Zusje R. heeft u reeds de blijde tijding gemeld, nietwaar, dat onze
Ouders ons _hunne volle toestemming_ gaven?
't Ongelooflijkste, 't nooit verwachte is dan gebeurd: Mama heeft niet
alleen _vrede_ met onze plannen en ideeën, maar droomt nu zelfs met ons
mee!
De verklaring heeft geen scheuring gebracht tusschen Mama en ons.
Integendeel, wij voelen ons nauwer met elkaar verbonden, nu 't tot
klaarheid is gekomen, tusschen die lieve, beste Moeder en ons. Wij zijn
niet waard, om die lieve, trouwe ziel de voetzolen te kussen. Kon ik u
maar zeggen, hoe en wàt zij is voor ons, al die lange jaren, en wat ze
nu nog voor ons is.[1]
* * * * *
Neen, wij maken ons volstrekt _géén illusies_, maar één illusie houden
wij; en laat 't ons behouden, liefste; die éénige is, dat door veel,
veel leed en smart, wij iets mogen tot stand brengen, al was 't ook nog
zoo gering, dat ons volk, en vooral de vrouwen daarvan, ten goede komt.
En mocht dit ons niet gegeven zijn, mogen dan ons lijden en strijden
slechts dit uitwerken: de _aandacht_ der menigte te vestigen op
toestanden, die zoo _noodig_ verbetering behoeven.
En mocht óók dit ons niet gegeven zijn, welnu, wij hebben naar 't goede
_gestreefd_, en wij zijn vast en heilig overtuigd, dat al onze tranen,
nu schijnbaar nutteloos gestort, mede het _zaad_ zullen vormen, waaruit
eenmaal genezende bloemen zullen opbloeien voor het nageslacht.
Uw beider boodschap, die Annie ons overbracht, heeft ons opnieuw in
tweestrijd gebracht. Zeer, zeer waar is 't wat u beiden zegt--en wij
danken er u zeer hartelijk voor--dat al mocht 't _nu_ alles goed gaan
als we naar Holland gingen, wij ons moeten bedenken, hoe onze terugkeer
zou zijn. Wie zullen wij op Batavia vinden? Zeker, zeer zeker, geen één
meer van hen, die nu voor ons streven zijn. Alles zal er veranderd zijn.
En wat dan?
Wij zouden ongetwijfeld zonder aarzelen Batavia kiezen, al was 't maar
alleen om zóó dicht bij u te zijn--wat wij heerlijk zouden vinden--ware
't niet dat mijn zusje dan _alles_ zou _moeten opgeven_, wat zij zoo
innig gaarne wilde. Bleven wij hier, zij zou voor 't onderwijs moeten
studeeren, en daar ziet zij tegen op. En hoe treurig is 't om een taak,
als die van onderwijzeres zijn, te moeten vervullen zonder liefde voor
't vak, hebben wij gezien. R. zelf zegt evenwel, "waar jij bent, daar
wil ik zijn, en als ik niets anders dan onderwijzeres worden kan,
welaan, ik zal trachten naar mijn beste weten, mijn taak goed te
vervullen". Maar ik zou 't vreeselijk voor haar vinden, jammer èn voor
haarzelf èn voor de _zaak_, als zij hare plannen moest opgeven. Voor de
zaak zou 't een _verlies_ zijn; een cursus in huishoudkunde en
handwerken zal ongetwijfeld een groote attractie zijn voor de Javaansche
vrouwen. Van bijna _alle_ Javaansche moeders toch, is 't een ideaal, dat
hare dochters eenmaal uitstekend zullen kunnen koken en handwerken. Hoe
_weinigen_ zullen er zijn, die inzicht zouden hebben van de taak, die ik
zoo graag op mij nemen wilde, die wàt zullen kunnen gevoelen voor een
geestelijke en zedelijke opvoeding.
