24 September 1902. (IV.)

Hoe zal ik u onze blijdschap beschrijven, toen wij uwe vriendelijke

kaart en boekske ontvingen. Wij zijn u o, zoo dankbaar, dat u ons

geschreven heeft; nu durven wij u weer te schrijven.

Schandelijk hebben wij u veronachtzaamd; wij schamen er ons diep over!

Er is geen verontschuldiging voor te vinden, en die zoeken wij ook niet

en willen wij u niet aanbieden, doch eerlijk en oprecht willen wij

schuld belijden.

't Was _zwakheid_ van ons, die ons zoolang tegen u zwijgen deed.

Bedroevende bekentenis van menschen die eene taak zoo groot op zich

willen nemen als wij. U, die één liefde is, zal ons zacht oordeelen,

onze jeugd, onze onervarendheid in aanmerking nemen.

Groot is mijn schuld tegenover u; nog grooter het kwaad, dat wij

daardoor onszelven doen. Vergeef ons! wij zijn zwak geweest. Wil u ons

helpen sterk te worden?--dàt moeten wij zijn, om de groote taak, die wij

zoo zielsgraag op ons willen nemen, naar behooren te kunnen vervullen.

Wij zijn nog zoo jong, staan nog heel aan het begin, nog vóór onze taak,

vóór het leven, wij, jonge, onervaren menschen, heel alleen met ons

beiden. Zóóvele gedachten hebben in deze jonge hoofden gewoeld, zoovele

gevoelens de jonge harten beroerd. Groot was telkenmale het verlangen om

ons te wijden aan onze vrienden, maar wij onervaren kinderen waren te

zwak en te onbedreven om ons los te rukken van de tallooze gedachten en

gevoelens, die ons gevangen hielden. Zusje heeft u reeds alles verteld

van wat er heeft omgegaan, en nog omgaat in onzen geest en ziel, van wat

er is gebeurd in ons leven van de laatste maanden, van onze plannen,

onze droomen voor de toekomst. Wij hopen, dat u daaraan uwe sympathie

zal hechten.

In vele emotievolle en dikwijls zeer moeilijke dagen was de gedachte aan

u beiden, edele menschenvrienden, ons een troost, een. steun, eene

opbeuring. Wat ons in 't leven zóó bedroefd, is der menschen egoïsme,

dat dikwijls geen grenzen kent. En als wij weemoedig gestemd door 't

zien en weten van grove zelfzucht, "het afschuwelijk monster", dat ons

van alle kanten aangrijnst, aan u beiden denken, komt over ons pijnlijk

getroffen hart eene groote verteedering. _De Liefde_ is, ondanks dat

zelfzucht de wereld schijnt te besturen.

Te midden van brandend denken en gevoelen, over veel, dat gevoelige

naturen als de onze moet pijn doen in het leven, en ontmoedigt, is eene

gedachte aan u beiden ons eene lafenis, die versterkend werkt.

Veel spreken en denken wij aan u beiden, en dat doet zóó goed. U zei ven

onbewust gaf u ons steun en troost in vele moeilijke uren. Wij danken

God, dat wij u op onzen weg hebben mogen ontmoeten, en wij hopen en

bidden vurig, dat wij uw vriendschap heel het leven door mogen behouden.

U kent nu àl onze plannen, ons doel, ons streven; wij hoeven 't u niet

te vragen, ons hart zegt ons, dat u zelf het reeds gedaan heeft en nog

meermalen doen zal: voor uwe jonge Javaansche vriendinnen bidden om hulp

en steun van Boven, van den Allerhoogste, het Opperwezen!

Hoe verschillend de wegen ook zijn, die wij bewandelen, zij leiden alle

tot één en hetzelfde doel: het Goede. Wij ook dienen het Goede, dat u

God noemt, en wij Allah.

