Goeden morgen; hier is zus weer om wat met je praten. 't Is een
heerlijke frissche ochtend; ik zit hier in een gezellig hoekje bij 't
venster, waar ik 't gezicht heb op den tuin. Een volgenden keer zal ik
je toch eens onze omgeving beschrijven, ons huis, onze doenia[1] en ...
ons klooster! Nu ga ik mijn praatje van gisteren vervolgen. O!
aandoenlijk is de blijdschap der oudjes over den terugkeer der verdoolde
schaapjes op het rechte pad.
Een oudje hier bood ons uit pure vreugde daarover, hare collectie boeken
aan, oude Javaansche handschriften, vele met Arabische karakters
geschreven. Dit gaan we nu weer leeren lezen en schrijven. Je weet
misschien dat Javaansche boeken zeer moeilijk zijn te krijgen, doordat
zij met de hand geschreven zijn; slechts enkelen zijn gedrukt. Wij zijn
nu bezig een mooi gedicht te lezen, wijze lessen in bloementaal. Wat
wenschte ik dat je onze taal kende; o, zoo innig graag zou ik je van al
dat moois laten genieten in het oorspronkelijke; vertaald is het niet
meer wat het was. Voel je iets voor 't leeren van de Javaansche taal?
Moeilijk is zij zeer zeker, maar o, zoo mooi! Het is een gevoelstaal vol
poëzie en ... snedigheid. Verbaasd staan wij, eigen kinderen van het
land, dikwijls over de snedigheid onzer landslieden. Je kunt je niets
bedenken, of zij kunnen daarvan wat maken. Noem maar iets op, in den
blinde, wijs een voorwerp aan, en een geestige Javaan, die je vooral
veel vindt onder het eigenlijke volk, weet daarop onmiddellijk een rijm
te maken, dat verbaast door snedigheid en geestigheid. Het is aan
Oostersche volken eigen denk ik. Jammer maar dat toen die kostelijke
gave hier werd uitgedeeld, je zusjes heel achteraan stonden. Volstrekt
geen visschen naar een complimentje hoor; wij meenen het oprecht. Om dat
te bewijzen dit: Waar de feeën ons stiefmoederlijk bedeelden met
geestigheid, maakte een andere zuster fee het euvel weer goed, door ons
rijkelijk te schenken hare gave: gevoel. Ik denk zelfs, dat zij wel wat
al te mild was. Wij moeten steeds goed toekijken en oppassen, dat die
deugd niet ontaardt in ondeugd. Gevoelig is goed, maar overgevoelig is
weer niet goed. Je zal vroeg of laat, nú misschien reeds, ervaren dat
het je zusjes dikwijls moeilijk is den gulden middenweg te bewaren.
Voor iemand van uitersten is dat zeer, zeer moeilijk. Het je oprecht
bekennen mijner fouten, sluit een bede in; heb je ze verstaan? Zij
luidt: help mij mijne fouten verbeteren, overwinnen. Wil je dat?... wil
je?--je zusjes wijzen op dingen, die niet goed zijn? Wil je? zal je
zooals wij dat wel verwachten van een oprechten broer en vriend?
Weet je nog wel dien brief van je in Januari, waarin je sprak van toon
en woordmuziek, van kunstenaar en gevoelsmenschen? Daarin heeft onze
vriend, de denker en dichter, eene les zoo fijn geweven. Dat wij die ter
harte nemen, zou je kunnen weten, als je dagelijks met ons omging. Je
zou dan weten dat het verdriet _ons_ nu _dient_, en niet wij het.
Wroeten in eigen zielewonden beteekent: het leed koesteren aan je hart.
En onze plicht is het, om met alle kracht te trachten de meerdere te
worden van het verdriet, dat ons moét dienen, opbouwen!...
Na dagen regen gehad te hebben, gingen wij eens naar onze
bloemenkinderen, die zeer geleden hadden onder het overvloedige
regenwater, kijken. Wij zagen onze gehavende rozenstruiken vol groene
knopjes. De dagen kwamen en de dagen gingen ... onze rozen stonden volop
in blad en heerlijke bloemen.... Regen, regen, hebben ze zoo noodig
gehad om tot dien heerlijken bloei te komen.
Regen, regen, heeft de ziel noodig om te groeien en te bloeien.
Nu weten we het. Onze tranen van heden dienen slechts om het zaad te
doen ontkiemen waaruit nieuwe, hoogere levenslust opbloeit in de
toekomst.
Spartel niet tegen; klaag en verwensch niet het verdriet als het tot u
komt; want het verdriet heeft recht van bestaan, heeft zijne roeping.
Laat gewillig u door het verdriet opbouwen; dàt doet het, indien het
hart goed is. Zoo waar is het: "hetzelfde vuur dat het goud zuivert,
verteert het hout tot asch".
