Vader en Moeder hebben _beiden hunne volle toestemming_ gegeven.
Wij hadden stormen verwacht, bliksemschichten en donderslagen. O! ik kan
er mij nog niet goed indenken! Dat Vader zou toestaan, dàt konden wij
verwachten; maar dat Mama er zich bij neerleggen zou, dat hadden wij
nièt durven droomen! Wij zijn _niet_ van elkaar vervreemd, nu het tot
een verklaring is gekomen tusschen Mama en ons; o God, wie had 't
gedroomd, dat wij elkaar juist er door nader zouden komen!
Eindelijk kwam 't tot eene verklaring. Waar ik die kalmte van daan
haalde, toen Mama met ons sprak, vanwaar dat kalme, bedaarde betoog, ik
weet het niet. Ik had niet eerst overdacht wàt ik zeggen zou; ik kòn
niet denken, ik had te veel aan 't hoofd. Maar toen 't op spreken
aankwam, kwamen de juiste woorden me als van zelf over de lippen. Wie
had het gedaan, mij die woorden in den mond gelegd? wie? wie?
Er is een Macht, hooger, grooter, dan al de aardsche tezamen. Goede
geesten hadden ons stellig omzweefd en ons die woorden in den mond
gelegd, toen wij daar opkwamen voor ons geweten, onze ideeën, ons
ideaal! Nog hoor ik Mama diepbedroefd zeggen: O, kind, waarom heb je mij
niet vertrouwd? Wij hebben _schuld beleden_ en _alles_ Mama verteld.
Arme, lieve Moeder! wij zijn niet waard, om die lieve, trouwe ziel de
voeten te kussen.
Kon ik u maar zeggen, wat Mama voor ons is geweest al die lange jaren;
wat zij nu nòg is voor ons. Nu eerst beseffen wij ten volle, wat een
schuld wij aan haar hebben, eene wereld vol liefde en dankbaarheid! 't
Stemt ons zóó dankbaar, dat wij in vrede van Mama zullen gaan, in den
dienst van 't Goede, dat Mama nu _kent_ en _erkent_. Wij zijn thans niet
meer uitgelaten in onze vreugde, als vroeger, ja, als kort geleden nog;
wij zijn nu stil, innig dankbaar!
En nu Vader; ik had mij op 't ergste voorbereid, toen ik naar hem ging,
om zijne toestemming te vragen. O! waar ik die kalmte, die bedaardheid
vandaan had, toen ik sprak, ik weet het niet! Mijzelf klonk mijne kalme,
bedaarde stem vreemd in de ooren; ik, buskruit, nu zóó kalm en bedaard!
Ik was onbewogen, maar toen dàt woord was uitgesproken, waarom ik kwam,
en ik zag hoèveel dàt mijn lieven Vader kostte, smolt weg de ijskorst
van mijn hart. O! zoo graag had ik mijn armen om hem heen geslagen, hem
woorden van troost gezegd, maar mijne spieren en mijne stem weigerden
nog hun dienst. Ik zat voor hem op den grond en keek hem aan, aldoor,
aldoor, met een nevel voor mijne oogen! Diep voelde ik zijn smart, ik
leed met hem. O! ik zou hem wel alles weer willen teruggeven!
In mijn hart rees de bede op: "Vader, vergeef me! O! mijn Vader, vergeef
uw kind, zij kòn niet anders!"
't Was den _21sten Juni_; ik koos juist _dien_ dag, _uw_ geboortedag,
voor dien zwaren gang naar Vader, omdat ik U, mijn Moedertje, bij me
wilde hebben in deze moeilijke oogenblikken. Goede geesten omzweefden
me; mijn Hemelsche Vader stond mij bij in mijn strijd tegen mijn
aardschen. Toen ik weer alleen was na dien, en had wat ik wenschte, was
er géén jubel in mijn hart. 't was vol van medelijden, meevoelen met het
leed van mijn dierbaren beminde. Hèm waren mijne tranen gewijd, niet der
vreugde of den dank. Uit 't diepst mijner ziel steeg de bede op: "O!
mogen uit 't groote offer mijner Ouders bloemen bloeien en vruchten
groeien voor ons land en volk!"
Nog dienzelfden dag, _21 Juni_, schreven wij den heer Van Kol naar
Batavia, op zijn verzoek. Die brieven bevatten eene opgave onzer namen,
leeftijd, ideeën en verlangen.