Waarom zullen wij het u niet zeggen? Eerlijk en oprecht willen wij

steeds tegenover u zijn--eene vriendschap, of welk verbond ook, dat niet

oprechtheid tot grondslag heeft, zal de tand des tijds niet kunnen

weerstaan, en wij willen, dat onze vriendschap, die ons heel lief is,

zal blijven ons heele leven door--langen tijd was God, Alla, voor ons

slechts een _aanroep_. Goddank! dat die heerlijke naam thans voor ons

heeft een gewijden klank en heilige beteekenis.

O! hoe zal ik u zeggen, hoe gelukkig we zijn, hoe rustig en vredig het

in ons is, nu wij Hem hebben gevonden, om er ons geheel aan over te

geven, om er op te steunen en te vertrouwen. Wij zijn zóó gerust en

voelen ons zoo veilig in Zijn hoede. Er is een Vader, die ons kent, ziet

en liefdevol oordeelt!

Wie ons dien schat, het geloof in het Opperwezen heeft doen vinden?

Mevrouw Nellie van Kol. 't Mag dan zijn, dat lang te voren het in ons

reeds aan het werken en gisten is geweest, wij ons zelven onbewust, een

zieleproces ondergingen; een feit is en blijft: Mevrouw van Kol heeft de

nevelen voor onze oogen weggevaagd, waardoor het Licht helder tot ons

straalt.

Zij heeft ons den weg doen vinden tot den Vader van Liefde, dien u God

en wij Allah heeten.

Wij voelen ons zoo onuitsprekelijk gelukkig met dien gouden schat in

ons, de overtuiging, het innige geloof aan het bestaan van een Vader van

Liefde.

Dat geloof doet ons alles in een ander en gelukkiger licht zien; het

verzoent en vertroost en maakt ons vrijer en gelukkiger.[1]

* * * * *

O, we kunnen niet genoeg dankbaar zijn, dat die goddelijke uitvinding,

die correspondentie heet, bestaat. Zij heeft zooveel goeds en liefs in

ons leven gebracht. Wat zou ons leven zijn zonder die nooit volprezen

uitvinding: correspondentie?

Superieure gedachten in boeken en andere gedrukten tot ons komend werken

opvoedend, ontwikkelend, veredelend en verheffend op ons--van nog

grooter opbouwende kracht zijn ze, wanneer ze tot ons komen direct van

de personen zelf, wier geest en ziel die gedachten voortbrachten. Wij

kunnen nooit genoeg dankbaar zijn, dat wij tot de bevoorrechten

behooren, die direct in verbinding staan met enkele superieure geesten

en zielen. Dat maakt ons het leven zoo rijk en zoet.

't Is voor ons een feest als wij brieven ontvangen, waarvan wij door de

personen, die ze afzonden, weten, dat zij mooie, zooals Nellie zegt,

"levensgeluk en liefde verspreidende gedachten" bevatten.

U kunt wel raden, wie o.a. ons een feestdag bezorgt met ons zijne

gedachten over de post te doen toekomen. Met groote belangstelling en

genoegen namen wij kennis van den inhoud der geschriften, die u zoo

vriendelijk was ons te schenken.

Wij achten het een groot voorrecht om den schrijver dier belangwekkende

artikelen persoonlijk te kennen en de geschriften direct van hem te

krijgen. Mevrouw Abendanon vertelde ons zooveel van uwe lezing op

Batavia, nu twee jaar geleden. Zij sprak er ons met zooveel enthousiasme

over. Wij waren erg verlangend kennis te nemen van het gesprokene op 3

September 1900. Hoe verrukt waren we, toen u, zonder 't te weten, dien

wensch van ons vervulde. Hoe heerlijk moet het zijn, om wat gedrukt tot

ons kwam, van u zelf te hooren!

Waar zal de tijd zijn, die dien innigen wensch van ons zal vervullen?

Wij hopen, dat hij eens komen, en niet te lang op zich laten wachten

zal.