Nu dien ik je toch te vertellen, hoe wij aan Nellie van Kol zijn
gekomen. Misschien heb je in de krant reeds het een en ander hierover
gelezen. Het volgende dient je in dat geval dan tot toelichting: In de
tweede helft van April kregen wij hier voor één avond den heer Van Kol
over. Eene Hollandsche dame, die zeer met het streven van je zusjes
sympathiseert, zond hem in dat belang hierheen. Het was een van de
prettigste kennismakingen die wij ooit hadden.
Had hij reeds lang onze harten gewonnen door hetgeen hij is voor Java
en den Javaan, die persoonlijke kennismaking verzekert hem voor goed
eene plaats in onze liefde en hoogachting. Het is heerlijk om superieure
menschen te ontmoeten. O! het doet zoo goed, zoo goed. Dat was zoo'n
groote gebeurtenis in ons leven, toen wij je lieve ouders
ontmoetten--weet je dat dàt was een keerpunt in ons leven? Diè
ontmoeting was een ontwaken tot werkelijk leven; voorheen hadden wij
slechts geleefd in naam, inderdaad hadden wij geslapen, aldoor geslapen
en gedroomd. Nú léven wij, strijden en worstelen, hopen en wanhopen,
lijden en jubelen, weenen en juichen, dàt is leven! Wij zijn gestegen
tot zonnehoogten van genieten, wij zijn gedaald in diepten van ellende.
Je weet het alles van je Moeder, en ik ben gelukkig dat ik lééf.
Van je Moeder weet ik, dat je sympathiseert met ons streven, onze ideeën
en jijzelf vertelde 't ons. 't Zal je dan zeker genoegen doen, te
vernemen, dat anderen, en niet de eersten de besten, maar superieure
menschen sympathiseeren met onze zaak. Die andere zijn: de heer Van Kol
en zijne vrouw.
Den heer Van Kol vertelden wij alles, droegen hem onze belangen op,
daarvoor was hij hier gekomen, en hij beloofde ons met alle kracht ons
streven te zullen steunen, even als ook je Vader het zal doen.
Ben je niet blij, dat de zaak van je zusjes een warmen verdediger heeft
gevonden in Holland, in 's lands vergaderzaal? Alles wat hij doen kan,
zal hij doen om je zusjes te helpen haar ideeën tot werkelijkheid te
brengen. Toen wij met hem spraken over onze harte-ideeën, vroeg hij ons
telkens weer of ik zijne vrouw schrijven wilde; zij zou voor ons eene
trouwe en reine raadgeefster kunnen zijn; het ontroerde me zoo. Hoe vol
liefde, eerbied en vereering sprak hij van zijne vrouw, zijne leidster
en raadgeefster! Dat is een man--en welk een!--die zóó sprak van eene
vrouw. Voor ons waren dat oogenblikken van hoog genieten. O! en zulke
mannen zijn er meer, mannen, die in de vrouw het hooge zien, haar
eerbiedigen dáárom.
Ik liet er geen gras over groeien, dadelijk na 't vertrek van den heer
Van Kol, schreef ik zijne vrouw. Was 't instinct, of was 't iets anders,
ik weet 't niet; wat ik wèl weet, is, dat ik heelemaal geen gevoel had
van mij tegenover een wildvreemde--wat 't feitelijk was--te bevinden,
toen ik met haar sprak; zoo ook hier met haar man. 't Was of zij een
moeder voor mij was; zonder voorbehoud stortte ik voor haar mijn gemoed
uit. Tegenover haar man, kon ik onbeschroomd vertrouwelijk zijn, me wel
verklaren. Hij was zoo eenvoudig, zoo vriendelijk; kwam ons zoo
hartelijk tegemoet, was vaderlijk voor ons. Ik ben blij, dat ik de stem
van mijn hart gevolgd had en Mevrouw Van Kol dadelijk had geschreven. We
kregen een brief van haar terug, dadelijk--en o welk een! Wij voelen ons
zoo rijk met de sympathie die van haar uitstroomt naar ons. God heeft
ons weer een warm vriendenhart geschonken en door dat vriendenhart deed
hij ons Hèm zelf vinden. Kon ik je maar zeggen, hoe gelukkig wij zijn!
