15 September 1902 (VIII).

Hoe zal ik u zeggen, met welke gevoelens bezield, wij de Charlotte van

de Willem II zagen afvaren! Wij zagen hen aan met een lach om de lippen,

maar tranen in het hart. Daar gaan ze, een stuk van ons hart, een stuk

van onze ziel. Moedertje is weg, onze vriend is weg; wij hebben hier nu

niemand meer als u. Wil u nu ons Moedertje zijn, ons nog meer

liefhebben? Liefste, liefste, ik wilde, dat ik in uwe armen kon vliegen,

mij nestelen aan uw hart, om te hooren hoe warm dat voor ons slaat!

Blijf ons altijd _liefhebben_ en _vertrouwen_! Liefste, liefste, is er

dan heelemaal geen kans, dat wij elkaar terugzien in dit leven? Wij

kunnen en willen het niet gelooven.

De heer Royaards, die bij den Resident logeerde, bracht onze vrienden

weg; wij herkenden hem dadelijk van de portretten, die wij van hem

zagen. Hij maakte een allerprettigst en indruk, en was zeer vriendelijk

voor ons. Hij kon niet naar Japara komen, zei hij uit zichzelf; zou 't

aardig vinden, als wij hem konden hooren, en inviteerde ons hem a.s.

Zaterdagavond te komen hooren in Julius Cesar, dat zeker tot ons spreken

zal. Hij zou die uitnoodiging aan onzen broer zenden; konden wij daarvan

geen gebruik maken, dan zou 't niets zijn. Aardig toch, vindt u niet?

Hij hoopt ons in Holland te ontmoeten; wij óók. Wij zijn heel dankbaar

hem ontmoet te hebben, al zullen wij het voorrecht niet mogen hebben hem

te hooren; wij zijn al gelukkig hem persoonlijk te hebben mogen spreken.

Wij hadden dat heelemaal niet gedacht.

Zelden was voor ons eene week zoo rijk aan emoties, en van zoo velerlei

en uiteenloopenden aard, als deze afgeloopene. Zij begon met eene

gebeurtenis, in 't leven van vrienden, die grooten invloed op hun

verdere toekomst kan oefenen. Wij waren er in gewijd. Daarop deden wij

iets, een vriendendienst, waardoor wij ons Vaders ongenade op den hals

haalden. Ik zie mij nog zitten voor Vader, hem vrij in de oogen ziende;

ik was mij van geen slechte daad bewust. Vader heel somber, en bedroefd

klonk zijn stem: "Ni, heb ik dat aan jou verdiend? ik heb jou vertrouwd.

Je hebt mij nooit wezenlijk pijn gedaan, nu doe je het. Ik ben nooit

ernstig boos op je geweest, maar nu heb ik werkelijk sakit ati.[1] Wat

je ook gedaan mag hebben, ik ben nooit boos op je, maar dit doet mij

wezenlijk pijn." Ik zei niets, geen woord, en ik sloeg mijne oogen niet

neer, overtuigd, als ik was, geen slechte daad begaan te nebben.

Bedroefd was ik, dat Vader zich de zaak zoo aantrok, maar hemelsch

gelukkig daarnaast met zijne verzekering, dat ik hem _nooit wezenlijk

pijn_ had gedaan, en hij nooit wezenlijk boos op mij was geweest. Ik had

de overtuiging, dat de tijd Vader anders zou doen denken over die

slechtheid van me. Wij hadden niets gedaan, dat wij niet zouden durven

vertellen; wij hadden tegen onze ouders gezwegen, omdat het was een

geheim van anderen, en niet omdat wij het niet durfden. Wij kúnnen niet

bij alles 't allereerst aan ons zelf denken, en dat willen zij. Wij

mogen anderen wèl helpen, als wij zelf er hoegenaamd niets geen gevaar

bij loopen. Dit is misschien zeer verstandig, maar dat strookt heelemaal

niet met ons idee, die den dood zweert aan alle egoïsme. En het is een

groot verdriet voor ons, dat wij onze omgeving dit hoog beginsel niet

duidelijk kunnen maken. Het woord zelfzucht zoeken wij nog steeds in

onze taal--heerlijke taal, waar dat woord niet in voorkomt. Was het in

't leven ook maar zoo! Helaas! Alles draait om het spilletje "ik".

Weldoen als je zelf genoeg hebt, helpen als je zelf er geen

onaangenaamheden door op den hals haalt. Wij kúnnen niet in dat schuitje

meevaren. Wij kunnen het niet met 't woord bepleiten; wij moeten

prediken met de daad, het voorbeeld!

