10 Juni 1902. (VIII.)

Nederlandsch is steeds mijn lievelingsvak geweest, en velen beweren, dat

ik er goed thuis in ben; maar, ach, hemeltje! taalgevoel is nog lang

geen taalkennis! Gelukkig, dat ik zoo innig, innig veel van de

Nederlandsche taal houd. Ik kan dus begrijpen wat een straf 't is voor

menschen, die geen gevoel voor die taal hebben en Nederlandsch moeten

leeren.

Na taal vind ik aardrijkskunde verrukkelijk; ook mag ik graag rekenen;

maar met geschiedenis sta ik nog steeds op gespannen voet. Niet dat ik

niet van geschiedenis houd, ik vind haar juist hoogst interessant en

zeer leerrijk; maar de vorm, waarin zij ons in de leerboeken voorgezet

wordt, heeft weinig bekoring voor mij. In dat vak moet ik een

leermeester hebben, die 't meest droge interessant voor mij weet te

maken. Wat ik van geschiedenis verrukkelijk vind, is de oude

geschiedenis; jammer, dat er maar zoo'n klein stukje in voorkomt. Dat

zou ik dolgraag kennen, de geschiedenis der Egyptenaren, de oude Grieken

en Romeinen.

Met innige belangstelling volgen wij alles, wat de couranten aangaande

de tentoonstelling[1] vertellen. Hoe klopt ons 't harte en tintelen onze

oogen, daar wij niets dan veel moois ervan lezen! U allen heeft wel wil

van uw nobel werk, en wenschen wij u allen en vooral ons volk, te wiens

bate dat werk is ondernomen, hartelijk geluk met het schitterend succes

der tentoonstelling. Verrukkelijk vind ik 't, dat 't Japarasche

houtsnijwerk zoo de aandacht trok.

He, wat zouden wij graag dat prachtige koperwerk willen zien, wij zagen

zoo weinig nog maar, en dan nog wel niets bijzonders, op dat gebied.

Wat deed ons 't enthousiasme van 't Europeesch publiek voor den arbeid

en de kunst van ons volk innig, innig goed! Wij zijn zoo gaarne trotsch

op ons volk, zoo weinig gekend, en zooveel miskend!

* * * * *

Wij waren zoo kalm en gerust toen wij den heer Van Kol spraken; 't was

of wij een ouden vertrouwden vriend voor ons hadden en vergaten geheel,

dat hij was een wildvreemde. Hij was ook zoo eenvoudig, zoo vriendelijk,

zoo vaderlijk voor ons; dàt was het, dat onze harten met vol vertrouwen

voor hem deed ontsluiten. Hij maakte 't ons zoo gemakkelijk, en kwam ons

zoo hartelijk tegemoet. Wij hoefden niet veel te zeggen; hij begreep ons

dadelijk en zoo goed!

Voor 't eerst weer, na langen, langen tijd verstomd te zijn geweest,

zong 't vogeltje in onze borst jubelend liederen.

Dat waren weelde-uren, die wij met hem samen doorbrachten.

Hoe u die zielsverrukking te beschrijven, wanneer wij in een ander volle

sympathie vinden voor hetgeen in ons oog mooi is, vooral wanneer dat

mooi een kind is van ons eigen diep denken en voelen!

Ik dacht weer aan zekere dagen in 't najaar van 1900. Hoe had mijn

vogeltje toen ook gejubeld heerlijke, schoone liederen, van weelde,

geluk en dankbaarheid! Er kunnen toch ontzaglijk mooie oogenblikken in

't leven zijn! En de herinnering aan zulk een oogenblik is een schat

voor 't leven; zij is een licht in donkere dagen, is een lafenis voor de

ziel, wanneer zij door melancholie bevangen wordt.

't Was toch zoo innig aardig van den heer Van Kol om hier te komen, die

vermoeiende reis naar ons uithoekje te maken, ter wille van hem geheel

vreemde menschen. Hij vaarde niet dadelijk met ons in hetzelfde

schuitje, o neen![2]

* * * * *

We willen van onze leerlingen volstrekt geen halve Europeanen maken, of

Europeesche Javanen. Met de vrije opvoeding beoogen wij, vóór alles om

van de Javanen, èchte Javanen te maken, Javanen, _bezield_ met _liefde_

en _geestdrift_ voor hun land en volk, met een _open oog_ en _hart_ voor

hunne schoonheden en--nooden! Wij willen ze geven 't mooie der

Europeesche beschaving, niet om hun eigen mooi te verdringen of te

vervangen, maar om 't te _veredelen_.

