15 Augustus 1902. (X.)

Hoera! voor de Inlandsche kunst en nijverheid; ze gaan beslist een

schoone toekomst tegemoet!

Ik kan je niet zeggen hoe blij, dankbaar en gelukkig ik hierover ben.

Wij bewonderen zoo graag ons volk, wij zijn er zoo gaarne trotsch op!

Ons volk zoo weinig gekend en ... zooveel miskend!...

De toekomst onzer Japarasche artisten is verzekerd.

De Heer Zimmermann[1] was in extase over hetgeen hij hier zag van den

artistieken arbeid van het zooveel gering geschatte bruine ras.

Houtsnij-, goudsmeed- en textiele kunst staan hier op eene beduidende

hoogte. Onze artisten hebben hier een groote bestelling gekregen van

Oost en West voor St. Nicolaas. Wij _genieten_; nu kunnen de knappe

artisten mooie idee's ten uitvoer brengen, poëtische gedachten in

schoone vormen belichamen, sierlijke lijnen, golvingen en wendingen,

schitterende, gloeiende kleurschakeeringen.

O, 't is lust, 't is heerlijkheid om voor en in alles het mooie, het

goede te zoeken. Die Godsvonk is er in ieder en alles, zelfs in wat

oogenschijnlijk allerslechtst is. Deze waarheid moet tot velen, velen

doordringen, en die velen moeten het opvatten als plicht, eene, die het

leven mooi maakt èn voor anderen èn voor zichzelf.

Daar is een kind gekomen bij eene bejaarde vrouw, dat op haar vraag, wat

ze hebben wilde, daar zij niets bezat, geen lekkers, geen sieraden, geen

kleeren, antwoordde: "Ik verlang lekkers noch sieraden, noch kleeren. O

Moeder, geef mij een bloem, die open gaat in het hart."

Hoe vindt je het?--o--en je moest het eens hooren in het

oorspronkelijke, het verzoek van dat kind klinkt zoo zoet, diepe zin in

bloementaal: "Njoewoen sekar melati, hingkang mekar hing poendjering

ati."

En zoo iets hoor je slag op slag. Wij zijn nu bezig, alles op te

schrijven, wat wij hooren, moois uit den volksmond. Het woord "gedicht"

bestaat in onze taal niet, wij zeggen "bloementaal", en is het niet

juist gezegd?

Wij zijn nu ook bezig zangen te leeren, geen jubelzangen; heb je die wel

ooit gehoord van ons volk? De gamelan jubelt nooit; zelfs bij de dolste

feesten, klinkt er weemoed in zijn zang, misschien wel dáárom. Weemoed

is het leven, géén jubelzang!

De vorige bladzijden heb ik geschreven onder zoet streelend weemoedig

gezang. 't Was avond; vensters en deuren stonden open; de bloeiende

tjempaka voor onze kamer zond met 't zachte koeltje, dat ruischte in

haar groen, ons haren geurigen adem ten groet--ik zat op den grond,

zooals nu, aan een laag tafeltje, links van mij zusje Roekmini, eveneens

schrijvend, rechts van mij Annie Glaser, ook op den grond, te naaien, en

vóór me een vrouw, die ons voorlas uit een boek op zang. Het was

_heerlijk_! Een droom van mooi, belichaamd in reine, serene, sonore

klanken, die onze trillende zielen mee omhoog voerden in het rijk der

gelukzaligen.

Hoe wenschte ik toen dat jij mede in ons kringetje aanzat, je zoudt met

ons meevoelen, meegenieten, en meedroomen. Droomen! Het leven is geen

droom, maar koude, nuchtere werkelijkheid, maar de werkelijkheid hoeft

niet leelijk te zijn als men dat niet wil; zij is het niet, zij is mooi,

altijd waar wij het mooie _in ons_ hebben.

O, daarom zou ik wenschen, dat bij de opvoeding wel degelijk werd gelet

op karaktervorming, en wel in de eerste plaats op de ontwikkeling van de

wilskracht. Deze moet de opvoeding in het kind ontwikkelen, aldoor,

aldoor....

Doch ik ben hier op een ander terrein gekomen. Ik wilde met je spreken

over ons volk, en niet over de opvoeding; daarover later, niet waar?

Er is hier een oudje aan wie ik bloemen bedelde, die geuren in het hart.

