Nederlandsch is steeds mijn lievelingsvak geweest, en velen beweren, dat
ik er goed thuis in ben; maar, ach, hemeltje! taalgevoel is nog lang
geen taalkennis! Gelukkig, dat ik zoo innig, innig veel van de
Nederlandsche taal houd. Ik kan dus begrijpen wat een straf 't is voor
menschen, die geen gevoel voor die taal hebben en Nederlandsch moeten
leeren.
Na taal vind ik aardrijkskunde verrukkelijk; ook mag ik graag rekenen;
maar met geschiedenis sta ik nog steeds op gespannen voet. Niet dat ik
niet van geschiedenis houd, ik vind haar juist hoogst interessant en
zeer leerrijk; maar de vorm, waarin zij ons in de leerboeken voorgezet
wordt, heeft weinig bekoring voor mij. In dat vak moet ik een
leermeester hebben, die 't meest droge interessant voor mij weet te
maken. Wat ik van geschiedenis verrukkelijk vind, is de oude
geschiedenis; jammer, dat er maar zoo'n klein stukje in voorkomt. Dat
zou ik dolgraag kennen, de geschiedenis der Egyptenaren, de oude Grieken
en Romeinen.
Met innige belangstelling volgen wij alles, wat de couranten aangaande
de tentoonstelling[1] vertellen. Hoe klopt ons 't harte en tintelen onze
oogen, daar wij niets dan veel moois ervan lezen! U allen heeft wel wil
van uw nobel werk, en wenschen wij u allen en vooral ons volk, te wiens
bate dat werk is ondernomen, hartelijk geluk met het schitterend succes
der tentoonstelling. Verrukkelijk vind ik 't, dat 't Japarasche
houtsnijwerk zoo de aandacht trok.
He, wat zouden wij graag dat prachtige koperwerk willen zien, wij zagen
zoo weinig nog maar, en dan nog wel niets bijzonders, op dat gebied.
Wat deed ons 't enthousiasme van 't Europeesch publiek voor den arbeid
en de kunst van ons volk innig, innig goed! Wij zijn zoo gaarne trotsch
op ons volk, zoo weinig gekend, en zooveel miskend!
* * * * *
Wij waren zoo kalm en gerust toen wij den heer Van Kol spraken; 't was
of wij een ouden vertrouwden vriend voor ons hadden en vergaten geheel,
dat hij was een wildvreemde. Hij was ook zoo eenvoudig, zoo vriendelijk,
zoo vaderlijk voor ons; dàt was het, dat onze harten met vol vertrouwen
voor hem deed ontsluiten. Hij maakte 't ons zoo gemakkelijk, en kwam ons
zoo hartelijk tegemoet. Wij hoefden niet veel te zeggen; hij begreep ons
dadelijk en zoo goed!
Voor 't eerst weer, na langen, langen tijd verstomd te zijn geweest,
zong 't vogeltje in onze borst jubelend liederen.
Dat waren weelde-uren, die wij met hem samen doorbrachten.
Hoe u die zielsverrukking te beschrijven, wanneer wij in een ander volle
sympathie vinden voor hetgeen in ons oog mooi is, vooral wanneer dat
mooi een kind is van ons eigen diep denken en voelen!
Ik dacht weer aan zekere dagen in 't najaar van 1900. Hoe had mijn
vogeltje toen ook gejubeld heerlijke, schoone liederen, van weelde,
geluk en dankbaarheid! Er kunnen toch ontzaglijk mooie oogenblikken in
't leven zijn! En de herinnering aan zulk een oogenblik is een schat
voor 't leven; zij is een licht in donkere dagen, is een lafenis voor de
ziel, wanneer zij door melancholie bevangen wordt.
't Was toch zoo innig aardig van den heer Van Kol om hier te komen, die
vermoeiende reis naar ons uithoekje te maken, ter wille van hem geheel
vreemde menschen. Hij vaarde niet dadelijk met ons in hetzelfde
schuitje, o neen![2]
* * * * *
We willen van onze leerlingen volstrekt geen halve Europeanen maken, of
Europeesche Javanen. Met de vrije opvoeding beoogen wij, vóór alles om
van de Javanen, èchte Javanen te maken, Javanen, _bezield_ met _liefde_
en _geestdrift_ voor hun land en volk, met een _open oog_ en _hart_ voor
hunne schoonheden en--nooden! Wij willen ze geven 't mooie der
Europeesche beschaving, niet om hun eigen mooi te verdringen of te
vervangen, maar om 't te _veredelen_.
