15 Juli 1902. (VIII.)

Zusje R. heeft u reeds de blijde tijding gemeld, nietwaar, dat onze

Ouders ons _hunne volle toestemming_ gaven?

't Ongelooflijkste, 't nooit verwachte is dan gebeurd: Mama heeft niet

alleen _vrede_ met onze plannen en ideeën, maar droomt nu zelfs met ons

mee!

De verklaring heeft geen scheuring gebracht tusschen Mama en ons.

Integendeel, wij voelen ons nauwer met elkaar verbonden, nu 't tot

klaarheid is gekomen, tusschen die lieve, beste Moeder en ons. Wij zijn

niet waard, om die lieve, trouwe ziel de voetzolen te kussen. Kon ik u

maar zeggen, hoe en wàt zij is voor ons, al die lange jaren, en wat ze

nu nog voor ons is.[1]

* * * * *

Neen, wij maken ons volstrekt _géén illusies_, maar één illusie houden

wij; en laat 't ons behouden, liefste; die éénige is, dat door veel,

veel leed en smart, wij iets mogen tot stand brengen, al was 't ook nog

zoo gering, dat ons volk, en vooral de vrouwen daarvan, ten goede komt.

En mocht dit ons niet gegeven zijn, mogen dan ons lijden en strijden

slechts dit uitwerken: de _aandacht_ der menigte te vestigen op

toestanden, die zoo _noodig_ verbetering behoeven.

En mocht óók dit ons niet gegeven zijn, welnu, wij hebben naar 't goede

_gestreefd_, en wij zijn vast en heilig overtuigd, dat al onze tranen,

nu schijnbaar nutteloos gestort, mede het _zaad_ zullen vormen, waaruit

eenmaal genezende bloemen zullen opbloeien voor het nageslacht.

Uw beider boodschap, die Annie ons overbracht, heeft ons opnieuw in

tweestrijd gebracht. Zeer, zeer waar is 't wat u beiden zegt--en wij

danken er u zeer hartelijk voor--dat al mocht 't _nu_ alles goed gaan

als we naar Holland gingen, wij ons moeten bedenken, hoe onze terugkeer

zou zijn. Wie zullen wij op Batavia vinden? Zeker, zeer zeker, geen één

meer van hen, die nu voor ons streven zijn. Alles zal er veranderd zijn.

En wat dan?

Wij zouden ongetwijfeld zonder aarzelen Batavia kiezen, al was 't maar

alleen om zóó dicht bij u te zijn--wat wij heerlijk zouden vinden--ware

't niet dat mijn zusje dan _alles_ zou _moeten opgeven_, wat zij zoo

innig gaarne wilde. Bleven wij hier, zij zou voor 't onderwijs moeten

studeeren, en daar ziet zij tegen op. En hoe treurig is 't om een taak,

als die van onderwijzeres zijn, te moeten vervullen zonder liefde voor

't vak, hebben wij gezien. R. zelf zegt evenwel, "waar jij bent, daar

wil ik zijn, en als ik niets anders dan onderwijzeres worden kan,

welaan, ik zal trachten naar mijn beste weten, mijn taak goed te

vervullen". Maar ik zou 't vreeselijk voor haar vinden, jammer èn voor

haarzelf èn voor de _zaak_, als zij hare plannen moest opgeven. Voor de

zaak zou 't een _verlies_ zijn; een cursus in huishoudkunde en

handwerken zal ongetwijfeld een groote attractie zijn voor de Javaansche

vrouwen. Van bijna _alle_ Javaansche moeders toch, is 't een ideaal, dat

hare dochters eenmaal uitstekend zullen kunnen koken en handwerken. Hoe

_weinigen_ zullen er zijn, die inzicht zouden hebben van de taak, die ik

zoo graag op mij nemen wilde, die wàt zullen kunnen gevoelen voor een

geestelijke en zedelijke opvoeding.

