21 Juni 1902. (VI.)[1]

Raden Adjeng Kartini, dochter van Raden Mas Adipati Ario Sosroningrat,

Regent van Japara, 23 jaar oud, geboren op Majong, Afdeeling Japara, op

21 April 1879, zou gaarne voor het _onderwijs_ (_hulp_-en _hoofdacte_)

willen opgeleid worden, en die opleiding in _Nederland_ ontvangen. Dit

laatste, eerstens om den blik te verruimen, den geesteshorizont te

verwijden, vooroordeelen, die haar nog aankleven en belemmerend werken,

af te werpen, verschillende inrichtingen van onderwijs en opvoeding

aldaar te bezoeken om zich op de hoogte te stellen van de wijze van

opvoeding en onderwijs in Nederland; dit alles ten einde des te beter de

taak te kunnen vervullen, die zij zoo gaarne op zich wilde nemen.

Tweedens, om er cursussen in gezondheidsleer, zieken- en verbandleer,

zoomede eerste hulp bij ongelukken, te volgen, ten einde deze hoogst

nuttige en noodige kennis aan de Javaansche vrouwen te kunnen leeren.

Het hoofddoel is: het mooie der Nederlandsche beschaving te geven aan

ons volk, ten einde zijne zeden te veredelen; dàt volk te brengen tot

hooger zedelijk standpunt, als middel om tot betere, gelukkiger

maatschappelijke toestanden te komen. Het middel, dat wij daartoe

wenschten aan te wenden is: oprichting van scholen voor Javaansche

meisjes. Voorloopig als proef en voorbeeld, een school, _internaat_,

voor dochters van Inlandsche hoofden; het doel hiermee beoogd is: Java

beschaafde, ontwikkelde moeders te geven, die hare beschaving en

ontwikkeling op hare kinderen zullen voortplanten; hare dochters, die

weder moeders zullen zijn; haar zoons, die eenmaal geroepen zullen zijn,

mede te waken over het wel en wee van 't volk!

Zoo zullen dan de moeders een groote factor zijn tot het krachtig

verbreiden der Nederlandsche beschaving onder het Javaansche volk.

Mijn verzoek is, of de Regeering genegen is, mij haar steun te verleenen

om bovenstaande ideeën tot werkelijkheid te brengen; nu, om de kosten

der geheele opleiding (overtocht heen en terug, studie, verblijf, etc.)

op zich te nemen; en later bij de beëindiging mijner studiën, mij in

staat te stellen een internaat te openen voor dochters van Inlandsche

hoofden.

Gaarne zouden wij willen vernemen, wat wij in deze te doen hebben. Moet

er een verzoekschrift worden ingediend? Heerlijk zou 't zijn, als dat

niet hoefde; maar zoo 't moet, wie moet 't doen. Vader of wij? En aan

wie? den Gouverneur-Generaal of de Tweede Kamer? U dragen wij met vol

vertrouwen onze belangen op. Wij weten, wij _voelen_ het, dat onze zaak

in u een grooten steun en warmen verdediger heeft gevonden; dat u er

alles voor zal doen, wat u kan, om haar tot een goed einde te brengen;

en dat zoo u ons een weg aanwijst, die de beste zal zijn, welken wij te

volgen hebben, omdat het ook _uw doel, uw illusie_ is: het volk van Java

gelukkig te maken!

Van _onze ouders_ hebben wij de _toestemming_ gekregen om ons leven te

wijden aan de verwezenlijking onzer ideeën voor ons volk. Gemakkelijk

was 't hun niet afgegaan ons die te geven; 't viel hun hard en zwaar

ons, hun kinderen, 't dierbaarste wat hun op aarde is, af te staan aan

een leven, dat wèl aan 't Schoone is gewijd, maar dat vòl moeiten zal

zijn, omdat dàt nu eenmaal het lot is aller baanbrekers, op welk gebied

en ten welken tijde ook.

Maar toen zij zagen, hoe ernstig en oprecht ons willen is, hoe _ons

geluk_ samengeweven is met _ons ideaal_, toen weigerden zij niet

langer, en spraken dat woord uit, dat aan ons leven en streven hoogere

beteekenis gaf.

Door _onze beminde Ouders_ zijn we gewijd aan het heil van ons

volk!--_hun zegen_ rust op ons streven!

't Zou ontzettend hard voor ons zijn, ons leven breken, indien wij

zònder dàt moesten doen; wij hebben onze Ouders zoo zielslief! Maar wij

zouden nooit vrede met ons zelf hebben kunnen vinden, indien wij,

toegevende aan onze kinderliefde, die krachtige roepstem in ons

binnenste smoorden, die ons oproept tot arbeid en strijd, tot werken

voor de Gemeenschap, voor het eeuwige doel van het Leven, dat Volmaking

heet!

Daarom zijn we onze Ouders zoo innig dankbaar, dat zij ons hunne

toestemming gaven.

[1] Deze brief aan den Heer Van Kol houdt in de formuleering van hetgeen

de schrijfster zich voor oogen stelde.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 66 / 136 题