17 Augustus 1902. (X.)

Goeden morgen; hier is zus weer om wat met je praten. 't Is een

heerlijke frissche ochtend; ik zit hier in een gezellig hoekje bij 't

venster, waar ik 't gezicht heb op den tuin. Een volgenden keer zal ik

je toch eens onze omgeving beschrijven, ons huis, onze doenia[1] en ...

ons klooster! Nu ga ik mijn praatje van gisteren vervolgen. O!

aandoenlijk is de blijdschap der oudjes over den terugkeer der verdoolde

schaapjes op het rechte pad.

Een oudje hier bood ons uit pure vreugde daarover, hare collectie boeken

aan, oude Javaansche handschriften, vele met Arabische karakters

geschreven. Dit gaan we nu weer leeren lezen en schrijven. Je weet

misschien dat Javaansche boeken zeer moeilijk zijn te krijgen, doordat

zij met de hand geschreven zijn; slechts enkelen zijn gedrukt. Wij zijn

nu bezig een mooi gedicht te lezen, wijze lessen in bloementaal. Wat

wenschte ik dat je onze taal kende; o, zoo innig graag zou ik je van al

dat moois laten genieten in het oorspronkelijke; vertaald is het niet

meer wat het was. Voel je iets voor 't leeren van de Javaansche taal?

Moeilijk is zij zeer zeker, maar o, zoo mooi! Het is een gevoelstaal vol

poëzie en ... snedigheid. Verbaasd staan wij, eigen kinderen van het

land, dikwijls over de snedigheid onzer landslieden. Je kunt je niets

bedenken, of zij kunnen daarvan wat maken. Noem maar iets op, in den

blinde, wijs een voorwerp aan, en een geestige Javaan, die je vooral

veel vindt onder het eigenlijke volk, weet daarop onmiddellijk een rijm

te maken, dat verbaast door snedigheid en geestigheid. Het is aan

Oostersche volken eigen denk ik. Jammer maar dat toen die kostelijke

gave hier werd uitgedeeld, je zusjes heel achteraan stonden. Volstrekt

geen visschen naar een complimentje hoor; wij meenen het oprecht. Om dat

te bewijzen dit: Waar de feeën ons stiefmoederlijk bedeelden met

geestigheid, maakte een andere zuster fee het euvel weer goed, door ons

rijkelijk te schenken hare gave: gevoel. Ik denk zelfs, dat zij wel wat

al te mild was. Wij moeten steeds goed toekijken en oppassen, dat die

deugd niet ontaardt in ondeugd. Gevoelig is goed, maar overgevoelig is

weer niet goed. Je zal vroeg of laat, nú misschien reeds, ervaren dat

het je zusjes dikwijls moeilijk is den gulden middenweg te bewaren.

Voor iemand van uitersten is dat zeer, zeer moeilijk. Het je oprecht

bekennen mijner fouten, sluit een bede in; heb je ze verstaan? Zij

luidt: help mij mijne fouten verbeteren, overwinnen. Wil je dat?... wil

je?--je zusjes wijzen op dingen, die niet goed zijn? Wil je? zal je

zooals wij dat wel verwachten van een oprechten broer en vriend?

Weet je nog wel dien brief van je in Januari, waarin je sprak van toon

en woordmuziek, van kunstenaar en gevoelsmenschen? Daarin heeft onze

vriend, de denker en dichter, eene les zoo fijn geweven. Dat wij die ter

harte nemen, zou je kunnen weten, als je dagelijks met ons omging. Je

zou dan weten dat het verdriet _ons_ nu _dient_, en niet wij het.

Wroeten in eigen zielewonden beteekent: het leed koesteren aan je hart.

En onze plicht is het, om met alle kracht te trachten de meerdere te

worden van het verdriet, dat ons moét dienen, opbouwen!...

Na dagen regen gehad te hebben, gingen wij eens naar onze

bloemenkinderen, die zeer geleden hadden onder het overvloedige

regenwater, kijken. Wij zagen onze gehavende rozenstruiken vol groene

knopjes. De dagen kwamen en de dagen gingen ... onze rozen stonden volop

in blad en heerlijke bloemen.... Regen, regen, hebben ze zoo noodig

gehad om tot dien heerlijken bloei te komen.

Regen, regen, heeft de ziel noodig om te groeien en te bloeien.

Nu weten we het. Onze tranen van heden dienen slechts om het zaad te

doen ontkiemen waaruit nieuwe, hoogere levenslust opbloeit in de

toekomst.

Spartel niet tegen; klaag en verwensch niet het verdriet als het tot u

komt; want het verdriet heeft recht van bestaan, heeft zijne roeping.

Laat gewillig u door het verdriet opbouwen; dàt doet het, indien het

hart goed is. Zoo waar is het: "hetzelfde vuur dat het goud zuivert,

verteert het hout tot asch".