Wij zijn niet jubelend gelukkig om den goeden keer, dien de zaken
genomen hebben, maar wij zijn stil, innig gelukkig, dankbaar, en vredig
gestemd om hetgeen wij gevonden hebben. Dezer dagen kregen wij weer een
brief van Nellie, een, vol mooie, heerlijke, edele gedachten. Er gaat
zoo'n stroom van reinheid van haar uit. Het is een Goddelijke genade,
dat wij deze reine, superieure vrouw mochten ontmoeten. "Dan zijn wij de
rechte menschenvrienden en helpen", zegt ze, "als wij onzen steun niet
in de eerste plaats bij de menschen zoeken, maar uitsluitend in ons zelf
en bij Vader-God". Daar zijn we Nellie innig, innig, dankbaar voor, meer
dankbaar dan voor al het andere, dat zij voor ons deed en doen zal. Dàt
wat zij ons gaf van haarzelf, was liefde in haar hart, haar ziel. Nu
weer zegt ze: "De liefste en beste menschen zijn maar zwakke, feilbare
wezens. Nestel u aan het Vader-hart. Hij zal uwe wonden helen, uwe
tranen drogen."
In de dagen, dat ik aan dezen brief bezig was, is ons iets zeer
onaangenaams overkomen, dat ons vóór onze kennismaking met Nellie,
wanhopig zou gemaakt hebben. Maar nu--wij zochten niet bij de menschen
troost--wij klemden ons vast aan Zijn hand. En daar werd de duisternis
licht, en de stormwind zachte bries.
Wij zijn niet bang, heusch niet bang; waar wij ook zijn, daar is een
Vader, die over ons waakt, die ons gadeslaat, die over ons oordeelt met
liefde.
Wat malen wij om de menschen, terwijl wij ons Godes weten!
't Is Zijn werk, dat wij doen; Hij zal ons de kracht er toe geven.
Wij zijn bereid, bereid tot alles, bereid tot geven: onszelf--tot
ontvangen: hartewonden. Tranen, bloed zullen er vloeien; veel, veel,
maar het is niets; dat alles zal leiden tot zegepraal. Géén licht, waar
niet duisternis vooraf ging. De dageraad wordt uit den nacht geboren.
Nu wij Hem gevonden hebben, is 't ons of ons leven mooier is geworden;
onze roeping schooner, heerlijker, hooger. De Geest geeft eene hooge
wijding aan alles!
Hoe denk jij over dat alles, Edie?
Ik weet één ding vast en zeker: dat is, dat je _blij_ bent voor je
zusjes om alles en alles.
Nu ga ik nog wat met je praten, en dan moet de brief weg; anders wordt
hij zoo oud, en hij is al zoo lang. Misschien verveel ik je er wel
geducht mee. Eerlijk zeggen, hoor! Oprechtheid moet de basis zijn onzer
vriendschap. Schroom nooit mij iets te zeggen, al zal 't mij pijn doen,
waar je dat heilzaam voor me weet. Zal je dat, broer? Ik zal 't juist
des te meer apprecieeren.
Van jou hebben en kunnen wij niets anders verwachten, dan dat je niet
kan en nooit zal kunnen toestaan, dat de arbeiders onder je bevelen
geslagen worden. Wij deelen in dezen volkomen je gevoelens en
opvattingen. Ik voor mij kan niet zien slaan. 't Doet zoo'n pijn, zoo'n
pijn, om het _dier_ in den mensch te zien, ongeketend, ongetemd, om den
mensch tot _dier_ verlaagd te zien worden.
Wij kunnen 't ons heelemaal niet begrijpen, hoe er menschen, ja zelfs
_vrouwen_, naar eene strafoefening kunnen gaan kijken. Wij vinden 't
min, harteloos. Je weet wel, dat gedroste ketting-gangers met
rottanslagen worden gestraft. Hartelooze menschen, die zich tot 't
uitvoeren van zulk een straf willen leenen. Min vind ik dit van den
Javaan, nog minder van den Europeaan, die zich daartoe _vernedert_. Ik
heb gezien, hoe een volstrekt niet domme, integendeel zeer ontwikkelde
Europeaan, bij een volksfeest, eerst een _kind_ en daarna een _vrouw_ en
_jong meisje_, op eene vreeselijke manier met zijn stok deed kennis
maken, omdat de stumpers niet tijdig genoeg voor dien grooten heer op
zij gingen. Ik klemde mijne tanden vast op elkaar, om geen geluid te
geven; iedere slag striemde mij door de ziel. O, 't deed zoo'n pijn!
't Is niet 't idee van griezeligheid, dat mij doet gruwen van
lichamelijke kastijding, maar wel het diep vernederende, dat er in ligt
èn voor den bestrafte, èn voor den bestraffer. Zulk soort straf
_verbittert_, maar _verbetert niet_; dit is onze overtuiging.
Als kinderen van ambtenaren in eene maatschappij, waarin het idee is
vastgeroest, dat een Raden Mas of Raden Adjeng enz. absoluut een wezen
is van hoogere orde, dat aanspraak, _recht_, heeft op goddelijke
vereering, van het volk, hebben wij meer dan ons lief was scènes
bijgewoond, die ons deden rillen van verontwaardiging. Bij zulke
gelegenheden zijn we doodstil; kunnen praten noch lachen;
verontwaardiging en meelij snoeren ons den mond. Een kennis van ons
snapte dit eens, en zei: "Wij moeten het wel doen; hoe zouden wij met
ons tientallen anders de orde en rust kunnen handhaven over duizenden en
duizenden? Ze zouden ons reeds lang het land hebben uitgejaagd, de zee
ingeworpen, zoo zij die _vrees_ voor ons niet hadden."
