Hoe zal ik u zeggen, met welke gevoelens bezield, wij de Charlotte van
de Willem II zagen afvaren! Wij zagen hen aan met een lach om de lippen,
maar tranen in het hart. Daar gaan ze, een stuk van ons hart, een stuk
van onze ziel. Moedertje is weg, onze vriend is weg; wij hebben hier nu
niemand meer als u. Wil u nu ons Moedertje zijn, ons nog meer
liefhebben? Liefste, liefste, ik wilde, dat ik in uwe armen kon vliegen,
mij nestelen aan uw hart, om te hooren hoe warm dat voor ons slaat!
Blijf ons altijd _liefhebben_ en _vertrouwen_! Liefste, liefste, is er
dan heelemaal geen kans, dat wij elkaar terugzien in dit leven? Wij
kunnen en willen het niet gelooven.
De heer Royaards, die bij den Resident logeerde, bracht onze vrienden
weg; wij herkenden hem dadelijk van de portretten, die wij van hem
zagen. Hij maakte een allerprettigst en indruk, en was zeer vriendelijk
voor ons. Hij kon niet naar Japara komen, zei hij uit zichzelf; zou 't
aardig vinden, als wij hem konden hooren, en inviteerde ons hem a.s.
Zaterdagavond te komen hooren in Julius Cesar, dat zeker tot ons spreken
zal. Hij zou die uitnoodiging aan onzen broer zenden; konden wij daarvan
geen gebruik maken, dan zou 't niets zijn. Aardig toch, vindt u niet?
Hij hoopt ons in Holland te ontmoeten; wij óók. Wij zijn heel dankbaar
hem ontmoet te hebben, al zullen wij het voorrecht niet mogen hebben hem
te hooren; wij zijn al gelukkig hem persoonlijk te hebben mogen spreken.
Wij hadden dat heelemaal niet gedacht.
Zelden was voor ons eene week zoo rijk aan emoties, en van zoo velerlei
en uiteenloopenden aard, als deze afgeloopene. Zij begon met eene
gebeurtenis, in 't leven van vrienden, die grooten invloed op hun
verdere toekomst kan oefenen. Wij waren er in gewijd. Daarop deden wij
iets, een vriendendienst, waardoor wij ons Vaders ongenade op den hals
haalden. Ik zie mij nog zitten voor Vader, hem vrij in de oogen ziende;
ik was mij van geen slechte daad bewust. Vader heel somber, en bedroefd
klonk zijn stem: "Ni, heb ik dat aan jou verdiend? ik heb jou vertrouwd.
Je hebt mij nooit wezenlijk pijn gedaan, nu doe je het. Ik ben nooit
ernstig boos op je geweest, maar nu heb ik werkelijk sakit ati.[1] Wat
je ook gedaan mag hebben, ik ben nooit boos op je, maar dit doet mij
wezenlijk pijn." Ik zei niets, geen woord, en ik sloeg mijne oogen niet
neer, overtuigd, als ik was, geen slechte daad begaan te nebben.
Bedroefd was ik, dat Vader zich de zaak zoo aantrok, maar hemelsch
gelukkig daarnaast met zijne verzekering, dat ik hem _nooit wezenlijk
pijn_ had gedaan, en hij nooit wezenlijk boos op mij was geweest. Ik had
de overtuiging, dat de tijd Vader anders zou doen denken over die
slechtheid van me. Wij hadden niets gedaan, dat wij niet zouden durven
vertellen; wij hadden tegen onze ouders gezwegen, omdat het was een
geheim van anderen, en niet omdat wij het niet durfden. Wij kúnnen niet
bij alles 't allereerst aan ons zelf denken, en dat willen zij. Wij
mogen anderen wèl helpen, als wij zelf er hoegenaamd niets geen gevaar
bij loopen. Dit is misschien zeer verstandig, maar dat strookt heelemaal
niet met ons idee, die den dood zweert aan alle egoïsme. En het is een
groot verdriet voor ons, dat wij onze omgeving dit hoog beginsel niet
duidelijk kunnen maken. Het woord zelfzucht zoeken wij nog steeds in
onze taal--heerlijke taal, waar dat woord niet in voorkomt. Was het in
't leven ook maar zoo! Helaas! Alles draait om het spilletje "ik".
Weldoen als je zelf genoeg hebt, helpen als je zelf er geen
onaangenaamheden door op den hals haalt. Wij kúnnen niet in dat schuitje
meevaren. Wij kunnen het niet met 't woord bepleiten; wij moeten
prediken met de daad, het voorbeeld!