Nu dien ik je toch te vertellen, hoe wij aan Nellie van Kol zijn

gekomen. Misschien heb je in de krant reeds het een en ander hierover

gelezen. Het volgende dient je in dat geval dan tot toelichting: In de

tweede helft van April kregen wij hier voor één avond den heer Van Kol

over. Eene Hollandsche dame, die zeer met het streven van je zusjes

sympathiseert, zond hem in dat belang hierheen. Het was een van de

prettigste kennismakingen die wij ooit hadden.

Had hij reeds lang onze harten gewonnen door hetgeen hij is voor Java

en den Javaan, die persoonlijke kennismaking verzekert hem voor goed

eene plaats in onze liefde en hoogachting. Het is heerlijk om superieure

menschen te ontmoeten. O! het doet zoo goed, zoo goed. Dat was zoo'n

groote gebeurtenis in ons leven, toen wij je lieve ouders

ontmoetten--weet je dat dàt was een keerpunt in ons leven? Diè

ontmoeting was een ontwaken tot werkelijk leven; voorheen hadden wij

slechts geleefd in naam, inderdaad hadden wij geslapen, aldoor geslapen

en gedroomd. Nú léven wij, strijden en worstelen, hopen en wanhopen,

lijden en jubelen, weenen en juichen, dàt is leven! Wij zijn gestegen

tot zonnehoogten van genieten, wij zijn gedaald in diepten van ellende.

Je weet het alles van je Moeder, en ik ben gelukkig dat ik lééf.

Van je Moeder weet ik, dat je sympathiseert met ons streven, onze ideeën

en jijzelf vertelde 't ons. 't Zal je dan zeker genoegen doen, te

vernemen, dat anderen, en niet de eersten de besten, maar superieure

menschen sympathiseeren met onze zaak. Die andere zijn: de heer Van Kol

en zijne vrouw.

Den heer Van Kol vertelden wij alles, droegen hem onze belangen op,

daarvoor was hij hier gekomen, en hij beloofde ons met alle kracht ons

streven te zullen steunen, even als ook je Vader het zal doen.

Ben je niet blij, dat de zaak van je zusjes een warmen verdediger heeft

gevonden in Holland, in 's lands vergaderzaal? Alles wat hij doen kan,

zal hij doen om je zusjes te helpen haar ideeën tot werkelijkheid te

brengen. Toen wij met hem spraken over onze harte-ideeën, vroeg hij ons

telkens weer of ik zijne vrouw schrijven wilde; zij zou voor ons eene

trouwe en reine raadgeefster kunnen zijn; het ontroerde me zoo. Hoe vol

liefde, eerbied en vereering sprak hij van zijne vrouw, zijne leidster

en raadgeefster! Dat is een man--en welk een!--die zóó sprak van eene

vrouw. Voor ons waren dat oogenblikken van hoog genieten. O! en zulke

mannen zijn er meer, mannen, die in de vrouw het hooge zien, haar

eerbiedigen dáárom.

Ik liet er geen gras over groeien, dadelijk na 't vertrek van den heer

Van Kol, schreef ik zijne vrouw. Was 't instinct, of was 't iets anders,

ik weet 't niet; wat ik wèl weet, is, dat ik heelemaal geen gevoel had

van mij tegenover een wildvreemde--wat 't feitelijk was--te bevinden,

toen ik met haar sprak; zoo ook hier met haar man. 't Was of zij een

moeder voor mij was; zonder voorbehoud stortte ik voor haar mijn gemoed

uit. Tegenover haar man, kon ik onbeschroomd vertrouwelijk zijn, me wel

verklaren. Hij was zoo eenvoudig, zoo vriendelijk; kwam ons zoo

hartelijk tegemoet, was vaderlijk voor ons. Ik ben blij, dat ik de stem

van mijn hart gevolgd had en Mevrouw Van Kol dadelijk had geschreven. We

kregen een brief van haar terug, dadelijk--en o welk een! Wij voelen ons

zoo rijk met de sympathie die van haar uitstroomt naar ons. God heeft

ons weer een warm vriendenhart geschonken en door dat vriendenhart deed

hij ons Hèm zelf vinden. Kon ik je maar zeggen, hoe gelukkig wij zijn!

