26 Mei 1902. (V.)

Uw laatsten brief, waarin ge zoo sympathiek over 't Javaansche volk

schreeft, heb ik vele malen herlezen. Ik vind 't gewoon zalig, dat gij

zoo vriendelijk over 't bruine ras, mijn volk, denkt. O, kon ik u allen

toch maar hier bij ons hebben; ik zou u zoo graag veel van mijn volk

laten zien. Waar zou men een volk beter kunnen leeren kennen en

begrijpen dan in den schoot van dat volk zelf, en dat is hier eene echt

Javaansche omgeving. Gij weet, dat gij allen ons ten allen tijde welkom

zijt.

Ik vind het innig lief van u, om mij bij u te willen hebben; doch

helaas! voorloopig mag ik alleen maar uw goeden wil apprecieeren. Alleen

naar Buitenzorg reizen behoort op het oogenblik nog tot de verboden

vruchten. Maar wie weet of niet reeds gauw daarin eene verandering zal

komen! Zooveel, wat ons vandaag nog absoluut onmogelijk toeschijnt,

blijkt morgen een voldongen feit te zijn. 't Javaansche volk is een volk

van herinnering en sprookjes; in droomen en sprookjes gebeuren de

wonderlijkste dingen, en mijn door en door Javaansch hart houdt zich aan

de illusie vast, dat evenals in 't ver, ver verleden, ook in 't heden

wonderen kunnen gebeuren!

O! als ge eens wist wàt de droomen zijn der Javaansche meisjes uwer

kennis! Mogelijk dat gij er u over verbazen zult, ze vreemd vinden, als

ik ze u vertel; maar, naar ik hoop, niet medelijdend de schouders er

voor zult ophalen. Gij weet, dat we dol, dol graag naar uw land zouden

willen gaan, nietwaar? maar niet waarom en waarvoor. Het meest voor de

hand liggende is, om vreemde landen en toestanden te zien en om er te

genieten en pret te maken. Wij voelen zóó veel voor ons volk, zijn lief

en leed gaan ons zoozeer ter harte; is 't wonder, dat er in ons een

groot verlangen is, om wàt te kunnen doen, dat ons volk tot heil en

zegen strekt?

Wat dat nu te maken heeft met ons verlangen naar uw land? Wij zouden zoo

innig graag daar kennis willen vergaderen voor ons volk. Het mooie van

andere volkeren, van uw volk in de eerste plaats, te kunnen geven aan

ons volk, niet om zijn eigen karakter te verdringen, te vervangen, maar

om de goede eigenschappen, die het reeds heeft, te _veredelen_; dat

staat ons voor oogen!

O! mede te kunnen arbeiden aan 't heerlijke, grootsche werk, de

beschaving, veredeling van een volk, is ons een ideaal allen

levensstrijd waard.

't Is zoo jammer, dat wij zoo ver van elkander afwonen, wat zou ik 't

heerlijk vinden om veel met u gedachtenwisseling en wrijving te houden.

In een gesprek kan men zooveel beter uitdrukken wat men denkt en wil.

Onze correspondentie is mij hoe langer hoe aangenamer, wij ontmoeten

elkaar op zoo menig punt.

Wat zou ik u graag mijn volk willen leeren kennen en begrijpen, zooals

ik het ken en begrijp. Daar is zooveel liefs en poëtisch bij. Er moest

op Java een wonderartiest opstaan, die in mooie taal zijne landgenooten

van 't volk, in welks midden hij woont, vertelt evenals Fielding het

gedaan heeft van het Burmaansche volk.

In plaats daarvan, dat beruchte boek van Veth, dat zooveel pennen in

beweging heeft gebracht en een storm van verontwaardiging heeft doen

opgaan!

Welk land heeft zijne gebreken niet? Indië evengoed als elk ander land

op den aardbol. Arm Indië, in 't buitenland weet men al zoo bitter

weinig van u, en boeken als dat van Veth, zullen zeker niet de

belangstelling in u doen toenemen, wel u doen afstooten!

Augusta de Wit daarentegen schrijft zoo innig sympathiek en in welke

schoone taal over Indië! Wij lezen haar stukjes in de Gids met zoo'n

genot.

En wat de natuur en kunst betreft, daarover "droomt" (zijn

lievelingsuitdrukking) Borel zoo heerlijk mooi; over andere onderwerpen

is Borel minder goed te spreken, daarover gaat hij hand aan hand met

zijn vriend Veth mee. Kent gij Borel's stukje over de gamelan? Wij

vinden 't een juweeltje! Hebt gij dat mooie artikel van Martine Tonnet

over de Wajang Orang aan 't Djokjasche hof, in de Gids, gelezen? Ook dat

is een juweeltje. Borel moest ook eens zoo'n srimpie dans bijwonen; wat

zal hij dan verrukkelijk aan 't dichten gaan! Die dans der Solosche en

Djokjasche prinsessen moet goddelijk mooi zijn! 't is de dans der

dansen, zegt men. 't Is jammer, dat wij er niet naar toe kunnen gaan.

Men heeft ons er dikwijls genoeg voor gevraagd, maar wij vinden 't zoo

eng om in hofkostuum gekleed te gaan. Aan 't hof moèt iedereen zoo

gekleed gaan (als eene bruid).

Doch nu dwaal ik geheel van mijn onderwerp af. Wij houden dol veel van

lezen, en 't spijt ons zoo innig, innig, dat wij geen talen kennen. Er

is hier geen gelegenheid om die te leeren; 't is al heel mooi, dat wij

ons in uw taal kunnen verstaanbaar maken. Hè, en wij zouden zoo

zielsgraag die talen willen leeren. O! we verlangen er zóó naar, al die

mooie werken in 't oorspronkelijk te kunnen genieten! Hoe mooi eene

vertaling ook is, 't oorspronkelijke is steeds mooier. Kent gij dat

beelderige sprokenboek van Marie Marx-Koning? Wij vinden 't zoo mooi. 't

Komt mij voor, dat zij eene vurige bewonderaarster is van Van Eeden. De

grondgedachte van "'t Viooltje, dat weten wilde", vind ik in "De Kleine

Johannes" terug. Vindt ge ze ook niet innig fijn, en o zoo mooi en waar

gedacht en zoo prachtig weergegeven?

Met belangstelling las ik hetgeen ge mij van uw protegeetje schreeft en

van de armen in 't algemeen in Holland. Ja, van die bittere ellende der

armen, als 't winter is, hoor ik veel. Arme, arme stumperds! Ik

correspondeer met een Friezinnetje; zij vertelde mij veel van de

toestanden in Holland, vooral van de armen in Friesland. Zij heeft veel

in den winter op den kouden grond gezeten bij arme menschen, die in

krotjes op de hei wonen. Barre winter, geen werk, geen eten, geen vuur,

geen kleeren, geen warm dek--en schreiende kinderen. Bitter hard is 't.

Zulke ellende kennen we hier niet, doch wacht, laat ik niet te hard

spreken. In onze buurt wordt zoo bitter ellende geleden. Geen kou, ja,

maar steenen en zand zijn tot dusver oneetbaar. Men ziet en hoort

zooveel ellendigs.

Waar moet 't heen? Ge hebt zeker ook gehoord van de 500 weezen, die

hunne ouders aan de cholera verloren hebben. Arme stumperds; zoo jong en

reeds ouderloos; doch ze hebben of zullen het nu beter hebben, dan ze

het bij hunne eigen ouders ooit hadden en zouden kunnen hebben. Voor hen

wordt nu _gezorgd_, terwijl bij hun eigen ouders weinig of niets om hen

bekommerd werd.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 63 / 136 题