20 Augustus 1902. (VII.)

Wij kregen menschen van Batavia over, die met hart en ziel de kunst van

ons volk minnen en er veel voor willen en kunnen doen. 't Waren leden

van 't hoofdbestuur van Oost en West in Indië, die tegen Sinterklaas

gaarne een etalage van voorwerpen van Inlandsche kunst en nijverheid

had, en gaarne zou willen dat daarbij de volkskunst in Japara goed

vertegenwoordigd was.

De voorbereiding van dat werkje, dat wij zoo gaarne op ons namen, was

oorzaak, dat ik niet reeds veel eerder weer praatte met onze vriendin te

Princenhage. Uw man zal u later wel vertellen op welk eene beduidende

hoogte hier houtsnij- en textiele kunst staan. Het is voor ons zoo'n

genot om mede te mogen werken aan de bekendmaking van onze volkskunst.

Wij achten 't een groot voorrecht de tusschenpersonen te mogen zijn,

door wier handen sommige zieleuitingen van ons volk hun weg vinden in

een nieuwe wereld; kunstvoorwerpen, die bewondering en eerbied afdwingen

voor het kunnen van hun simpelen vervaardiger, den zooveel gering

geschatten Javaan.

Als men die prachtige voorwerpen beschouwt, en daarnaast hun uiterst

eenvoudigen maker ziet, en de uiterst primitieve werktuigen, waarmee hij

arbeidt, dan krijgt men haast een gevoel van diepen eerbied en

bewondering voor zijn kunst, de innige overtuiging, dat men hier te doen

heeft met een _waren_ kunstenaar. Eens, dat we in extase waren over zijn

kunst, vroegen we hem: "Hè man, waar haal je al dat moois toch vandaan?"

Even werden de naar beneden kijkende oogen tot ons opgeslagen, een

beschroomd lachje speelde hem om den mond en eenvoudig antwoordde hij:

"Uit mijn hart, bendoro!"[1]

We waren _verrukt_, en daarnaast hadden we zóó 't land aan ons zelven,

dat wij daar op den stoep zaten en hij voor ons op den grond in eene

deemoedige houding, zich klein makend voor ons, aan wie hij honderdvoud

superieur is.

Waarom? Waarom? omdat wij nu toevallig kinderen zijn van een vader, aan

wien macht en aanzien is toebedeeld. O! hoe prullerig!

* * * * *

Heerlijk! dat door uw en enkele anderer onvermoeid streven en werken de

oogen van Groot-Nederland zich beginnen te openen voor dit belangrijke

punt in de kinderopvoeding: de kinderliteratuur.

Gelukkig mag Nederland zich achten, dat het zulke voortreffelijke

krachten bezit, die zich met hart en ziel gelegen laten liggen aan de

vorming naar hart en geest der Nederlandsche jeugd. En bevoorrecht is in

dat opzicht het Hollandsche kind boven het Javaansche, dat geen enkel

boek bezit, dan de leerboeken der schoolgaande kinderen. Een man, die

veel wil en kan doen voor de opvoeding der Inlandsche jeugd, heeft

daarover eens zijne gedachten laten gaan. Het is al jaren geleden, en

wij hooren er niets meer van.

Wij waren nog kinderen, toen een inspecteur van het Inlandsch onderwijs

ons verzocht, kleine verhaaltjes uit 't Inlandsche kinderleven voor

Inlandsche kinderen te schrijven, die geïllustreerd bij wijze van

prentenboekjes zouden verschijnen. Niet 't minste vermoeden hadden wij,

toen wij die lesjes schreven, dat eens de pionierster dier edele

beweging in Nederland: der jeugd opvoedende lectuur te geven, ons zou

vragen, een steentje bij te dragen voor den bouw van den hoogen, slanken

toren, hoog oprijzend in reine lucht; een toren met veel vensters,

uitkijkende naar alle hemelstreken,--vensters van klaar en

onbedriegelijk glas ... dien zij optrok voor hare lievelingen: de jeugd,

den mensch van de toekomst! Wij bidden God, dat wij het gevraagde

steentje zullen kunnen bijdragen.

Wij zijn nog steeds bezig sprookjes, sagen, spelletjes en liedjes te

verzamelen voor dat doel. Het zal echter niet gemakkelijk gaan, denk ik,

om de wijsjes der spelletjes en sprookjes op notenschrift te brengen.

Eerstens, doen wij, hoewel groote muziekliefhebsters, tot onzen grooten

spijt, zelf niet aan muziek, daar wij nooit in de gelegenheid zijn

geweest daarin onderwijs te krijgen. Maar dit is zoo erg niet, het kan

wel verholpen worden; de grootste moeilijkheid ligt hierin, dat wij een

geheel anderen toonladder hebben dan u, en daarin tonen voorkomen, die

wij vergeefs zoeken in Europeesche muziek.