Wij zijn niet jubelend gelukkig om den goeden keer, dien de zaken

genomen hebben, maar wij zijn stil, innig gelukkig, dankbaar, en vredig

gestemd om hetgeen wij gevonden hebben. Dezer dagen kregen wij weer een

brief van Nellie, een, vol mooie, heerlijke, edele gedachten. Er gaat

zoo'n stroom van reinheid van haar uit. Het is een Goddelijke genade,

dat wij deze reine, superieure vrouw mochten ontmoeten. "Dan zijn wij de

rechte menschenvrienden en helpen", zegt ze, "als wij onzen steun niet

in de eerste plaats bij de menschen zoeken, maar uitsluitend in ons zelf

en bij Vader-God". Daar zijn we Nellie innig, innig, dankbaar voor, meer

dankbaar dan voor al het andere, dat zij voor ons deed en doen zal. Dàt

wat zij ons gaf van haarzelf, was liefde in haar hart, haar ziel. Nu

weer zegt ze: "De liefste en beste menschen zijn maar zwakke, feilbare

wezens. Nestel u aan het Vader-hart. Hij zal uwe wonden helen, uwe

tranen drogen."

In de dagen, dat ik aan dezen brief bezig was, is ons iets zeer

onaangenaams overkomen, dat ons vóór onze kennismaking met Nellie,

wanhopig zou gemaakt hebben. Maar nu--wij zochten niet bij de menschen

troost--wij klemden ons vast aan Zijn hand. En daar werd de duisternis

licht, en de stormwind zachte bries.

Wij zijn niet bang, heusch niet bang; waar wij ook zijn, daar is een

Vader, die over ons waakt, die ons gadeslaat, die over ons oordeelt met

liefde.

Wat malen wij om de menschen, terwijl wij ons Godes weten!

't Is Zijn werk, dat wij doen; Hij zal ons de kracht er toe geven.

Wij zijn bereid, bereid tot alles, bereid tot geven: onszelf--tot

ontvangen: hartewonden. Tranen, bloed zullen er vloeien; veel, veel,

maar het is niets; dat alles zal leiden tot zegepraal. Géén licht, waar

niet duisternis vooraf ging. De dageraad wordt uit den nacht geboren.

Nu wij Hem gevonden hebben, is 't ons of ons leven mooier is geworden;

onze roeping schooner, heerlijker, hooger. De Geest geeft eene hooge

wijding aan alles!

Hoe denk jij over dat alles, Edie?

Ik weet één ding vast en zeker: dat is, dat je _blij_ bent voor je

zusjes om alles en alles.

Nu ga ik nog wat met je praten, en dan moet de brief weg; anders wordt

hij zoo oud, en hij is al zoo lang. Misschien verveel ik je er wel

geducht mee. Eerlijk zeggen, hoor! Oprechtheid moet de basis zijn onzer

vriendschap. Schroom nooit mij iets te zeggen, al zal 't mij pijn doen,

waar je dat heilzaam voor me weet. Zal je dat, broer? Ik zal 't juist

des te meer apprecieeren.

Van jou hebben en kunnen wij niets anders verwachten, dan dat je niet

kan en nooit zal kunnen toestaan, dat de arbeiders onder je bevelen

geslagen worden. Wij deelen in dezen volkomen je gevoelens en

opvattingen. Ik voor mij kan niet zien slaan. 't Doet zoo'n pijn, zoo'n

pijn, om het _dier_ in den mensch te zien, ongeketend, ongetemd, om den

mensch tot _dier_ verlaagd te zien worden.

Wij kunnen 't ons heelemaal niet begrijpen, hoe er menschen, ja zelfs

_vrouwen_, naar eene strafoefening kunnen gaan kijken. Wij vinden 't

min, harteloos. Je weet wel, dat gedroste ketting-gangers met

rottanslagen worden gestraft. Hartelooze menschen, die zich tot 't

uitvoeren van zulk een straf willen leenen. Min vind ik dit van den

Javaan, nog minder van den Europeaan, die zich daartoe _vernedert_. Ik

heb gezien, hoe een volstrekt niet domme, integendeel zeer ontwikkelde

Europeaan, bij een volksfeest, eerst een _kind_ en daarna een _vrouw_ en

_jong meisje_, op eene vreeselijke manier met zijn stok deed kennis

maken, omdat de stumpers niet tijdig genoeg voor dien grooten heer op

zij gingen. Ik klemde mijne tanden vast op elkaar, om geen geluid te

geven; iedere slag striemde mij door de ziel. O, 't deed zoo'n pijn!

't Is niet 't idee van griezeligheid, dat mij doet gruwen van

lichamelijke kastijding, maar wel het diep vernederende, dat er in ligt

èn voor den bestrafte, èn voor den bestraffer. Zulk soort straf

_verbittert_, maar _verbetert niet_; dit is onze overtuiging.

Als kinderen van ambtenaren in eene maatschappij, waarin het idee is

vastgeroest, dat een Raden Mas of Raden Adjeng enz. absoluut een wezen

is van hoogere orde, dat aanspraak, _recht_, heeft op goddelijke

vereering, van het volk, hebben wij meer dan ons lief was scènes

bijgewoond, die ons deden rillen van verontwaardiging. Bij zulke

gelegenheden zijn we doodstil; kunnen praten noch lachen;

verontwaardiging en meelij snoeren ons den mond. Een kennis van ons

snapte dit eens, en zei: "Wij moeten het wel doen; hoe zouden wij met

ons tientallen anders de orde en rust kunnen handhaven over duizenden en

duizenden? Ze zouden ons reeds lang het land hebben uitgejaagd, de zee

ingeworpen, zoo zij die _vrees_ voor ons niet hadden."

