Hoe zal ik u onze blijdschap beschrijven, toen wij uwe vriendelijke
kaart en boekske ontvingen. Wij zijn u o, zoo dankbaar, dat u ons
geschreven heeft; nu durven wij u weer te schrijven.
Schandelijk hebben wij u veronachtzaamd; wij schamen er ons diep over!
Er is geen verontschuldiging voor te vinden, en die zoeken wij ook niet
en willen wij u niet aanbieden, doch eerlijk en oprecht willen wij
schuld belijden.
't Was _zwakheid_ van ons, die ons zoolang tegen u zwijgen deed.
Bedroevende bekentenis van menschen die eene taak zoo groot op zich
willen nemen als wij. U, die één liefde is, zal ons zacht oordeelen,
onze jeugd, onze onervarendheid in aanmerking nemen.
Groot is mijn schuld tegenover u; nog grooter het kwaad, dat wij
daardoor onszelven doen. Vergeef ons! wij zijn zwak geweest. Wil u ons
helpen sterk te worden?--dàt moeten wij zijn, om de groote taak, die wij
zoo zielsgraag op ons willen nemen, naar behooren te kunnen vervullen.
Wij zijn nog zoo jong, staan nog heel aan het begin, nog vóór onze taak,
vóór het leven, wij, jonge, onervaren menschen, heel alleen met ons
beiden. Zóóvele gedachten hebben in deze jonge hoofden gewoeld, zoovele
gevoelens de jonge harten beroerd. Groot was telkenmale het verlangen om
ons te wijden aan onze vrienden, maar wij onervaren kinderen waren te
zwak en te onbedreven om ons los te rukken van de tallooze gedachten en
gevoelens, die ons gevangen hielden. Zusje heeft u reeds alles verteld
van wat er heeft omgegaan, en nog omgaat in onzen geest en ziel, van wat
er is gebeurd in ons leven van de laatste maanden, van onze plannen,
onze droomen voor de toekomst. Wij hopen, dat u daaraan uwe sympathie
zal hechten.
In vele emotievolle en dikwijls zeer moeilijke dagen was de gedachte aan
u beiden, edele menschenvrienden, ons een troost, een. steun, eene
opbeuring. Wat ons in 't leven zóó bedroefd, is der menschen egoïsme,
dat dikwijls geen grenzen kent. En als wij weemoedig gestemd door 't
zien en weten van grove zelfzucht, "het afschuwelijk monster", dat ons
van alle kanten aangrijnst, aan u beiden denken, komt over ons pijnlijk
getroffen hart eene groote verteedering. _De Liefde_ is, ondanks dat
zelfzucht de wereld schijnt te besturen.
Te midden van brandend denken en gevoelen, over veel, dat gevoelige
naturen als de onze moet pijn doen in het leven, en ontmoedigt, is eene
gedachte aan u beiden ons eene lafenis, die versterkend werkt.
Veel spreken en denken wij aan u beiden, en dat doet zóó goed. U zei ven
onbewust gaf u ons steun en troost in vele moeilijke uren. Wij danken
God, dat wij u op onzen weg hebben mogen ontmoeten, en wij hopen en
bidden vurig, dat wij uw vriendschap heel het leven door mogen behouden.
U kent nu àl onze plannen, ons doel, ons streven; wij hoeven 't u niet
te vragen, ons hart zegt ons, dat u zelf het reeds gedaan heeft en nog
meermalen doen zal: voor uwe jonge Javaansche vriendinnen bidden om hulp
en steun van Boven, van den Allerhoogste, het Opperwezen!
Hoe verschillend de wegen ook zijn, die wij bewandelen, zij leiden alle
tot één en hetzelfde doel: het Goede. Wij ook dienen het Goede, dat u
God noemt, en wij Allah.
