Nellie's[1] geestdriftige woorden in Oost en West zijn hier door
verschillende bladen opgenomen, en schrijft o.a. "de Echo" er een warm
woord onder, voor ons de sympathie en medewerking vragend, van alle
vrouwen in Indië. Het doet goed. De "Echo" plaatste evenals Nellie een
woordje uit mijn brief in haar artikel en verzocht dien in zijn geheel
of gedeeltelijk te mogen publiceeren. Ik vind beter van niet, één brief
gepubliceerd is genoeg, en die van Nellie geeft volle licht op de zaak.
Weer iemand anders vroeg mijne toestemming tot het plaatsen van een
brief van me over eene Javaansche bruiloft. Hilda de Booy is
het--dochter van den heer Charles Boissevain, directeur van het Algemeen
Handelsblad. Zij zond de copie van dien brief naar huis, en nu schrijft
haar broer, die secretaris is der directie, dat ik met het plaatsen van
dien brief mijn volk goed zou doen. Beter dan uit wat ook, zullen de
Nederlanders uit zulke brieven begrijpen, dat het Javaansche volk in
sommige opzichten hun meerdere is, in vele opzichten hun gelijke, en
slechts _misschien_ in meer hun mindere is. Aldus de heer Boissevain.
Wat denk je er van, Stella?
Ik ben bezig aan een artikel voor Belang en Recht; ik hoop, dat het
geplaatst zal worden! ik werk er met pleizier aan. Wordt het niet
aangenomen, dan werk ik het om voor een ander blad of tijdschrift.
Voor Nellie zijn we bezig Javaansche sprookjes te verzamelen, en zusje
R. is bezig met teekenen daarvoor.
O, Stella, wat een schat van moois hoorden wij uit den volksmond;
wijsheden, waarheden, zoo klaar, in eenvoudige en toch o, zoo melodieuse
woorden! Jou taal goed, goed onder de knie hebben, en dan die mooie,
gewijde muziek verstaanbaar voor ulieden maken! Als jullie eens de ziel
van ons volk kennen, hoe zal jullie je dan tot ons aangetrokken
gevoelen. Wij zijn zoo dicht nog bij de natuur, den oorsprong; onze
wijsheid kost geen hoofdbreken om ze te verstaan. In simpele woorden,
maar o, hoe schoon van klank en rythmus.
Kon ik je maar mijn taal leeren, dat je van ons moois genieten kon in
zijn oorspronkelijken staat. Hoe meer ik doordring tot de diepste
diepten van de ziel van ons volk, hoe meer superieur ik ze vind. Bij
jullie worden wijzen en dichters aangetroffen, meestal in zekere
standen, en wordt beschaving gevonden bij zekere klassen; de groote
meerderheid, dat is het volk, is, mag ik zeggen?--ruw. Er zijn
superieuren bij die volksklasse, maar het gros, Stella? gij weet 't
beter dan ik.
Maar ga jij eens met me ronddwalen in kampong en dessa, laten wij de
schamele hutten der armen binnengaan, hoor hun spreken, hunne
gedachten.... 't Zijn ongeschoolde menschen, allemaal, maar wat
woordmuziek kan er uit vele monden ruischen, wat een zielemooi ligt
daarin uitgedrukt. Zacht, bescheiden van aard, eenvoudig en nederig! Als
ik bij je ben eenmaal, zal ik je zooveel, zooveel van ons zacht volk
vertellen, van zijn denk- en zienswijze. Je moet ze kennen en liefhebben
als wij.
Dichters en artisten vindt je er zooveel onder hen, en waar een volk
gevoel heeft voor poëzie, het schoonst en lieflijkst in 't leven, kan
het _niet_ laag staan in innerlijke beschaving.
Al wat hoog en mooi is in 't leven is _poëzie_. Liefde, toewijding,
trouw, geloof, kunst, _alles_ wat _verheft, veredelt_ en _vermooit_, is
_poëzie_. En 't Javaansche volk en poëzie zijn zoo innig samengeweven.
De minste, allerminste Javaan is poëtisch. Wat denk je van den roerenden
eerbied, die jongeren, ouderen bewijzen? Wat denk je van de roerende
piëteit van levenden voor afgestorvenen?
Geen blij gebeuren, waarbij niet onze afgestorvenen worden herdacht, hun
zegen en die des hemels worden afgesmeekt. In vreugde en leed steeds
gedenken wij onze dooden.
En de moedernaam, wat is hij heilig! In uren van vertwijfeling, van
pijn, prevelen de bleeke lippen steeds dien naam. 't Is Moeder, en weer
Moeder, die aangeroepen wordt, hebben wij hulp, hebben wij steun noodig!
In het aanroepen van haar naam in ernstige, smartelijke oogenblikken
ligt de vereering van het moeder zijn. Waarom roepen wij niet onzen
vader aan, waarom juist onze moeder? omdat de mensch van jongs af aan
instinctmatig voelt, dat moeder beteekent een wereld van liefde en
toewijding!
Elk voorwerp dat je hand ontvalt oprapen onder den uitroep: "O, Allah,
mijn kind!" Wat of dat te beteekenen heeft, waar het van getuigt, hoef
ik het je nog nader te verklaren?
Stella, ik leg mij ernstig toe op jou taal, dat ik haar eenmaal zoo
machtig ben, dat ik al het moois van ons kan verstaanbaar maken voor
ulieden. Ik leg mij ook ernstig toe op mijn eigen taal, ik wil ons volk
het blanke ras leeren kennen, zooals ik het ken in zijn mooi- en
edelheid. Zij moeten jullie edelen en grooten kennen, eeren en
liefhebben, dat zullen zij.
Ik zou soms nog een dubbel stel handen willen hebben, om alles te kunnen
doen, wat ik wil. De wil is groot, maar de kracht is klein. Ik mag er
mijne gezondheid niet aan wagen, dat is het domste wat ik doen kan. En
toch ben ik zoo dikwijls dom; vaak tot laat in den nacht zit ik te
werken, en dat is niet goed voor me. Zoo zal ik mijn doel
voorbijstreven; ik wil veel werken, en 't eind van 't lied zou kunnen
zijn, dat ik niet kan werken wegens lichaamszwakte. Dat zou vreeselijk
zijn. Daarom doe ik nu mijn best om me te matigen en verstandig te
leven.
[1] Mevrouw N. van Kol.