Gehoorzaam uit _vrees_! Waar zal de tijd zijn, dat 't Goddelijk gebod,

dat Liefde heet, zal doordringen tot millioenen en millioenen harten?

Duizend negen honderd en twee jaren is de schoone liefdeleer gepredikt,

nog hoeveel honderdduizenden jaren moeten er komen, vóór Liefde het

eigendom wordt, niet van bijzondere harten alleen, maar van de groote

menigte?

Je moeder kent ons heele leven; heeft zij je wel eens wat verteld van

onze kinderjaren, toen wij leden onder een despotische regeering van

oudere broers en zusters?

Bij ons geldt het als _wet_; jongeren moeten ouderen gehoorzamen in

alles. Dat was heelemaal niets voor zusje Kartini, bij wie al heel vroeg

de vrijheidsdrang is ontwaakt. Het gevolg daarvan was, dat ik steeds

overhoop lag met mijne oudere broers en zuster, omdat ik niet verkoos te

gehoorzamen, wat hun goed dunkte, dan alleen wanneer ik de billijkheid

er van inzag. Zoo stond ik daar, een kind van even 12 jaar, alleen

tegenover eene vijandelijke macht. Ook toen had God mij niet verlaten.

Hij hielp mij dien moeilijken tijd doorkomen. Bittere, bittere tranen

werden door ons kinderen geschreid. Weet je wie altijd een vriend van

ons is geweest? onze hulp en bijstand? Kartono, maar hij was

meestentijds niet thuis, zat op Semarang. Onze vriendschap is dus al

heel oud, zij dateert uit onze vroegste jeugd. Mijn oudste zus trouwde,

mijn oudste broer ging hier vandaan, en van dien stond af begonnen wij

hier een nieuw leven. De leus was: "vrijheid, gelijkheid en

_zusterschap_! Wij willen geliefd zijn, bemind en nièt _gevreesd_.

't Is niet om er op te bluffen, maar alles wijst er op, dat onze

kleintjes liever met en bij ons zijn, dan met en bij de anderen. Orde is

er, harmonie, en géén _vrees_. Liefde is de band, die het geheel

bijeenhoudt. Wat een liefs hebben wij van onze kleintjes ondervonden!

Zij hebben ons veel geleerd. Ook zij, die ons kinderleven jaren

verbitterden, waren onze leermeesters. Zij hebben ons geleerd, hoe wij

doen moesten, d.i. niet als zij. Weer een bewijs, dat leed recht heeft

van bestaan.

Zij, die ons vroeger heftig bestreden, komen nu tot ons met liefde en

vriendschap. Zij zeggen het niet in woorden, maar daden getuigen

daarvan. In iederen brief vraagt onze schoonzus ons over te komen; ons

zijn bij hen doet goed aan haar en haar huis, zegt ze telkens.

God is groot, God is machtig!

Zou dat stukje leven, onze geschiedenis, niet de levensgeschiedenis

kunnen worden van twee volken, het Hollandsche en het Javaansche volk?

Zou 't mogelijk zijn dat eens wederzijdsche achting en liefde Java en

Nederland verbinden?

Hoe wij 't hebben aangelegd om tot dat heerlijks te komen, weten wij

heusch niet. Meermalen werd ons de vraag gedaan. Wij weten alleen maar,

dat wij _lief_ hebben, heel lief nebben. En dit is het geheele geheim,

geloof ik.

Nu, beste broer, ik hoop hartelijk, dat deze lange praat je niet zal

afschrikken van eene verdere correspondentie met je zusjes, maar dat hij

je een bewijs en eene bevestiging zal zijn van ons oprecht meenen, waar

wij je zeggen, dat wij je geheel als broer en vriend beschouwen.

Hartelijk hopen wij, dat meer brieven van Sawah Loento de bestemming

Japara zullen hebben te volgen. Spreek met ons over alles, vertel ons

van alles, van je werk, het leven, je omgeving.

't Is jammer, dat fotografeeren zoo'n dure liefhebberij is; wij zouden

er anders dolgraag aan doen, om typische, echt Javaansche kiekjes te

maken. Wij, als landskinderen, hebben overal toegang tot ons volk; waar

gij lieden niet kunt komen, daar kunnen wij wel komen.

[1] Doenia = gewoonlijk aarde in tegenstelling van het hiernamaals; hier

is blijkbaar bedoeld onze "wereld".

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 76 / 136 题