Waarom zullen wij het u niet zeggen? Eerlijk en oprecht willen wij
steeds tegenover u zijn--eene vriendschap, of welk verbond ook, dat niet
oprechtheid tot grondslag heeft, zal de tand des tijds niet kunnen
weerstaan, en wij willen, dat onze vriendschap, die ons heel lief is,
zal blijven ons heele leven door--langen tijd was God, Alla, voor ons
slechts een _aanroep_. Goddank! dat die heerlijke naam thans voor ons
heeft een gewijden klank en heilige beteekenis.
O! hoe zal ik u zeggen, hoe gelukkig we zijn, hoe rustig en vredig het
in ons is, nu wij Hem hebben gevonden, om er ons geheel aan over te
geven, om er op te steunen en te vertrouwen. Wij zijn zóó gerust en
voelen ons zoo veilig in Zijn hoede. Er is een Vader, die ons kent, ziet
en liefdevol oordeelt!
Wie ons dien schat, het geloof in het Opperwezen heeft doen vinden?
Mevrouw Nellie van Kol. 't Mag dan zijn, dat lang te voren het in ons
reeds aan het werken en gisten is geweest, wij ons zelven onbewust, een
zieleproces ondergingen; een feit is en blijft: Mevrouw van Kol heeft de
nevelen voor onze oogen weggevaagd, waardoor het Licht helder tot ons
straalt.
Zij heeft ons den weg doen vinden tot den Vader van Liefde, dien u God
en wij Allah heeten.
Wij voelen ons zoo onuitsprekelijk gelukkig met dien gouden schat in
ons, de overtuiging, het innige geloof aan het bestaan van een Vader van
Liefde.
Dat geloof doet ons alles in een ander en gelukkiger licht zien; het
verzoent en vertroost en maakt ons vrijer en gelukkiger.[1]
* * * * *
O, we kunnen niet genoeg dankbaar zijn, dat die goddelijke uitvinding,
die correspondentie heet, bestaat. Zij heeft zooveel goeds en liefs in
ons leven gebracht. Wat zou ons leven zijn zonder die nooit volprezen
uitvinding: correspondentie?
Superieure gedachten in boeken en andere gedrukten tot ons komend werken
opvoedend, ontwikkelend, veredelend en verheffend op ons--van nog
grooter opbouwende kracht zijn ze, wanneer ze tot ons komen direct van
de personen zelf, wier geest en ziel die gedachten voortbrachten. Wij
kunnen nooit genoeg dankbaar zijn, dat wij tot de bevoorrechten
behooren, die direct in verbinding staan met enkele superieure geesten
en zielen. Dat maakt ons het leven zoo rijk en zoet.
't Is voor ons een feest als wij brieven ontvangen, waarvan wij door de
personen, die ze afzonden, weten, dat zij mooie, zooals Nellie zegt,
"levensgeluk en liefde verspreidende gedachten" bevatten.
U kunt wel raden, wie o.a. ons een feestdag bezorgt met ons zijne
gedachten over de post te doen toekomen. Met groote belangstelling en
genoegen namen wij kennis van den inhoud der geschriften, die u zoo
vriendelijk was ons te schenken.
Wij achten het een groot voorrecht om den schrijver dier belangwekkende
artikelen persoonlijk te kennen en de geschriften direct van hem te
krijgen. Mevrouw Abendanon vertelde ons zooveel van uwe lezing op
Batavia, nu twee jaar geleden. Zij sprak er ons met zooveel enthousiasme
over. Wij waren erg verlangend kennis te nemen van het gesprokene op 3
September 1900. Hoe verrukt waren we, toen u, zonder 't te weten, dien
wensch van ons vervulde. Hoe heerlijk moet het zijn, om wat gedrukt tot
ons kwam, van u zelf te hooren!
Waar zal de tijd zijn, die dien innigen wensch van ons zal vervullen?
Wij hopen, dat hij eens komen, en niet te lang op zich laten wachten
zal.