Gehoorzaam uit _vrees_! Waar zal de tijd zijn, dat 't Goddelijk gebod,
dat Liefde heet, zal doordringen tot millioenen en millioenen harten?
Duizend negen honderd en twee jaren is de schoone liefdeleer gepredikt,
nog hoeveel honderdduizenden jaren moeten er komen, vóór Liefde het
eigendom wordt, niet van bijzondere harten alleen, maar van de groote
menigte?
Je moeder kent ons heele leven; heeft zij je wel eens wat verteld van
onze kinderjaren, toen wij leden onder een despotische regeering van
oudere broers en zusters?
Bij ons geldt het als _wet_; jongeren moeten ouderen gehoorzamen in
alles. Dat was heelemaal niets voor zusje Kartini, bij wie al heel vroeg
de vrijheidsdrang is ontwaakt. Het gevolg daarvan was, dat ik steeds
overhoop lag met mijne oudere broers en zuster, omdat ik niet verkoos te
gehoorzamen, wat hun goed dunkte, dan alleen wanneer ik de billijkheid
er van inzag. Zoo stond ik daar, een kind van even 12 jaar, alleen
tegenover eene vijandelijke macht. Ook toen had God mij niet verlaten.
Hij hielp mij dien moeilijken tijd doorkomen. Bittere, bittere tranen
werden door ons kinderen geschreid. Weet je wie altijd een vriend van
ons is geweest? onze hulp en bijstand? Kartono, maar hij was
meestentijds niet thuis, zat op Semarang. Onze vriendschap is dus al
heel oud, zij dateert uit onze vroegste jeugd. Mijn oudste zus trouwde,
mijn oudste broer ging hier vandaan, en van dien stond af begonnen wij
hier een nieuw leven. De leus was: "vrijheid, gelijkheid en
_zusterschap_! Wij willen geliefd zijn, bemind en nièt _gevreesd_.
't Is niet om er op te bluffen, maar alles wijst er op, dat onze
kleintjes liever met en bij ons zijn, dan met en bij de anderen. Orde is
er, harmonie, en géén _vrees_. Liefde is de band, die het geheel
bijeenhoudt. Wat een liefs hebben wij van onze kleintjes ondervonden!
Zij hebben ons veel geleerd. Ook zij, die ons kinderleven jaren
verbitterden, waren onze leermeesters. Zij hebben ons geleerd, hoe wij
doen moesten, d.i. niet als zij. Weer een bewijs, dat leed recht heeft
van bestaan.
Zij, die ons vroeger heftig bestreden, komen nu tot ons met liefde en
vriendschap. Zij zeggen het niet in woorden, maar daden getuigen
daarvan. In iederen brief vraagt onze schoonzus ons over te komen; ons
zijn bij hen doet goed aan haar en haar huis, zegt ze telkens.
God is groot, God is machtig!
Zou dat stukje leven, onze geschiedenis, niet de levensgeschiedenis
kunnen worden van twee volken, het Hollandsche en het Javaansche volk?
Zou 't mogelijk zijn dat eens wederzijdsche achting en liefde Java en
Nederland verbinden?
Hoe wij 't hebben aangelegd om tot dat heerlijks te komen, weten wij
heusch niet. Meermalen werd ons de vraag gedaan. Wij weten alleen maar,
dat wij _lief_ hebben, heel lief nebben. En dit is het geheele geheim,
geloof ik.
Nu, beste broer, ik hoop hartelijk, dat deze lange praat je niet zal
afschrikken van eene verdere correspondentie met je zusjes, maar dat hij
je een bewijs en eene bevestiging zal zijn van ons oprecht meenen, waar
wij je zeggen, dat wij je geheel als broer en vriend beschouwen.
Hartelijk hopen wij, dat meer brieven van Sawah Loento de bestemming
Japara zullen hebben te volgen. Spreek met ons over alles, vertel ons
van alles, van je werk, het leven, je omgeving.
't Is jammer, dat fotografeeren zoo'n dure liefhebberij is; wij zouden
er anders dolgraag aan doen, om typische, echt Javaansche kiekjes te
maken. Wij, als landskinderen, hebben overal toegang tot ons volk; waar
gij lieden niet kunt komen, daar kunnen wij wel komen.
[1] Doenia = gewoonlijk aarde in tegenstelling van het hiernamaals; hier
is blijkbaar bedoeld onze "wereld".