Eerder dan wij verwacht hadden, kwam Vader tot een ander inzicht. Den

avond van den zoo treurig begonnen dag kreeg ik eene ingeving; ik dacht

er niet aan, dat het voor mij ook nut kon hebben, toen men mij raad

vragend, ik raad gaf. Ik dacht alleen aan de belangen van mijn

raadgeefster, en zie de gegeven raad kwam ook mijzelve ten goede. Vader

liefkoosde me weer, en sprak met me of er niets was gebeurd. Wat zou ik

me vroeger, vóór ik Nellie kende, doodongelukkig gevoeld hebben onder

Vaders toorn en ongenade, maar nu hebben wij God om op te steunen en te

vertrouwen, en wij waren kalm onder dat ongeval.

Hierna namen wij afscheid van Annie. 't Was ellendig, maar uiterlijk kon

men aan ons niets zien. Misschien vond Annie ons wel koel, maar wij

weten 't nu: stilte is de tolk van diep voelen. Na het afscheid van

Annie--u raad nooit, wat ons toen overkomen is; wij werden biechtmoeders

van iemand die bijna twee maal zoo oud is als wij. Dit vreemde geval

deed ons zonderling aan. Wonderlijke dingen zijn ons overkomen, maar dit

geval was zeker wel het allervreemdste. Wij hoorden de biecht aan met

ouderlijke toestemming. Bij die gelegenheid wonnen wij een vriend voor

den Javaan en een vriend voor ons streven. "Jullie zijn echte duvels, om

een ouwen man de les te lezen". Dat klonk zóó van harte, dat wij in een

lach schoten.

Grappig, dat wij bij onze pogingen om anderen te helpen den weg tot het

goede, het waar geluk, zielevrede te vinden, menschen _ouder_ dan wij

zelf ontmoeten, die onze hand vatten.

Het geeft zoo'n heerlijk zoet gevoel, het bewustzijn anderen te kunnen

helpen. Wij verbeelden ons _volstrekt niet_, dat wij "lichten" zijn, en

daarom menig treurend hart tot ons komt om steun en troost, maar wij

denken, dat men instinctmatig voelt liefde bij ons te vinden. Wij vinden

het heerlijk, dat wij kunnen liefhebben, ons aan anderen kunnen geven.

Arme harten, die _niet_ kunnen liefhebben!

Wij deden heel gekke vragen, maar wij mochten alles, werd ons vooruit

verzekerd.

Wij vroegen o.a.: "Wanneer een man eene vrouw liefheeft, waar denkt hij

dan het allereerst aan: zal ik haar gelukkig kunnen maken? of zal ik

door haar gelukkig kunnen worden?" De arme geplaagde krabde zich achter

't oor: "dat is een drommels lastige vraag, maar ik heb beloofd je

oprecht op alles te antwoorden. Ik denk het laatste het eerst, en ik

geloof, dat alle mannen, op enkele uitzonderingen na, er zóó over

denken, want het gros der mannen is egoïstisch; jullie vrouwen staan

zedelijk veel hooger dan wij". Wij wisten, dat 't was oprecht gemeend.

Veel hebben wij van dien man geleerd, dat zeiden wij hem ronduit. Hij

heeft ons geduld en zelfbeheersching geleerd; die stelde hij bij ons

dikwijls zwaar op de proef. Materialistisch als hij is, kon hij

vreeselijk tekeer gaan tegen hetgeen ons lief en dierbaar is. Als hij

zoo tergend spotte en afbrak, dan kostte het ons dikwijls moeite om ons

kalm te houden. En nu bekende hij, dat hij spotte, omdat hij voor zich

zelven niet weten wilde, dat hetgeen wij zeiden hem trof; hij lag er

dikwijls halve nachten over te pikeren.[2] Hij had over die dingen nooit

nagedacht en zich het leven maar laten aanwaaien. Nu voelt hij hoe leeg

het is. We zeiden hem, dat het gemakkelijk is om het leven van de

oppervlakte te leven, maar dat de ziel zich niet verdrukken laat, en

vroeg of laat boven op komt. Onvoldaanheid, leegheid, is haar uiting,

haar kreet om voedsel!

"'t Is waar, mijn leven is zóó leeg; maar waarom heeft mijne ziel niet

eerder gepiept!"

"U heeft haar niet willen hooren."

Hij was verbaasd, hoe wij sommige dingen zeiden, precies zooals hij

dacht. "Dan moet er toch wat aan zijn van zielen, zielenverwantschap,

enz.; ik word er nog huiverig van", zei hij met eene opglinstering van

zijn ouden spot. Nu konden wij zijn spot beter verdragen, nu wij weten,

dat het veelal slechts tot dekmantel diende van zijn warm gevoelen.

[1] Sakit ati beteekent letterlijk: ziek van harte, maar wordt gebezigd

voor verdriet hebben en boos zijn.

[2] Pikeren van pikir = nadenken.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 79 / 136 题