Door kruising van planten en dieren van verschillende soorten verkrijgt

men veredelde plant- en diersoorten. Zal 't niet even zoo gaan met de

zeden der volkeren? Wanneer het goede van het eene gemengd werd met dat

van een ander, zou daaruit niet veredelde zede voortspruiten?

Nu 't antwoord, "waarom 't absoluut Holland moet zijn", eene vraag

verleden door u gedaan.

R. omdat voor een van beide gekozen vakken zij slechts in Holland kan

worden opgeleid.

En ik, wat heb ik aan te voeren? ik kan hier even goed klaar komen als

in Holland. Zeer zeker, maar wanneer ik in Holland mijne opleiding

ontving, zou ik niet beter berekend kunnen zijn voor mijne taak als

onderwijzeres en opvoedster? Mijn gezichtskring zou verruimd worden,

mijn geest verrijkt, en dit alles zou ongetwijfeld ten goede komen aan

de vervulling van mijn taak.

Europa zal mij zooveel leeren en geven, dat mijn eigen land mij niet

geven en leeren kan.

Behalve de gewone vakken van 't lager onderwijs en handwerken, zou ik o

zoo graag op onze school (!!!) nog één vak onderwezen zien: de kennis

van ons lichaam, zijn in- en uitwendigen bouw plus den dienst, die elk

onderdeel van 't menschelijk organisme te verrichten heeft voor de

instandhouding van 't leven en de gezondheid. Vele ongelukken waren niet

gebeurd of dan tot een minimum teruggebracht, indien die nuttige kennis

't eigendom van velen ware! Om maar iets te noemen, onlangs werd een

meisje door den tram overreden. Zij werd naar de kotta getransporteerd

om onder geneeskundige behandeling te worden gesteld; zij kwam er aan

als lijk; 't arme kind was gewoon doodgebloed, omdat noch de politie,

noch 't trampersoneel, eenig verstand had van 't samenstel der aderen,

evenmin van verbinden. Die kennis van gezondheidsleer, ziekenleer en

verbandleer moeten tot onze opvoeding behooren, vind ik. Eens in zijn

leven moèt de mensch, inzonderheid de vrouw, voor een ziekbed staan, van

dierbaren, of van vreemden; ellendig is 't dan met onze handen verkeerd

te staan, wat onvermijdelijk is, als men niets geen kennis bezit op dat

gebied. Die ellende heb ik diep gevoeld, toen ik een mijner dierbaren

doodziek zag liggen.

Die kennis wil ik mij verwerven en ze op onze school onderwijzen; dat

kan ik in Holland gemakkelijk, waar alles bij de hand is.

En waarom, nog meer, wij een tijdelijk verblijf in Europa wenschelijk

voor ons achten, 't is om er ons te zuiveren van hinderlijke invloeden

onzer Inlandsche opvoeding, waaraan wij niet ontsnapt zijn, helaas!

Wildvreemde Europeanen, al was 't een bataljon, beweert zus R., te

ontmoeten, vinden wij niets; voor één vreemden Javaan kruipen we schuw

in onze schulp.

Zoo is 't met meer dingen.

Wij willen ons geheel losmaken van de knellende banden onzer

ingewortelde gebruiken, aan welker invloed wij niet hebben kunnen

ontkomen; alle vooroordeel, dat ons nog aankleeft en remmend werkt, van

ons afwerpen, opdat onze geest frisch en vrij, des te breeder zijn

vleugels zou kunnen uitslaan, dat ten goede moet en zal komen van 't

werk, dat wij willen ondernemen.

Daarvoor moeten wij in een geheel andere omgeving komen, in een ander

land, met heel andere zeden, gebruiken, gewoonten en toestanden. Wij

verwachten van Europa, dat het ons beter zal voorbereiden, toerusten

voor 't werk, dat wij willen verrichten; dat 't ons stalen, ompantseren

zal, voor menige giftige pijl, die zeker vele landgenooten op ons zullen

afschieten, omdat wij anders durven zijn dan zij.

Europa zal ons leeren inderdaad _vrij zijn_!

Heb ik 't "waarom" goed uitgelegd? Ik hoop, dat u mij begrepen heeft.

En--kunt u met me medegaan?

Er is nog meer, waarom wij een tijdelijk verblijf in Europa voor ons

wenschen, doch bovenstaande is u, hoop ik, genoeg.

[1] Deze tentoonstelling werd te Batavia gehouden om de aandacht te

vestigen op de Inlandsche kunstnijverheid en kunst, welker bestaan door

de meesten ontkend werd.

[2] Het hier volgend overzicht van het gesprek is reeds opgenomen op

blz. 193 e.v.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 64 / 136 题