Wat wij behoefden was slechts de _vaderlijke toestemming_, zonder deze
konden zij niets voor ons doen.
Nu is dit beletsel weggevallen; de rotsblok, die onzen weg versperde is
weggekanteld. Nu staan we voor een tweede, d.i. 't financieele. Onze
Ouders kunnen onmogelijk onze opleiding bekostigen en dat willen wij ook
volstrekt niet van hen vergen.
Eergisteren kreeg ik een langen en zeer ernstigen brief van mevrouw Van
Kol. Als ik hem niet nog noodig had, of het niet te veel gevergd zou
zijn van mijn abnormale vingers, hem over te schrijven, dan had ik hem o
zoo naar u gestuurd om hem met u te bespreken. Nu zal ik me maar bepalen
tot het aanvoeren van enkele punten daarin: de globale indruk, dien we
ervan kregen, is, dat wij er zoo dankbaar voor zijn! Zij heeft ons meer
gegeven dan zedelijken steun; zij heeft ons iets van haar zelf gegeven,
iets heel innigs, dat leeft in haar hart en hare ziel!
Er is een Licht tot ons doorgedrongen, een hoog, heilig Licht. 't Is of
wij eene wijding hebben ontvangen! Wij hebben géén angst, géén vrees
meer; wij zijn _gerust_, wij _vertrouwen_, wij _geloven_! O! wat zijn we
nog laag, o zoo laag bij den grond! O! dat wij 't eens zoover brengen
mogen, dat _wij niet meer onszelven leven, maar den geest in ons_. Geen
jubelend, opbruisend geluk vervult ons, maar stille, dankbare vreugde!
O! God, wij zijn zoo dankbaar, zoo dankbaar, dat wij _gevonden_ hebben;
door véél twijfel, ongeloof en materie zijn wij er gekomen. Ik kan u ons
beider zieletoestand niet beschrijven, die laat zich niet beschrijven;
dien moet men _voelen_.
Wat ik u wel kan zeggen is, dat wij er zoo dankbaar gelukkig meê zijn,
dat ons leven er mooier door is geworden, en ons streven een hoogere
betekenis heeft gekregen.
Wij hebben zooveel, zooveel nagedacht in den laatsten tijd. Wij zochten
zoo ver, zoo ver het Licht, en 't was zóó nabij, steeds bij ons, _het is
in ons_!
Wij voelen ons nu zooveel sterker, en zien de dingen onder een heel
ander licht. 't Was al lang aan 't werken en groeien in onze ziel, wij
wisten 't niet; en Mevrouw Van Kol heeft 't gordijn voor onze oogen
weggeschoven. O! daar zijn we haar zoo innig dankbaar voor, dankbaarder
nog dan voor al 't andere, dat zij voor ons deed en doen zal.
Vóór ik haar brief ontving, vroeg Ma me: "Wie heeft jou op die ideeën
gebracht?" en toen reeds antwoordde ik: "God heeft ze ons ingegeven".
Natuurlijk dat Ma gepoogd had ons terug te houden van ons voornemen,
maar toen zij zag, dat wij ons niet lieten weerhouden, zeide zij met
berusting: "Welnu kinderen, ik zal denken en gelooven, dat dàt jullie
_bestemming_ is; dat _God_ jullie tot dat leven heeft _bestemd_."
Mevrouw Van Kol schreef ons: "Er zijn dingen, waarvoor we de menschen en
hun steun noodig hebben, maar er zijn nog veel meer dingen, waarin wij
God alléén kunnen gebruiken. Hij is 't, die, iemand tot een taak
geroepen hebbend, hem daartoe de _innerlijke_ kracht en volharding
geeft. Geloof mij, 't is de taal der innerlijke ervaring. U staat nog
vóór 't leven en vóór uwe taak. Als u er eenmaal midden in zijt, zult u
ervaren: "dan pas zijn wij vrij en sterk en de rechte menschenvrienden
en helpers, als wij onzen steun niet uitsluitend of in de eerste plaats
zoeken bij de menschen, maar bij _ons zelf_ en bij _Vader--God_. Het
stoffelijke moet er óók zijn, u _moet_ geholpen worden, hoe dan ook.