En nu danken wij u recht hartelijk voor uwe vriendelijkheid, om ons de

zoo leerzame, boeiende en belangwekkende lectuur te zenden; wij hebben

er zeer van genoten en veel in ons opgenomen. Met zeer veel

belangstelling ook volgden wij de levensschets van "Njai Magdalenah".

Reeds meer hebben wij van die vrome, godvruchtige vrouw gelezen; het

laatst, meen ik, in de Hollandsche Revue. 't Is toch zoo jammer, dat

Mapane[2] zoo ver en zoo moeilijk te bereiken is. Wat zouden wij 't

anders verrukkelijk vinden, om bij u te komen! Er is zooveel, dat wij

zoo gaarne met u zouden willen bespreken, en moeilijk alles in een brief

zeggen kunnen. De langste, uitvoerige brief haalt niet bij een rustig

uurtje mondeling gesprek. In een gesprek kan men zooveel beter zich

uitdrukken, wat men denkt en wil.

Het verslag van het eindexamen der kweekelingen van de kweekschool voor

Inlandsche onderwijzers te Tomohon heeft zeer onze aandacht getrokken;

wij lazen het met klimmende belangstelling en genot.

't Is voor ons een groote vreugde om bewijzen te zien van de vatbaarheid

voor ontwikkeling der volken in Indië. Wij bewonderen ze zoo graag en

zijn er zoo gaarne trotsch op!

Hoe graag zouden wc in de Minahassa willen komen, en er de landskinderen

leeren kennen. Al wat vandaar komt, boezemt ons belangstelling in. Zoo

gaarne zouden wij de geschiedenis van dat land en volk kennen. En wat

wij er gaarne zouden zien, is de kostschool voor Inlandsche meisjes in

Tomohon. We zouden er zooveel uit kunnen leeren.

Steeds hebben wij belang gesteld in de Minahassa en de Minahassaërs. Nu

wij in die buurt een vriend hebben zitten, die het beschavingswerk

begint onder de koppensnellers, stellen wij des te meer belang in die

landen en volken.

Moge u steeds voldoening hebben van uw edel werk; 't is een bede, die

uit het diepst van mijn hart opstijgt, telkenmale, als ik aan u en aan

uw werk denk.

Hoe gaarne zouden wij een tijdje op uw zendingspost, bij zendelingen,

willen vertoeven. Ons lijkt het zoo iets heerlijks toe om te zijn te

midden van reinen van hart, die leven enkel voor de Liefde.

Als het hart zoo rumoerig is, in opstand komt tegen het lot, hoe vredig

zou die reine liefdes-atmosfeer op ons inwerken!

De omgang met reine, liefdegevende en zichzelf geheel vergetende

menschen moet louterend werken.

Wie weet of die wensch niet vervuld zal worden. En, zooals het meer

gaat, de vervulling van lieve wenschen gaat menigmaal gepaard met

bittere tranen.

Als wij naar Modjowarno mochten gaan, zullen wij afgedaan hebben met

andere illusies en droomen; wij zullen den dood aan ze gebracht en ze

begraven hebben.

Zusje heeft u reeds verteld, wat onze plannen zijn, als wij onze ideeën

niet tot werkelijkheid konden brengen, niet konden studeeren voor de

vakken, waarin wij gaarne zouden willen opgeleid worden, afstand moesten

doen van onze illusie: eene school op te richten voor meisjes van den

Inlandschen adel.

Niet, dat Modjowarno voor ons een schrikbeeld is; ik vertelde u reeds,

wat wij ons daarvan voorstellen: voor het uiterlijk bedrijvig,

rusteloos; voor het innerlijk, een vredig rustoord. Maar u begrijpt wel,

dat het voor ons bitter hard zal zijn, om afstand te moeten doen van

onze idealen, die wij reeds zóó lang in ons hebben omgedragen en

liefgehad.

[1] De hier volgende beschouwingen zijn reeds opgenomen in den brief van

15 Aug. 1902.

[2] Mapane is de plaats aan de golf van Tomini (Midden-Celebes) waar de

Heer Adriani destijds woonde.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 81 / 136 题