Verleden week nog spraken wij een Europeaan, die reeds 20 jaar lang

kunstuitingen van 't Inlandsche volk, in alle denkbare vormen verzamelt,

o.a. ook pantoens; en nu wilde hij graag eenige Javaansche liederen,

gamelanmuziek, bij zijne collectie hebben, en tot dusver is 't hem nog

niet gelukt, er een op notenschrift te zetten, vanwege genoemde

moeilijkheid.

Maar nu is gamelanmuziek dan ook ontegenzeggelijk moeilijk, en

daartegenover de kinderzangen bij spelen en sprookjes zeer eenvoudig.

Een paar probeerden wij op de piano en het ging vrijwel; alle kruisen en

mollen.

't Schijnt, dat er onzichtbare telefoondraden van Lalie Djawa naar hier

loopen en daarvan druk gebruik gemaakt wordt door ons onzienlijk ik. Wij

begrijpen anders niet, hoe menig punt in uw brief, ongeveer op

denzelfden tijd, dat u hem schreef, door ons werd gedacht en besproken

en zelf geschreven. In mijn brief, die den uwen heeft gekruist, zal u

menig punt hierin, beantwoord vinden. Zelfs dat idee om de wijsjes, de

spelletjes en sprookjes er bij te geven, bespraken wij reeds vóór de

ontvangst van uw schrijven. Wij zouden het zoo jammer vinden als 't niet

kon, want juist de zangen geven bekoring aan de spelletjes en sprookjes.

Als kinderen vonden wij 't niet aardig, als onze sprookjesvertelster

onder 't verhalen niet zong, waar dat te pas kwam.

Dezer dagen hebben wij een warmen woordenstrijd gevoerd over den invloed

van boeken. Onze tegenpartij vond alles onzin; idealen, poëzie waren

idiotisme; het boek nul, van niet de minste waarde.

Hoe ontroerd waren wij, toen wij den volgenden morgen het Amsterdammer

(blad) openslaande, uw mooi artikel over den invloed van boeken vonden.

Wij zijn leeken, prullen, ons oordeel is nul; maar nu is een autoriteit

aan het woord.

Het is een zeer eigenaardig mensch, daarom voor ons interessant hem gade

te slaan en er onze gevolgtrekkingen uit te maken. Een mensch met _vele

goede_ eigenschappen, maar o zóó _zwak_.

Door hem zien wij nog duidelijker, wat er in 't kind vooral moet

ontwikkeld worden: _wilskracht_. Zonder deze, zijn alle andere goede

eigenschappen van weinig of geen waarde.

O! ik kan u niet zeggen, hoe dankbaar wij u zijn, dat u ons den weg

heeft gewezen tot _waar geluk_, tot _ware vrijheid_, tot _God_.

Wie God _waarlijk_ dient, is _vrij_; hij is aan geen mensch gevangen.

_Steunen_ op _menschen_ is zich _gevangen_ geven aan _menschen_.

Het is zoo iets heerlijks, zoo iets grootsch, waarop u ons gewezen

heeft.

Het _waar geluk_, waar is het?

Het is niet ver, maar o zoo moeilijk te bereiken; men kan er niet komen

per tram, per spoor of per boot, en geen goud brengt er ons heen. Het

reisgeld is _bitter duur_; het zijn tranen, hartebloed en nadenken. Waar

of het is? _In ons zèlf_. Men kan in de wereld véél vinden, dat ons

verrukt, in vervoering brengt, dat men denkt dàt is het, het

langgezochte, het geluk! Even dikwijls als men dàt vindt, zal men

ervaren, vaak met bitterheid, dat hetgeen men voor geluk heeft gehouden,

maar ijdel schijn is.

Het waar geluk, dat blijvende is en in ons woont, heet _zielevrede_. Ik

heb het reeds làng _gevoeld_; u heeft 't mij leeren _zeggen_.

God is naijverig, zegt men; Hij duldt niet, dat men andere goden aanbidt

dan Hem en straft daarom den mensch met bittere ontgoocheling, die zich

goden schept en hen aanbidt met goddelijke vereering.

Maar wij vinden: "Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht

hebben" een gebod zóó liefdevol. Ligt daarin niet eene even ernstige als

humane waarschuwing: de mensch is _mensch_--een feilbaar wezen....

Ach, werd 't maar beter verstaan; zooveel bitter leed zou de menschheid

zijn bespaard gebleven!

Het moge dan waar zijn, dat wij door velerlei omstandigheden er op

voorbereid zijn geworden, het neemt niet weg, dat _u het is_, die in

deze licht heeft ontstoken voor onze zielen.

