17 Juni 1902. (V.)

'k Las zoo pas in de krant, dat eenige Chineesche meisjes het verzoek

gedaan hadden, mede aan 't onderwijzeresexamen te mogen deelnemen!

Hoera!, voor den vooruitgang! Ik was er toch zoo in mijn hum over! De

Chineezen zijn heel streng, wat betreft de handhaving der oude

tradities; nu zien wij maar, dat de strengste en oudste traditie toch

verbreekbaar is! Dat geeft mij moed en hoop!

Wat verlang ik die dappere Chineezinnetjes te kennen! Ik zou zoo gaarne

hare gedachten, ideeën, en gevoelens willen kennen, haar "ziel"!

Ik heb steeds verlangd naar een Chineesch vriendinnetje! Ik zou zoo

graag het zieleleven van zoo'n Chineezinnetje willen kennen! Veel poëzie

zal er zeker in zijn! Hebt ge wel eens een Chineesche bruiloft

bijgewoond?

Ik eens, en zal dat zeker nooit vergeten! Ook de Chineezen gedenken in

vreugde en droefheid hunne afgestorvenen.

Op Semarang heeft een Chineesche millionnair een prachtigen Chineeschen

tuin aangelegd. Hij ligt op een heuvel, en is o, zoo mooi! Kunstmatige

rotsen, grotten, heuveltjes, begroeid met varens, bloemen en

miniatuur-vruchtboompjes worden afgewisseld door parkjes en

slingerpaadjes.

Er staat een mooie koepel te midden van een veelhoekigen vijver, waarin

goerami's en goudvisschen rondzwemmen; er naast staat een heuvel, waarin

een grot is, met een badkamertje; door een wenteltrap, die door die grot

loopt, komt men boven op 't heuveltje, waarop twee miniatuur-tempeltjes

staan, vruchtboompjes en allerhande bloemen groeien en bloeien. 't Is

een werkelijkheid geworden sprookje; alleen de kaboutermannetjes en

zilverschitterende elfjes moeten nog uit de rotsspleten en holen te

voorschijn komen om de sproke te volmaken.

De gedachte is één _poëzie_ en de uitvoering _kunst_! Maar wáár is de

_kunst_ zonder _poëzie_? Al wat goed, wat hoog, wat heilig is, in één

woord al wat _schoon_ is in 't leven, is poëzie!

Wij hebben den Chinees gezien, die dat moois schiep. Een doodgewone,

sjofele baba! Beelden van pleisterwerk, menschen-draken, tijgers, staan

op 't gras verspreid, die ook waren de scheppingen van dien Chinees.

't Is jammer, dat men op de poort, die toegang verleent tot dien

sprookjestuin, twee beelden van Europeesche afkomst heeft geplaatst; dat

verstoort de harmonie.

Zijt ge ook op Batavia geweest, om de Tentoonstelling te zien? Ja,

zeker! En wat zegt gij nu wel van 't bruine ras? Wat zegt ge van zijne

kunstuiting?

O! ik ben zoo gaarne trotsch op mijn volk. Het kan toch wèl wat! Maar

gij, Hollanders moet hen leiden! En dat wilt gij, niet waar?

Wij zijn met kinderen te vergelijken, en gij zijt onze beschermers. Aan

u om ons te leiden, te vormen tot mannen en vrouwen!

Ik geloof, dat gij géén ondankbare pupillen en leerlingen zult hebben!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 65 / 136 题