En nu danken wij u recht hartelijk voor uwe vriendelijkheid, om ons de
zoo leerzame, boeiende en belangwekkende lectuur te zenden; wij hebben
er zeer van genoten en veel in ons opgenomen. Met zeer veel
belangstelling ook volgden wij de levensschets van "Njai Magdalenah".
Reeds meer hebben wij van die vrome, godvruchtige vrouw gelezen; het
laatst, meen ik, in de Hollandsche Revue. 't Is toch zoo jammer, dat
Mapane[2] zoo ver en zoo moeilijk te bereiken is. Wat zouden wij 't
anders verrukkelijk vinden, om bij u te komen! Er is zooveel, dat wij
zoo gaarne met u zouden willen bespreken, en moeilijk alles in een brief
zeggen kunnen. De langste, uitvoerige brief haalt niet bij een rustig
uurtje mondeling gesprek. In een gesprek kan men zooveel beter zich
uitdrukken, wat men denkt en wil.
Het verslag van het eindexamen der kweekelingen van de kweekschool voor
Inlandsche onderwijzers te Tomohon heeft zeer onze aandacht getrokken;
wij lazen het met klimmende belangstelling en genot.
't Is voor ons een groote vreugde om bewijzen te zien van de vatbaarheid
voor ontwikkeling der volken in Indië. Wij bewonderen ze zoo graag en
zijn er zoo gaarne trotsch op!
Hoe graag zouden wc in de Minahassa willen komen, en er de landskinderen
leeren kennen. Al wat vandaar komt, boezemt ons belangstelling in. Zoo
gaarne zouden wij de geschiedenis van dat land en volk kennen. En wat
wij er gaarne zouden zien, is de kostschool voor Inlandsche meisjes in
Tomohon. We zouden er zooveel uit kunnen leeren.
Steeds hebben wij belang gesteld in de Minahassa en de Minahassaërs. Nu
wij in die buurt een vriend hebben zitten, die het beschavingswerk
begint onder de koppensnellers, stellen wij des te meer belang in die
landen en volken.
Moge u steeds voldoening hebben van uw edel werk; 't is een bede, die
uit het diepst van mijn hart opstijgt, telkenmale, als ik aan u en aan
uw werk denk.
Hoe gaarne zouden wij een tijdje op uw zendingspost, bij zendelingen,
willen vertoeven. Ons lijkt het zoo iets heerlijks toe om te zijn te
midden van reinen van hart, die leven enkel voor de Liefde.
Als het hart zoo rumoerig is, in opstand komt tegen het lot, hoe vredig
zou die reine liefdes-atmosfeer op ons inwerken!
De omgang met reine, liefdegevende en zichzelf geheel vergetende
menschen moet louterend werken.
Wie weet of die wensch niet vervuld zal worden. En, zooals het meer
gaat, de vervulling van lieve wenschen gaat menigmaal gepaard met
bittere tranen.
Als wij naar Modjowarno mochten gaan, zullen wij afgedaan hebben met
andere illusies en droomen; wij zullen den dood aan ze gebracht en ze
begraven hebben.
Zusje heeft u reeds verteld, wat onze plannen zijn, als wij onze ideeën
niet tot werkelijkheid konden brengen, niet konden studeeren voor de
vakken, waarin wij gaarne zouden willen opgeleid worden, afstand moesten
doen van onze illusie: eene school op te richten voor meisjes van den
Inlandschen adel.
Niet, dat Modjowarno voor ons een schrikbeeld is; ik vertelde u reeds,
wat wij ons daarvan voorstellen: voor het uiterlijk bedrijvig,
rusteloos; voor het innerlijk, een vredig rustoord. Maar u begrijpt wel,
dat het voor ons bitter hard zal zijn, om afstand te moeten doen van
onze idealen, die wij reeds zóó lang in ons hebben omgedragen en
liefgehad.
[1] De hier volgende beschouwingen zijn reeds opgenomen in den brief van
15 Aug. 1902.
[2] Mapane is de plaats aan de golf van Tomini (Midden-Celebes) waar de
Heer Adriani destijds woonde.