Veel gaf zij mij reeds en zij heeft nog meer, veel meer, en ik wil meer,

immer meer. Zij zal mij dan meer willen geven, maar ik moet het

verdienen, haar bloemen moet ik koopen.... Waarmee?... Waarmee moet ik

betalen?....

En hoog ernstig klonk het uit haar mond: "Vast één dag en één nacht en

breng dien tijd wakend en in eenzaamheid door."

"Door nacht tot licht,

Door storm tot rust,

Door strijd tot eer.

Door leed tot lust",

ruischte als een requiem mij in het oor.

Dat is de zin, de gedachte in de woorden dier oude vrouw. Dat vasten en

waken is het symboliek van: "door ontberen, lijden, nadenken tot het

licht!" Geen licht, waar niet duisternis vooraf ging; mooi vindt je

niet? Onthouding is overwinning van den geest over de stof; eenzaamheid

is de school van het nadenken.

Als kind deed ik al die dingen werktuigelijk, zonder vragen, omdat

anderen vóór mij en met mij hetzelfde hebben gedaan. Toen kwam er een

tijd, waarin mijn geest begon te vragen: "Waarom doe ik dit, waarom is

dit en dat zoo?" Waarom--waarom --tot in het oneindige!

En ik verkoos toen niet meer, dingen te doen waarvan ik tekst noch

uitleg kende. Ik wilde niets meer werktuigelijk doen zonder te weten

waarom, waarvoor, waartoe. Ik wilde geen Koran meer leeren lezen,

spreuken in een vreemde taal leeren opzeggen, waarvan ik de beteekenis

niet begreep, en waarschijnlijk mijne leermeesters en leermeesteres ook

niet. "Zeg mij de beteekenis en ik zal alles willen leeren." Ik had

gezondigd; het boek der boeken is te heilig om verstaanbaar voor ons

gemaakt te worden.

Wij verkozen niet meer te vasten en andere dingen te doen die wij eens

gedachtenloos deden en die wij nu dènkend niet meer konden doen. Men was

wanhopig--wij waren wanhopig--niemand wilde ons verklaren wat ons

onbegrijpelijk was.

Onze God was ons geweten, onze hel en hemel waren ons geweten. Deden we

kwaad, ons geweten strafte ons; deden we goed, ons geweten beloonde ons.

De jaren kwamen en zij gingen.... Wij heetten Mohammedanen, omdat wij

afstammelingen daarvan zijn, en wij waren Mohammedanen in naam, meer

niet. God, Allah waren voor ons een aanroep, een woord, een klank zonder

zin.... Zoo leefden wij voort--totdat de dag aanbrak, die een ommekeer

bracht in ons zieleleven.

Wij hebben Hem gevonden, waar onze zielen onbewust, lange, lange jaren

naar smachtten.

Zóólang en zóóver hebben wij gezocht; wij wisten niet; het was zóó

nabij, steeds om en bij ons. _Het is in ons_.

Wie ons Hem heeft doen vinden? Wel was het reeds lang aan het gisten in

ons--maar die ons heeft doen vinden het zoo lang gezochte, is: Nellie

van Kol. En wie ons nu leidt en den weg wijst tot Hem, het is Mama.

Wat zijn wij toch stom, toch dom, om een heel leven lang een berg

schatten naast ons te hebben en het niet te zien, niet te weten.

Domme, dwaze eigenwijze, pedante personen, die we zijn. O, je weet niet

hoe gelukkig Mama en met haar àl de oudjes hier zijn om dezen ommekeer

in ons gemoedsleven. Geen woord van verwijt uit hun mond, en waar wij

onszelf de hevigste verwijten doen over onze inbeelding, pedanterie en

eigenwijsheid, zeggen zij zacht, troostend, verzoenend: "Het heeft God

nú eerst behaagd jullie harten te openen, weest daar dankbaar voor!"

O, kon ik je maar ten volle zeggen hoe rustig en vredig het thans in ons

is, hoe dankbaar en gelukkig, hoe veilig en gerust wij ons voelen, nu

wij Hèm gevonden hebben; nu wij weten--voelen, dat er steeds Iemand bij

ons is en over ons waakt. Die Iemand zal onze steun, onze troost, onze

veilige toevlucht zijn in ons verder leven; dàt voelen wij.

[1] De heer V. Zimmermann te Batavia is een der eersten die zich

krachtig en met volle toewijding lieten gelegen liggen aan de Inlandsche

kunst en kunstnijverheid.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 75 / 136 题