Moeder is zoo blij en dankbaar voor dezen ommekeer in ons gemoedsleven.

Zij zou dolgraag u willen ontmoeten, om u persoonlijk te bedanken voor

het wonder, dat u aan hare kinderen heeft verricht: ons het hart geopend

voor den Vader van Liefde!

Wat ons tot ongeloovigen maakte? 't Was véél, wat we zagen onder den

dekmantel Godsdienst.

O! en dan die onverdraagzaamheid van zoo menig streng geloovige!...

Wij waren kinderen, hoever reiken de gedachten van een kind?

Wij konden niet weten, begrijpen, dat het _menschen_ zijn, die leelijke

dingen doen, Gods naam ijdelijk gebruiken tot dekking van kwade

practijken. Wij konden niet weten, dat oorspronkelijk _alles mooi_ was,

maar dat de menschen het mooie leelijk maakten.

Wij vroegen en vragen nog steeds, niet wàt is uw geloof? maar, hoè is uw

levenswandel?

Het Goede, dat was onze God, dien wij steeds getracht hadden te dienen;

nu wèten we: het Goede en God zijn Eén!

* * * * *

Nu zijn we bezig een mooi gedicht te lezen, wijze lessen in bloementaal:

Het woord gedicht is er in onze taal niet, wij zeggen bloementaal, en is

't niet juist?

Herinnert u zich de koele, heldere, tropische avonden, als alles in rust

is, en stilte door niets verbroken dan door wind-geruisch in de

klapperkronen, de frissche avondwind op zijn adem u toevoert zachte,

zoete geuren van kemoening, tjempaka en melati? Was niet wel eens een

droomerige zang tot u doorgedrongen? De zang van een Javaan, die zijn

gezin en buren voorzingt van liefde, heldenfeiten, schitterende pracht,

mooie, wijze, alvermogende mannen en vrouwen, prinsen en prinsessen uit

het làng, làng verleden?

Al onze boeken zijn in dichtmaat geschreven en worden gelezen op zang.

't Is het liefelijkste uur, als de Javaan, moe van de volbrachte

dagtaak, verpoozing zoekt in zang, alle zorgen van zich wegdroomend,

geheel opgaande in het schitterend vèr verleden, waarvan hij zingt en

waar zijn zang zijn ziele henen voert. "Het Javaansche volk is een volk

van herinnering", zegt terecht een jonge vriend van ons. "Het is schoon

in den ziele-droom van zijn eeuwenslaap".

Zeer juist, maar wij lèven en moèten lèven, dat is ons steeds bewegen en

in vooruitgaande richting!

Dat zegt onze vriend ook: "tot een werkzaam, krachtig naar buiten zich

uitend geheel moeten wij je volk doen ontwaken!"

Menig liefs zal daardoor zeker op den achtergrond geraken, maar mogen

wij daarom ons laten weerhouden te ontwaken?

Droomen _is_ heerlijk, droomen _zijn_ mooi, maar wat heeft men er aan,

als zij _droom_ blijven? men moet ze nog schooner, heerlijker maken,

door te trachten ze tot werkelijkheid te brengen.

Er is zooveel moois in 't Javaansche volk! Door u hoorden wij in de

laatste dagen veel moois uit den volksmond. Het verzamelen van sprookjes

brengt ons in aanraking met velerlei menschen, en 't is voor ons zoo'n

groot genot om hunne gedachten te hooren.

In eenvoudige, maar o zoo gracieuse taal worden de mooiste gedachten

gezegd, die ontroeren door de treffende waarheid en wijsheid er in.

Wat zou ik u graag eenige mooie gedachten in die gracieuse en melodieuse

taal willen zenden; vertaald zijn ze niet meer, wat ze zijn.

Wij mogen u veel van ons volk vertellen, niet waar? Wat een vraag toch,

het spreekt immers vanzelf, dat u er gaarne over hoort spreken, u

beiden, die ons volk zoo hartelijk liefheeft. En aan die liefde, danken

wij dit mooie in ons leven.

Wij gelooven met u: het _wezenlijke_ is in den _geest_, en niet in de

_wereld_.

Wij zijn zoo rijk en zoo gelukkig met de geestesvrienden, die wij

hebben. Is 't zelfzuchtig, dat wij van iedereen willen leeren?--en bij

voorkeur met menschen correspondeeren, die onzen geest voeden en

verruimen?

O! wij vinden 't zoo afschuwelijk om nietszeggende brieven te ontvangen

en ze te moeten beantwoorden; epistels, die ons doen vragen "waarom

wòrden ze geschreven?"

