Eigenwijs van ons, om "moeder" te spelen en dikwijls over "kinderen",
die ouder zijn dan wij. Maar wat doet leeftijd er toe? ieder mensch
heeft liefde noodig, de grijsaard zoowel als het kind.
Zou de vrouw werkelijk alleen en uitsluitend in het huwelijk tot haar
recht, tot de volle ontwikkeling harer gemoedsgaven kunnen komen?--omdat
der vrouw hoogste en schoonste glorie is het moederschap? Maar moet een
vrouw dan absoluut een _eigen kind_ hebben om "moeder" te zijn, zooals
dat woord behoort te beteekenen: een wezen, één liefde en toewijding?
Als dat waar was, hoe bedroevend laag is het standpunt der wereld dan,
dat men _alleen een stuk van zichzelf_ kàn liefhebben, met algeheele
overgave van het eigen ik! Hoeveel moeders zijn er niet, die alleen
"moeder" heeten, omdat zij kinderen ter wereld hebben gebracht, maar die
verder den moedernaam niet waard zijn te dragen. Een vrouw, die zich aan
anderen geeft, met àl de liefde, die er in haar hart is, met alle
toewijding, waartoe zij is in staat, is in geestelijken zin "moeder".
Wij stellen de geestelijke moeder hooger dan de lichamelijke.
Wij hopen en bidden vurig, dat later als 't ons gegeven is ons ideaal
verwezenlijkt te zien, in een school te staan, onze kinderen ons niet
alleen voor den vorm "moeder" zullen noemen; maar omdat zij in ons
"moeders" zien en voelen.
* * * * *
Wij hopen innig, dat Anneke op Buitenzorg lieve, hartelijke menschen zal
vinden, die het arme, alleenstaande kind het gemis van een moeder en een
eigen thuis eenigszins zullen vergoeden.
Anneke heeft hier het Javaansche leven meê geleefd. Kon u maar eens om
het hoekje van de deur zien, als Anneke met ons zoo zusterlijk op den
grond zit. Op een avond zat zij bij ons in de kamer, aan het laag
tafeltje, waaraan ik nu zit; zij naaide en wij schreven; er was nog een
vierde in 't vertrek, een vriendin van ons; zij las ons vóór op zang.
U weet waarschijnlijk wel, dat al onze boeken in dichtmaat,
bloementaal--zooals wij zeggen--geschreven zijn, en zij gelezen worden
op zang.
Deuren en vensters stonden open; vóór de kamer bloeide een tjempakaboom,
die met een windezucht ons zijn zachten, zoeten geur zond. Liefelijk
klonk de zachte, weeke stem; zoet streelde het graag-luisterend oor
haar zang, die onze zielen meevoerde naar 't ver verleden, naar de
oertijden vol schittering en pracht, en wijze, schoone, àlvermogende
menschen....
Het was heerlijk, die zielendroom....
Wij beten, al droomend, meer op onze penhouder, dan dat wij ze over 't
papier lieten vliegen. En in die echt Javaansche omgeving, zat tusschen
bruine kinderen van 't zonneland, een blank dochtertje van het Westen.
O! zoo gaarne zouden wij u zóó in ons midden willen hebben.
Wij leeren die zangen ook, en als wij niet al te verlegen zijn, zullen
wij voor u droomen op zang.
Gisteren heeft Annie met ons iets typisch Javaansch uitgehaald. Zij
wilde zoo graag van Japara weg; toen zeiden wij haar: "Vraag hulp van
den Soenan van Mantingan; beloof hem een bloemoffer als je wensch
uitkomt".
Zij heeft het gedaan. Eergisteravond dacht zij er aan, en den volgenden
morgen ging zij met ons offeren. Met een troep priesters zijn we
gisteren naar het heilige graf getogen; wij brachten bloemen en wierook
mee.
Anneke ging met ons in het gebouw der heilige graven, en zat met ons op
den grond aan het voeteinde van het graf. Er werd wierook gebrand, en
een mystiek gebrom, eerst zachtkens, maar allengs luider, steeg op als
priesterkoor. Het was plechtig en indrukwekkend. Wij zaten allen met
gebogen hoofden, waarover het mystiek gebed der priesters ruischte en de
blauwe wierookwolken gingen. Een der priesters bracht, over den grond
vooruitschuifelende, Annie's bloemen aan, en legde die eerbiedig op het
graf van den Soenan en daarna op de andere graven. Naast me hoorde ik
snikken. 't was Anneke! Blootsvoets, ten teeken van eerbiediging, kwam
zij het gebouw binnen, en wij brachten de dooden op onze wijze groet en
hulde.
Vandaar gingen we naar de kalie, die achter het kerkhof stroomt, om er
onze voeten te wasschen.
Wij vroegen den priesters om voor Anneke 's Hemels zegen af te smeeken.
Liefste, wij zouden zielsgraag met ü dit alles willen doen en doorleven.
Er is zooveel in 't Javaansche leven, dat verteedert, bijv. de roerende
eerbied, dien we voor onze dooden hebben, voor onze ouderen. Er gebeurt
niets in ons leven van eenig belang, zonder dat wij onze dooden
gedenken, vreugde of rouw.
Anneke zal nog wel eens aan Japara denken, als ze al hoog en droog op
Buitenzorg zit, al mocht ze 't daar ook duizendmaal beter hebben dan
hier op Japara. Wie Japara en zijne _ziel_ eens heeft gekend, zal het
nooit meer kunnen vergeten. Men mòet er aan terug denken, hetzij met
_liefde_, hetzij met _haat_.
Gistermiddag zijn wij naar de houtsnijwerkerij geweest; 't was hoogst
interessant, er waren 15 menschen, mannen en knapen, aan 't werk. 't Was
hoogst eenvoudig, doch hoe effectvol, wat er van daan komt!
Zusje R. moest natuurlijk dadelijk meewerken, en zat al spoedig met de
houtsnijwerkers aan een bank, heel genoegelijk of ze daar altijd aan
gezeten heeft.