Er moet iets _aanschouwelijks_ zijn, iets dat men _zien, betasten_ en

_mooi vinden_ kan met 't bloote oog, om onze onderneming _sympathiek,

begeerenswaardig_ te maken voor onze landslieden. Wij dienen wel

degelijk rekening te houden met de wenschen en inzichten onzer

landgenooten, voor wie we dit alles willen doen. De taak van

aanschouwelijke kennis te onderwijzen zou zusje op zich kunnen nemen, en

dat wil ze zóó graag.

Ook zouden wij gráág de huishoudkunde hier onderwezen zien, omdat daar

vakken in zijn, die wij van groot nut voor onze Javaansche maatschappij

achten, als b.v. _administratie, gezondheidsleer, verbandleer_, e.a. 't

Is zoo eeuwig jammer, dat wij niet mondeling dit alles met u kunnen

bespreken. Veel moet er zeker van de lijst geschrapt worden, dat is

zeker, en kan 't ook niet anders zijn. Wij zijn volstrekt niet zoo

verwaand om te denken, dat onze denkbeelden de beste zijn. Dolgraag

zouden wij daarom de inzichten van oudere, ervaring- en

ondervindingrijke personen willen vernemen, om dan aan hun hand aan 't

zoeken en schiften te gaan, om 't beste er uit te pikken. O! dat wij bij

u konden zijn, nu wij van onze Ouders de volle toestemming hebben om ons

leven te wijden aan 't werk, waartoe wij ons geroepen voelen. Met die

toestemming is een groot rotsblok van onzen weg afgewenteld; nu staan

wij voor ons tweede: 't financieele en de rest!!

Doch laat ik u nu vertellen, wat ons zóó dankbaar stemt, buiten het

reeds gemelde. Dezer dagen kreeg ik van Mevrouw Van Kol een langen, zeer

ernstigen en o, zoo innig sympathieken brief, waarin zij ons hare

ingenomenheid betuigde met ons streven en daarnaast wees op den _ernst_

daarvan. Neen, zij spiegelt ons geen heerlijkheden voor, zoowel van den

weg, dien wij kozen, als van een verblijf in Holland. "Toch zullen de

moeielijkheden en de scherpe dorens u niet gespaard blijven", zegt zij,

"maar geen kind van God komt er zonder smart en pijn. Die nebben wij

noodig om sterk te worden, om uitsluitend te leeren vertrouwen op Hèm en

op onszelf."

Mevrouw Van Kol heeft ons méér gegeven dan zedelijken steun; zij heeft

ons iets van haar zelf gegeven, iets heel innigs, dat leeft in haar hart

en ziel.[2]

* * * * *

Zeker moeten wij zeer voorzichtig zijn, maar de ondervinding der laatste

tijden heeft ons geleerd, dat geheimzinnigheid tot niets leidt; wel ons

van den wal in de sloot brengt, zou ik zeggen; en dat publicatie ons

veel verder brengt. Ik kan mij ook begrijpen, waarom Vader voorloopig

geheimhouding wenscht, omdat 't voor hem zoo naar zal zijn, als de

Regeering weigert, en 't publiek zich vroolijk om ons zal maken. Daarom

heb ik namens hem Mijnheer beleefd een verzoek te doen, of ZEd. niet

bewerken wil, dat als Vader vandaag of morgen een request indient, dit

niet ruchtbaar wordt en in de krant komt te staan. Als dit bezwaar, 't

financieele, uit den weg is geruimd, dan mag de heele wereld weten, wat

wij willen en van plan zijn.

Wij streven er zóó naar, om ons boven kleinzielig- en kleingeestigheid

te verheffen. Het eerste stormpje van verontwaardiging en spot is al

over ons heen gevaren.

[1] Het hierna volgend gesprek van de schrijfster met hare ouders is

reeds meegedeeld.

[2] gewaarwordingen naar aanleiding van den brief van mevrouw Van Kol

worden hier weggelaten, omdat zij voorkomen in het aan deze dame gericht

schrijven van 21 Juli 1902.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 68 / 136 题