10 Augustus 1902. (VI.)

Wat u ons daar zegt, heeft Moeder ons zoo dikwijls gezegd: "àlle gaven

zijn slechts een geschenk van Goesti Allah". "Verbeeld je nooit, wanneer

je iets goeds hebt verricht, dat dat je eigen, geheel je eigen werk is;

wij zijn slechts werktuigen, uitvoerders van Zijn wil. Gaven, talenten

zijn ons toevertrouwd; onze plicht is daar goed voor te zorgen".

En die overtuiging is het, die Moeder, in een geheel anderen geest

opgevoed dan wij, wèl na veel strijd, ons hare toestemming deed geven;

wij hebben haar die _niet_ afgedwongen. Nu berust zij er in, droomt

zelfs met ons meel

Wanneer men haar over ons aanvallen zal, is haar antwoord eenvoudig: Zij

zijn onze kinderen, maar niet ons eigendom. Dat zijn ze van Hem, die

haar schiep; en haar Bezitter is 't, die haar leven en lot bestuurt. Er

zijn vele wegen, bekende en onbekende, die naar 't Goede leiden; vreemd,

onbekend, is de weg, waarover Hij onze kinderen laat gaan; wij ouders

hopen en vertrouwen, dat Hij haar tot 't Goede zal leiden".

Wat zal Moeder blij zijn, als wij haar vertellen, wat u ons heeft

gezegd.

Nu is Moeder niet thuis; zit bij een ziek zusje van ons. Moeder is onze

Vriendin o zoo dankbaar voor hetgeen HEd. ons deed vinden. "Ik verlang

zoo Mevrouw Van Kol te ontmoeten om haar te bedanken, dat zij jullie

harten heeft geopend. Zij is niet van ons geloof, maar wat doet het er

toe, haar God is onze God, ons aller God".

Wèl heeft u gedaan met ons te waarschuwen voor ijdelheïd; wij danken er

u zeer hartelijk voor.

Doch stel u gerust. Wij, kinderen van een Vader, aan wien macht en

aanzien is toebedeeld--u, die onze maatschappij kent, weet wat dat in

onze Inlandsche wereld beteekent; waar macht en aanzien alles is, glans

en glorie als 't toppunt van geluk worden beschouwd--wij hebben van af

onze prilste jeugd aanraking met vleierij, wij hebben van ze leeren

walgen. 't Doet ons o zoo'n pijn ouden van dagen, grijsaards voor

_kinderen_ te zien kruipen. Het is adat! Kunnen wij niet alles afweren,

wij hebben _nooit_ gewild, dat men ons den voet kuste.

Véél heeft ons tot mijmeren en peinzen gebracht, en het wordt al

klaarder en klaarder in ons: 't is plicht, dure plicht, om met alle

kracht te trachten ons die volksvergoding eenigszins waard te maken.

De leus van den Inlandschen adel moet zijn: "De adel zij de

volksvereering waard!"

Slechts van weinige menschen hooren wij _graag_ wat liefs; die, welke

wij boven alle vleitaal verheven weten. Hun woorden van waardeering

hebben een bezielende, voortstuwende kracht voor ons, sterkt, moedigt

ons aan tot het volharden in het goede.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 73 / 136 题