het gezicht van al dat

Grootsche en Schoone! Neen, neen, zooveel niet verlangen!--laten wij al

dankbaar zijn, dat er iemand is, begaafd met de macht over 't woord, die

dat Schoone zoo levendig heeft uitgebeeld, en wij zijn schoone taal

_verstaan_!

Sedert een paar maanden is een van Nederland's groote kunstenaars op

Java, mijn mooi vaderland. De tooneelspeler en declamator Willem

Royaards maakt een ware zegetocht door ons Zonneland, oogst het grootste

succes in, overal waar hij het publiek genieten laat van zijne machtige

kunst.

Hoe gaarne zouden wij hem willen hooren. De vorige maand stonden wij op

't punt om van zijne kunst te genieten, toen de voordracht, die hij zou

geven, afsprong. Wij hebben den grooten kunstenaar niet op 't tooneel

mogen hooren, ons is eene andere vreugde ten deel gevallen. Wij hebben

hem persoonlijk gesproken. Wij hadden hier heelemaal niet op gerekend;

geheel onverwacht ontmoetten wij hem; 't was eene heerlijke

verrassing:--een pleister op de wonde, die ons dat zelfde uur in het

harte geslagen werd.

Een droef gebeuren was de aanleiding tot die onverhoopte kennismaking.

Wij brachten onze vrienden, de familie Ovink weg, en aan boord van 't

stoombootje, dat ons naar de groote boot bracht, die onze vrienden van

ons wegvoeren zou naar hun eigen land, ontmoetten wij den heer Royaards,

die ook de familie Ovink uitgeleide deed.

Het was voor ons een hard oogenblik, toen wij onze vriendin moesten

afstaan--en God weet, misschien voor _goed_, want zij komen _niet_ meer

naar Indië terug. Er is geen kans op weerzien, tenzij het "gelukkigste

aller gelukkigste gesternten" ons naar haar land voert!

Zou daar hoop op zijn?--de tijd, die antwoord geeft op alle

levensvragen, zal ook deze vraag eens beantwoorden!

Ze zijn ons zoo lief! Wij hadden een gevoel of een stuk van ons eigen

werd losgescheurd, toen de beide booten van elkaar afvaarden! Zij zijn

als een stuk geworden van onze eigen ziel! "Er kan geen duurzame

vriendschap, geen volkomen sympathie bestaan tusschen kinderen van een

verschillend ras, geboren onder een verschillende hemelstreek", beweert

men zoo dikwijls. Hoe wordt die bewering hier gelogenstraft! Inniger,

trouwer vriendschap kunnen kinderen van eenzelfde ras en land niet met

elkaar sluiten, dan de vriendschap hier tusschen de blanke kinderen van

het Westen en de bruine kinderen van het Oosten! De ziel, het

onzienlijke, het wezenlijke in ons, dat eeuwig is, spot met alle

uiterlijkheid; waar de ziel een zusterziel ontmoet, bestaat er voor haar

geen scheidsmuur van ras en van geloof; en zal zij met groote vreugde de

ziel, wonend in een lichaam van andere huidskleur, dan die van 't hare,

begroeten en zich met haar vereenigen,--omdat zij zich met haar verwant

voelt. Zieleverwantschap is dieper band dan bloedverwantschap.

Gezegende menschen, die in dit leven zijn geplaatst niet alleen als

_bloed_verwanten, maar ook als _ziel_sverwanten, de zusters en broeders

naar den geest en naar de ziel!

De controleur, dien u hier bij ons ontmoet heeft, en die ook een

_vriend_ is van ons, is den heer Ovink als assistent-resident gevolgd op

Djombang: een speling van het toeval!

Het gaat dikwijls heel vreemd toe in het leven! Het geluk kiest soms de

onmogelijkste wegen, om ons te naderen, en wij kortzichtige menschen,

met ons eindige verstand, zijn gauw geneigd om te morren, als wij iets

niet verklaren kunnen van het Oneindige! En toch, alles is zoo eenvoudig

als wij maar _begrijpen willen. Geen licht_, waar niet _duisternis_

vooraf ging: dat leert dag aan dag, avond aan avond, de dag en de nacht!

Wat zouden wij 't aardig vinden, als u in den Haag eens onze vrienden,

de familie Ovink, ontmoette! 't Spijt mij nog altijd, dat u indertijd

niet naar Djombang had kunnen gaan. U had dan het Zendingsstation

Modjowarno kunnen zien, en dat was wel de moeite waard. Wij zelf zouden

er graag naar toe willen, helaas! tot nu toe hebben we geen uitvoering

aan dat voornemen kunnen geven. Wij zouden er zelfs een tijdje willen

blijven. Het zal ons stellig goed doen om een poos te ademen in die

heilige, zichzelf verzakende liefdesatmosfeer. Die reine lucht werkt

_zuiverend_ en _versterkend_!

Geen mensch zoo verdorven, of hij ondergaat den invloed van zulk eene

hooge, heilige liefde!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 82 / 136 题