Wij zijn waarlijk bevoorrechte menschen, om voeling te hebben met eenige

superieure geesten.

Diep in het hartje van Celebes hebben wij een vriend zitten, een _edel

man_ naar hart en geest. O! wij bewonderen hem zoo innig, om zijn edel

werk. 't Is voor ons een feest, als wij brieven krijgen van Dr. Adriani,

die even interessant als leerrijk zijn. 't Was zoo'n groote vreugde voor

ons, toen wij hem bij de familie Abendanon ontmoetten. Mevrouw had ons

bijelkaar gebracht, wetende hoeveel we aan die kennismaking zouden

hebben. De gedachte aan hem en zijn werk is ons een troost, als wij hier

zooveel liefdeloosheid en egoïsme zien, of er van hooren. 't Meeste pijn

doet ons de zelfzucht der menschen, die dikwijls grenzeloos is.

O! hoe zoet streelt 't ons, om te midden van koude, lauwe,

onverschillige menschen, vélen zonder hart en hoofd, nu en dan eens een

wezen te ontmoeten, één liefde en geestdrift en heldengeest!

God lof, dat wij zulke menschen kennen van verre en van nabij.

* * * * *

Wat spijt 't ons, dat u ons niet kende in den bloei van ons verbond. U

zou er zeker schik in gehad hebben.

Drie samengestemde zielen in 't leven naast elkaar geplaatst als

zusters?

Stormen zijn er over die jonge hoofden gegaan, stormen hebben in die

jonge harten gewoed.

Ik denk aan u, "_om zijn ideaal te bereiken, moet men menige illusie

afleggen_".

Uit den dood van jonge lentebloesems rijpte echter menige vrucht; zoo

ook in 't menschenleven, nietwaar?--uit den dood van jonge illusies

kunnen somtijds andere, rijpere, verrijzen, die tot vrucht kunnen

rijpen....

Een gróóte illusie hebben wij afgelegd. In het bittere, ellendige uur,

toen wij met hartebloed haar begroeven, voelden wij op eenmaal als een

stroom door ons gaan, en in ons verrijzen, nieuw, frisch, krachtig

leven!

Wij weten en voelen het: nog véél, véél tranen en hartebloed moeten en

zullen er vloeien om de jonge vrucht te laven en haar tot vollen wasdom

te brengen.

_Véél, véél geduld_! Wij beginnen nu te begrijpen, wat Mr. Abendanon

bedoelde, toen hij ons dat door zijn vrouw liet zeggen. Veel, wat

vroeger klànk voor ons was, krijgt nu _beteekenis_. Ja, wij kunnen en

moeten slechts zeer langzaam gaan; de reis is zoo ver en zoo lang, en de

weg zoo steil en moeilijk! Zelf lijden is zoo erg niet, maar de zaak

belemmeren in haar gang, zullen wij _verschrikkelijk_ vinden.

Ik denk aan een zekeren avond in 't jong verleden. Een kennis nam ons

beiden mee naar een concert in den schouwburg op Semarang. 't Was voor

't eerst in ons heele leven, dat wij beiden, zonder zusje, zonder Vader,

zonder Moeder ons bevonden in een groote menschenzee. Wij beiden heel,

heel alleen tusschen al die vreemde gezichten. En opeens dachten wij:

Zoo zal ons leven in de toekomst zijn! Wij beiden alleen op de groote

levenszee! Doch wij zijn _gerust_! er is een God, die over ons waakt!

Den 20^{en} dezer waren we in onze gedachten op Tandjong Priok; wij

zagen de Willem II van Java's kust wegstoomen, met zich voerend een

kostbaren last: Java's grooten vriend en warmen verdediger, naar 't

verre Nederland, waar in 's Lands vergaderzaal hij nu, door zijn nobele

daad van liefde, met des te meer gezag en kracht zal opkomen voor de

belangen van millioenen kinderen van deze landen.

Breng hem veilig over, Willem II, voor deze landen en voor zijn lief

gezin!

Er was dankbaarheid, er was weemoed, er was hoop in 't hart, maar boven

alles een gevoel van groote verteedering. Menschenmin, liefde voor 't

recht ... het zijn _geen_ groote, ijdele woorden, geen bleeke

hersenschim....

Wij _gelooven_ in de _Liefde_!

En nu lieve, trouwe en reine raadgeefster, onze hooggeachte en hartelijk

geliefde vriendin, danken wij u met een warmen handdruk voor uwen brief,

die ons zoo in alle opzichten goed deed. Hij stemde ons tot ernstig

nadenken, sterkte ons en opende ons weer nieuwe gezichtspunten.

[1] Bendoro = heer (ook tegenover hoog geplaatste vrouwen gebezigd).

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 77 / 136 题