Er moet iets _aanschouwelijks_ zijn, iets dat men _zien, betasten_ en
_mooi vinden_ kan met 't bloote oog, om onze onderneming _sympathiek,
begeerenswaardig_ te maken voor onze landslieden. Wij dienen wel
degelijk rekening te houden met de wenschen en inzichten onzer
landgenooten, voor wie we dit alles willen doen. De taak van
aanschouwelijke kennis te onderwijzen zou zusje op zich kunnen nemen, en
dat wil ze zóó graag.
Ook zouden wij gráág de huishoudkunde hier onderwezen zien, omdat daar
vakken in zijn, die wij van groot nut voor onze Javaansche maatschappij
achten, als b.v. _administratie, gezondheidsleer, verbandleer_, e.a. 't
Is zoo eeuwig jammer, dat wij niet mondeling dit alles met u kunnen
bespreken. Veel moet er zeker van de lijst geschrapt worden, dat is
zeker, en kan 't ook niet anders zijn. Wij zijn volstrekt niet zoo
verwaand om te denken, dat onze denkbeelden de beste zijn. Dolgraag
zouden wij daarom de inzichten van oudere, ervaring- en
ondervindingrijke personen willen vernemen, om dan aan hun hand aan 't
zoeken en schiften te gaan, om 't beste er uit te pikken. O! dat wij bij
u konden zijn, nu wij van onze Ouders de volle toestemming hebben om ons
leven te wijden aan 't werk, waartoe wij ons geroepen voelen. Met die
toestemming is een groot rotsblok van onzen weg afgewenteld; nu staan
wij voor ons tweede: 't financieele en de rest!!
Doch laat ik u nu vertellen, wat ons zóó dankbaar stemt, buiten het
reeds gemelde. Dezer dagen kreeg ik van Mevrouw Van Kol een langen, zeer
ernstigen en o, zoo innig sympathieken brief, waarin zij ons hare
ingenomenheid betuigde met ons streven en daarnaast wees op den _ernst_
daarvan. Neen, zij spiegelt ons geen heerlijkheden voor, zoowel van den
weg, dien wij kozen, als van een verblijf in Holland. "Toch zullen de
moeielijkheden en de scherpe dorens u niet gespaard blijven", zegt zij,
"maar geen kind van God komt er zonder smart en pijn. Die nebben wij
noodig om sterk te worden, om uitsluitend te leeren vertrouwen op Hèm en
op onszelf."
Mevrouw Van Kol heeft ons méér gegeven dan zedelijken steun; zij heeft
ons iets van haar zelf gegeven, iets heel innigs, dat leeft in haar hart
en ziel.[2]
* * * * *
Zeker moeten wij zeer voorzichtig zijn, maar de ondervinding der laatste
tijden heeft ons geleerd, dat geheimzinnigheid tot niets leidt; wel ons
van den wal in de sloot brengt, zou ik zeggen; en dat publicatie ons
veel verder brengt. Ik kan mij ook begrijpen, waarom Vader voorloopig
geheimhouding wenscht, omdat 't voor hem zoo naar zal zijn, als de
Regeering weigert, en 't publiek zich vroolijk om ons zal maken. Daarom
heb ik namens hem Mijnheer beleefd een verzoek te doen, of ZEd. niet
bewerken wil, dat als Vader vandaag of morgen een request indient, dit
niet ruchtbaar wordt en in de krant komt te staan. Als dit bezwaar, 't
financieele, uit den weg is geruimd, dan mag de heele wereld weten, wat
wij willen en van plan zijn.
Wij streven er zóó naar, om ons boven kleinzielig- en kleingeestigheid
te verheffen. Het eerste stormpje van verontwaardiging en spot is al
over ons heen gevaren.
[1] Het hierna volgend gesprek van de schrijfster met hare ouders is
reeds meegedeeld.
[2] gewaarwordingen naar aanleiding van den brief van mevrouw Van Kol
worden hier weggelaten, omdat zij voorkomen in het aan deze dame gericht
schrijven van 21 Juli 1902.