Eerder dan wij verwacht hadden, kwam Vader tot een ander inzicht. Den
avond van den zoo treurig begonnen dag kreeg ik eene ingeving; ik dacht
er niet aan, dat het voor mij ook nut kon hebben, toen men mij raad
vragend, ik raad gaf. Ik dacht alleen aan de belangen van mijn
raadgeefster, en zie de gegeven raad kwam ook mijzelve ten goede. Vader
liefkoosde me weer, en sprak met me of er niets was gebeurd. Wat zou ik
me vroeger, vóór ik Nellie kende, doodongelukkig gevoeld hebben onder
Vaders toorn en ongenade, maar nu hebben wij God om op te steunen en te
vertrouwen, en wij waren kalm onder dat ongeval.
Hierna namen wij afscheid van Annie. 't Was ellendig, maar uiterlijk kon
men aan ons niets zien. Misschien vond Annie ons wel koel, maar wij
weten 't nu: stilte is de tolk van diep voelen. Na het afscheid van
Annie--u raad nooit, wat ons toen overkomen is; wij werden biechtmoeders
van iemand die bijna twee maal zoo oud is als wij. Dit vreemde geval
deed ons zonderling aan. Wonderlijke dingen zijn ons overkomen, maar dit
geval was zeker wel het allervreemdste. Wij hoorden de biecht aan met
ouderlijke toestemming. Bij die gelegenheid wonnen wij een vriend voor
den Javaan en een vriend voor ons streven. "Jullie zijn echte duvels, om
een ouwen man de les te lezen". Dat klonk zóó van harte, dat wij in een
lach schoten.
Grappig, dat wij bij onze pogingen om anderen te helpen den weg tot het
goede, het waar geluk, zielevrede te vinden, menschen _ouder_ dan wij
zelf ontmoeten, die onze hand vatten.
Het geeft zoo'n heerlijk zoet gevoel, het bewustzijn anderen te kunnen
helpen. Wij verbeelden ons _volstrekt niet_, dat wij "lichten" zijn, en
daarom menig treurend hart tot ons komt om steun en troost, maar wij
denken, dat men instinctmatig voelt liefde bij ons te vinden. Wij vinden
het heerlijk, dat wij kunnen liefhebben, ons aan anderen kunnen geven.
Arme harten, die _niet_ kunnen liefhebben!
Wij deden heel gekke vragen, maar wij mochten alles, werd ons vooruit
verzekerd.
Wij vroegen o.a.: "Wanneer een man eene vrouw liefheeft, waar denkt hij
dan het allereerst aan: zal ik haar gelukkig kunnen maken? of zal ik
door haar gelukkig kunnen worden?" De arme geplaagde krabde zich achter
't oor: "dat is een drommels lastige vraag, maar ik heb beloofd je
oprecht op alles te antwoorden. Ik denk het laatste het eerst, en ik
geloof, dat alle mannen, op enkele uitzonderingen na, er zóó over
denken, want het gros der mannen is egoïstisch; jullie vrouwen staan
zedelijk veel hooger dan wij". Wij wisten, dat 't was oprecht gemeend.
Veel hebben wij van dien man geleerd, dat zeiden wij hem ronduit. Hij
heeft ons geduld en zelfbeheersching geleerd; die stelde hij bij ons
dikwijls zwaar op de proef. Materialistisch als hij is, kon hij
vreeselijk tekeer gaan tegen hetgeen ons lief en dierbaar is. Als hij
zoo tergend spotte en afbrak, dan kostte het ons dikwijls moeite om ons
kalm te houden. En nu bekende hij, dat hij spotte, omdat hij voor zich
zelven niet weten wilde, dat hetgeen wij zeiden hem trof; hij lag er
dikwijls halve nachten over te pikeren.[2] Hij had over die dingen nooit
nagedacht en zich het leven maar laten aanwaaien. Nu voelt hij hoe leeg
het is. We zeiden hem, dat het gemakkelijk is om het leven van de
oppervlakte te leven, maar dat de ziel zich niet verdrukken laat, en
vroeg of laat boven op komt. Onvoldaanheid, leegheid, is haar uiting,
haar kreet om voedsel!
"'t Is waar, mijn leven is zóó leeg; maar waarom heeft mijne ziel niet
eerder gepiept!"
"U heeft haar niet willen hooren."
Hij was verbaasd, hoe wij sommige dingen zeiden, precies zooals hij
dacht. "Dan moet er toch wat aan zijn van zielen, zielenverwantschap,
enz.; ik word er nog huiverig van", zei hij met eene opglinstering van
zijn ouden spot. Nu konden wij zijn spot beter verdragen, nu wij weten,
dat het veelal slechts tot dekmantel diende van zijn warm gevoelen.
[1] Sakit ati beteekent letterlijk: ziek van harte, maar wordt gebezigd
voor verdriet hebben en boos zijn.
[2] Pikeren van pikir = nadenken.