15 Augustus 1902. (I.)

Nellie's[1] geestdriftige woorden in Oost en West zijn hier door

verschillende bladen opgenomen, en schrijft o.a. "de Echo" er een warm

woord onder, voor ons de sympathie en medewerking vragend, van alle

vrouwen in Indië. Het doet goed. De "Echo" plaatste evenals Nellie een

woordje uit mijn brief in haar artikel en verzocht dien in zijn geheel

of gedeeltelijk te mogen publiceeren. Ik vind beter van niet, één brief

gepubliceerd is genoeg, en die van Nellie geeft volle licht op de zaak.

Weer iemand anders vroeg mijne toestemming tot het plaatsen van een

brief van me over eene Javaansche bruiloft. Hilda de Booy is

het--dochter van den heer Charles Boissevain, directeur van het Algemeen

Handelsblad. Zij zond de copie van dien brief naar huis, en nu schrijft

haar broer, die secretaris is der directie, dat ik met het plaatsen van

dien brief mijn volk goed zou doen. Beter dan uit wat ook, zullen de

Nederlanders uit zulke brieven begrijpen, dat het Javaansche volk in

sommige opzichten hun meerdere is, in vele opzichten hun gelijke, en

slechts _misschien_ in meer hun mindere is. Aldus de heer Boissevain.

Wat denk je er van, Stella?

Ik ben bezig aan een artikel voor Belang en Recht; ik hoop, dat het

geplaatst zal worden! ik werk er met pleizier aan. Wordt het niet

aangenomen, dan werk ik het om voor een ander blad of tijdschrift.

Voor Nellie zijn we bezig Javaansche sprookjes te verzamelen, en zusje

R. is bezig met teekenen daarvoor.

O, Stella, wat een schat van moois hoorden wij uit den volksmond;

wijsheden, waarheden, zoo klaar, in eenvoudige en toch o, zoo melodieuse

woorden! Jou taal goed, goed onder de knie hebben, en dan die mooie,

gewijde muziek verstaanbaar voor ulieden maken! Als jullie eens de ziel

van ons volk kennen, hoe zal jullie je dan tot ons aangetrokken

gevoelen. Wij zijn zoo dicht nog bij de natuur, den oorsprong; onze

wijsheid kost geen hoofdbreken om ze te verstaan. In simpele woorden,

maar o, hoe schoon van klank en rythmus.

Kon ik je maar mijn taal leeren, dat je van ons moois genieten kon in

zijn oorspronkelijken staat. Hoe meer ik doordring tot de diepste

diepten van de ziel van ons volk, hoe meer superieur ik ze vind. Bij

jullie worden wijzen en dichters aangetroffen, meestal in zekere

standen, en wordt beschaving gevonden bij zekere klassen; de groote

meerderheid, dat is het volk, is, mag ik zeggen?--ruw. Er zijn

superieuren bij die volksklasse, maar het gros, Stella? gij weet 't

beter dan ik.

Maar ga jij eens met me ronddwalen in kampong en dessa, laten wij de

schamele hutten der armen binnengaan, hoor hun spreken, hunne

gedachten.... 't Zijn ongeschoolde menschen, allemaal, maar wat

woordmuziek kan er uit vele monden ruischen, wat een zielemooi ligt

daarin uitgedrukt. Zacht, bescheiden van aard, eenvoudig en nederig! Als

ik bij je ben eenmaal, zal ik je zooveel, zooveel van ons zacht volk

vertellen, van zijn denk- en zienswijze. Je moet ze kennen en liefhebben

als wij.

Dichters en artisten vindt je er zooveel onder hen, en waar een volk

gevoel heeft voor poëzie, het schoonst en lieflijkst in 't leven, kan

het _niet_ laag staan in innerlijke beschaving.

Al wat hoog en mooi is in 't leven is _poëzie_. Liefde, toewijding,

trouw, geloof, kunst, _alles_ wat _verheft, veredelt_ en _vermooit_, is

_poëzie_. En 't Javaansche volk en poëzie zijn zoo innig samengeweven.

De minste, allerminste Javaan is poëtisch. Wat denk je van den roerenden

eerbied, die jongeren, ouderen bewijzen? Wat denk je van de roerende

piëteit van levenden voor afgestorvenen?

Geen blij gebeuren, waarbij niet onze afgestorvenen worden herdacht, hun

zegen en die des hemels worden afgesmeekt. In vreugde en leed steeds

gedenken wij onze dooden.

En de moedernaam, wat is hij heilig! In uren van vertwijfeling, van

pijn, prevelen de bleeke lippen steeds dien naam. 't Is Moeder, en weer

Moeder, die aangeroepen wordt, hebben wij hulp, hebben wij steun noodig!

In het aanroepen van haar naam in ernstige, smartelijke oogenblikken

ligt de vereering van het moeder zijn. Waarom roepen wij niet onzen

vader aan, waarom juist onze moeder? omdat de mensch van jongs af aan

instinctmatig voelt, dat moeder beteekent een wereld van liefde en

toewijding!

Elk voorwerp dat je hand ontvalt oprapen onder den uitroep: "O, Allah,

mijn kind!" Wat of dat te beteekenen heeft, waar het van getuigt, hoef

ik het je nog nader te verklaren?

Stella, ik leg mij ernstig toe op jou taal, dat ik haar eenmaal zoo

machtig ben, dat ik al het moois van ons kan verstaanbaar maken voor

ulieden. Ik leg mij ook ernstig toe op mijn eigen taal, ik wil ons volk

het blanke ras leeren kennen, zooals ik het ken in zijn mooi- en

edelheid. Zij moeten jullie edelen en grooten kennen, eeren en

liefhebben, dat zullen zij.

Ik zou soms nog een dubbel stel handen willen hebben, om alles te kunnen

doen, wat ik wil. De wil is groot, maar de kracht is klein. Ik mag er

mijne gezondheid niet aan wagen, dat is het domste wat ik doen kan. En

toch ben ik zoo dikwijls dom; vaak tot laat in den nacht zit ik te

werken, en dat is niet goed voor me. Zoo zal ik mijn doel

voorbijstreven; ik wil veel werken, en 't eind van 't lied zou kunnen

zijn, dat ik niet kan werken wegens lichaamszwakte. Dat zou vreeselijk

zijn. Daarom doe ik nu mijn best om me te matigen en verstandig te

leven.

[1] Mevrouw N. van Kol.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 74 / 136 题