Innig dank voor uwe deelneming in ons leed over het vertrek onzer beste
vrienden. Wij hadden zóó gehoopt, dat u hen nog zou kunnen zien. Uit uw
briefje zien we, dat zij niet naar u hadden kunnen komen. U was in die
dagen, dat zij er waren, juist op Buitenzorg. Wat is u aan 't pretmaken
geweest! Mijn lief, best "Oudje" heerlijk! weer eens jong en vroolijk
geweest! Ik las in de courant, dat het concert der Italianen ter
gelegenheid der races bijzonder mooi moet zijn geweest, en dat Z.Exc. en
hare gasten meermalen blijken van ingenomenheid gaven, ik wist toen
niet, dat onder die gasten liefste was!
't Ligt misschien aan onzen gebrekkigen smaak, maar wij kunnen maar geen
vermaak scheppen in de wedrennen zelf, hoewel wij dol veel van mooie
paarden houden en ze te zien ons een lust is! Doch hen zoo te zien
afjakkeren, wij moeten het nog leeren daarvoor enthousiast te worden;
voor ons hopen wij, dat wij het nooit zullen leeren. Het aardigste
nummer van races vinden wij wel de dames-bendie-race. Dat is een lust om
te zien, jonge meisjes, jong en frisch als de morgenstond, in lichte
toiletjes en bloemen het carré rondrijdend in lichte karretjes met
vurige paardjes.
U moet weten, wij hadden ook eens de weelde gekend, van een race-club te
bezitten. Een paar jaar geleden hebben wij de Japarasche Race-club met
muziek, bloemen en champagne begraven op de toenmalige
residentie-hoofdplaats Pati.
Hoef ik u nog te zeggen, hoe ik _geniet_ van uwe verrukking over het
schermpje! Heerlijk, dat het zóó in uw beider smaak viel! Het is een
heel mooi idee, dat u mij daar aan de hand deed. Zeg u aan Mijnheer, wil
u, dat ik ZEd. bedank voor zijn vertrouwen in mij; ik zal mijn best doen
het niet te beschamen, d.i. uw meiske zal hare krachten eens gaan
beproeven aan dat verlangd artikeltje[1] en zien wat zij daarvan zal
terechtbrengen. Doch een verzoek: Stel u er niet te veel van voor en
heb een beetje geduld! De vorige week heb ik net iemand bedankt, die me
voorstelde het Japarasche houtsnijwerk in de Echo te gaan bespreken. Het
lachte mij wel toe, maar ik heb nog zooveel schrijfwerk, en ik schreef
toen maar terug, dat ik het niet aandurfde, wat nu niet geheel een
verzinseltje is. Die dame zal er over gaan schrijven in de Bataviasche
en Soerabajasche bladen.
[1] Over de houtsnijkunst in Japara. Het stukje werd met photo's van
voortbrengselen dier kunst opgenomen in Eigen Haard van 3 Januari 1903
bl. 11. Het daarbij zonder toestemming afgedrukt portret der drie
zusters kreeg de redactie van eene in Nederland gevestigde vriendin. De
schrijfster legt daarvan in een brief van 7 Juni 1903: "Ik was kregelig
geworden over 't afdrukken onzer portretten, zonder ons er eerst in
gekend te hebben.... Nu ben ik er over heen. Als de taak of mijne
landgenooten er maar door gebaat worden, wat beteekenen dan persoonlijke
onaangenaamheden. _Alles_ voor ons _Volk_!