Niet iederen dag bieden zich op de groote levensmarkt zulke frissche en
reine krachten aan voor zulk goed werk. Die moeten aangenomen, en in
goeden zin geexploiteerd worden. Als de Regeering niet helpt, dan moet
de Vereeniging "Oost en West" het doen".
_Ongevraagd_ zeide "Oost en West" ons hare hulp en medewerking toe.
Mevrouw Van Kol zond ons de krant, waarin dit stond. De reisbeschrijving
van den heer Stoll was er in opgenomen, en aan 't slot, waarin de
schrijver 't over ons had, schreef "Oost en West": "Wij vertrouwen, dat
de heer Van Kol, die van de oprichting af, lid is van "Oost en West",
niet vergeten zal hebben haar te zeggen, dat zij bij haar edel streven
ook ten volle rekenen kan op de hulp en steun onzer vereeniging."
Mevrouw Van Kol heeft naar aanleiding van het stukje, een paar woordjes
ingezonden, waarin zij vertelde, hoe zij over ons dacht, naar aanleiding
van onzen brief, zóó voor ons den weg banend tot 't hart van 't
Javanenlievend publiek dat "Oost en West" leest.
Zij vroeg me de toestemming mijn brief in zijn geheel te mogen
publiceeren in dat blad.
Ik vind 't erg naar, maar 't is in _ons belang_. "Uit niets" schreef ze
verder, "kan dat vriendenpubliek uw hart zóó goed leeren kennen en uw
streven zóó waardeeren, als uit dien eenvoudigen brief, waarin de
jeugdige Javaansche haar gemoed zonder voorbehoud uitstort voor eene
oudere vrouw, van wie zij steun en sympathie verwacht. Er is niet één
woord in dien brief, dat 't publiek niet zou mogen lezen; en werkelijk,
ik weet geen beter middel om u in te leiden bij dezen kring, die 't wel
meent met Java en den Javaan. Overwin uw schroom, dien ik wel begrijp en
zeg, ja!"
Ik heb hieromtrent nog geen besluit genomen; ik zou eerst Vaders
toestemming daartoe moeten hebben. Vader heeft juist gevraagd om de zaak
zooveel mogelijk geheim te houden; als de Regeering "ja" zegt, dan mag
de wereld er van hooren. Zeer waar is 't, dat wij zeer voorzichtig onzen
weg moeten kiezen, maar de ondervinding van den laatsten tijd heeft ons
geleerd, dat met publiciteit wij meer winnen dan met geheimzinnigheid.
Als 't publiek was, wat nu 't geval is, en de Regeering weigerde, dan
nog zouden wij er niets mee verliezen. Hoevele verzoeken zijn niet
geketst geworden?
Dat is 't niet, waarvoor ik aarzel ja te zeggen; ook niet, omdat ik 't
vreeselijk naar zou vinden, om mijn innigste gedachten voor de wereld
bloot te leggen. Mijn eigen gevoelens cijfer ik geheel weg; ik houd 't
oog uitsluitend gericht op onze _zaak_! Ik roerde in mijn schrijven een
punt aan, dat onze landslieden zeker _niet_ aangenaam zal zijn: n.l. de
huwelijkskwestie. Men zal er mij om verguizen misschien; mij persoonlijk
zal 't niets deren, maar wel de zaak. Zal men mij later, als ik
onderwijzeres zal zijn geworden, zijne kinderen ter opvoeding willen
toevertrouwen, als men weet, waartegen wij ten strijde trekken? Of is 't
beter om met open vizier te strijden--wij willen de Waarheid dienen--en
nú reeds kleur bekennen? 't Is altijd mijn idee geweest om over dat
onderwerp te schrijven, maar daarmee wilde ik wachten, tot ik mijne
zelfstandigheid bevochten heb.
Onze ideeën zullen wellicht met sympathie begroet worden in Europeesche
kringen; en enkele daarvan, waar wij 't over opvoeding en onderwijs
hebben, misschien ook in de Javaansche wereld; maar hoe de ideeën, die
op bijgaande zijdjes staan geschreven, ontvangen zullen worden, door 't
publiek, voor 't welk wij bereid zijn zooveel ten offer te brengen?--ik
weet 't niet!
Wat dunkt u? Geef u mij hieromtrent raad? Met Mama zal ik er ook over
spreken.