Door kruising van planten en dieren van verschillende soorten verkrijgt
men veredelde plant- en diersoorten. Zal 't niet even zoo gaan met de
zeden der volkeren? Wanneer het goede van het eene gemengd werd met dat
van een ander, zou daaruit niet veredelde zede voortspruiten?
Nu 't antwoord, "waarom 't absoluut Holland moet zijn", eene vraag
verleden door u gedaan.
R. omdat voor een van beide gekozen vakken zij slechts in Holland kan
worden opgeleid.
En ik, wat heb ik aan te voeren? ik kan hier even goed klaar komen als
in Holland. Zeer zeker, maar wanneer ik in Holland mijne opleiding
ontving, zou ik niet beter berekend kunnen zijn voor mijne taak als
onderwijzeres en opvoedster? Mijn gezichtskring zou verruimd worden,
mijn geest verrijkt, en dit alles zou ongetwijfeld ten goede komen aan
de vervulling van mijn taak.
Europa zal mij zooveel leeren en geven, dat mijn eigen land mij niet
geven en leeren kan.
Behalve de gewone vakken van 't lager onderwijs en handwerken, zou ik o
zoo graag op onze school (!!!) nog één vak onderwezen zien: de kennis
van ons lichaam, zijn in- en uitwendigen bouw plus den dienst, die elk
onderdeel van 't menschelijk organisme te verrichten heeft voor de
instandhouding van 't leven en de gezondheid. Vele ongelukken waren niet
gebeurd of dan tot een minimum teruggebracht, indien die nuttige kennis
't eigendom van velen ware! Om maar iets te noemen, onlangs werd een
meisje door den tram overreden. Zij werd naar de kotta getransporteerd
om onder geneeskundige behandeling te worden gesteld; zij kwam er aan
als lijk; 't arme kind was gewoon doodgebloed, omdat noch de politie,
noch 't trampersoneel, eenig verstand had van 't samenstel der aderen,
evenmin van verbinden. Die kennis van gezondheidsleer, ziekenleer en
verbandleer moeten tot onze opvoeding behooren, vind ik. Eens in zijn
leven moèt de mensch, inzonderheid de vrouw, voor een ziekbed staan, van
dierbaren, of van vreemden; ellendig is 't dan met onze handen verkeerd
te staan, wat onvermijdelijk is, als men niets geen kennis bezit op dat
gebied. Die ellende heb ik diep gevoeld, toen ik een mijner dierbaren
doodziek zag liggen.
Die kennis wil ik mij verwerven en ze op onze school onderwijzen; dat
kan ik in Holland gemakkelijk, waar alles bij de hand is.
En waarom, nog meer, wij een tijdelijk verblijf in Europa wenschelijk
voor ons achten, 't is om er ons te zuiveren van hinderlijke invloeden
onzer Inlandsche opvoeding, waaraan wij niet ontsnapt zijn, helaas!
Wildvreemde Europeanen, al was 't een bataljon, beweert zus R., te
ontmoeten, vinden wij niets; voor één vreemden Javaan kruipen we schuw
in onze schulp.
Zoo is 't met meer dingen.
Wij willen ons geheel losmaken van de knellende banden onzer
ingewortelde gebruiken, aan welker invloed wij niet hebben kunnen
ontkomen; alle vooroordeel, dat ons nog aankleeft en remmend werkt, van
ons afwerpen, opdat onze geest frisch en vrij, des te breeder zijn
vleugels zou kunnen uitslaan, dat ten goede moet en zal komen van 't
werk, dat wij willen ondernemen.
Daarvoor moeten wij in een geheel andere omgeving komen, in een ander
land, met heel andere zeden, gebruiken, gewoonten en toestanden. Wij
verwachten van Europa, dat het ons beter zal voorbereiden, toerusten
voor 't werk, dat wij willen verrichten; dat 't ons stalen, ompantseren
zal, voor menige giftige pijl, die zeker vele landgenooten op ons zullen
afschieten, omdat wij anders durven zijn dan zij.
Europa zal ons leeren inderdaad _vrij zijn_!
Heb ik 't "waarom" goed uitgelegd? Ik hoop, dat u mij begrepen heeft.
En--kunt u met me medegaan?
Er is nog meer, waarom wij een tijdelijk verblijf in Europa voor ons
wenschen, doch bovenstaande is u, hoop ik, genoeg.
[1] Deze tentoonstelling werd te Batavia gehouden om de aandacht te
vestigen op de Inlandsche kunstnijverheid en kunst, welker bestaan door
de meesten ontkend werd.
[2] Het hier volgend overzicht van het gesprek is reeds opgenomen op
blz. 193 e.v.