Uw laatsten brief, waarin ge zoo sympathiek over 't Javaansche volk
schreeft, heb ik vele malen herlezen. Ik vind 't gewoon zalig, dat gij
zoo vriendelijk over 't bruine ras, mijn volk, denkt. O, kon ik u allen
toch maar hier bij ons hebben; ik zou u zoo graag veel van mijn volk
laten zien. Waar zou men een volk beter kunnen leeren kennen en
begrijpen dan in den schoot van dat volk zelf, en dat is hier eene echt
Javaansche omgeving. Gij weet, dat gij allen ons ten allen tijde welkom
zijt.
Ik vind het innig lief van u, om mij bij u te willen hebben; doch
helaas! voorloopig mag ik alleen maar uw goeden wil apprecieeren. Alleen
naar Buitenzorg reizen behoort op het oogenblik nog tot de verboden
vruchten. Maar wie weet of niet reeds gauw daarin eene verandering zal
komen! Zooveel, wat ons vandaag nog absoluut onmogelijk toeschijnt,
blijkt morgen een voldongen feit te zijn. 't Javaansche volk is een volk
van herinnering en sprookjes; in droomen en sprookjes gebeuren de
wonderlijkste dingen, en mijn door en door Javaansch hart houdt zich aan
de illusie vast, dat evenals in 't ver, ver verleden, ook in 't heden
wonderen kunnen gebeuren!
O! als ge eens wist wàt de droomen zijn der Javaansche meisjes uwer
kennis! Mogelijk dat gij er u over verbazen zult, ze vreemd vinden, als
ik ze u vertel; maar, naar ik hoop, niet medelijdend de schouders er
voor zult ophalen. Gij weet, dat we dol, dol graag naar uw land zouden
willen gaan, nietwaar? maar niet waarom en waarvoor. Het meest voor de
hand liggende is, om vreemde landen en toestanden te zien en om er te
genieten en pret te maken. Wij voelen zóó veel voor ons volk, zijn lief
en leed gaan ons zoozeer ter harte; is 't wonder, dat er in ons een
groot verlangen is, om wàt te kunnen doen, dat ons volk tot heil en
zegen strekt?
Wat dat nu te maken heeft met ons verlangen naar uw land? Wij zouden zoo
innig graag daar kennis willen vergaderen voor ons volk. Het mooie van
andere volkeren, van uw volk in de eerste plaats, te kunnen geven aan
ons volk, niet om zijn eigen karakter te verdringen, te vervangen, maar
om de goede eigenschappen, die het reeds heeft, te _veredelen_; dat
staat ons voor oogen!
O! mede te kunnen arbeiden aan 't heerlijke, grootsche werk, de
beschaving, veredeling van een volk, is ons een ideaal allen
levensstrijd waard.
't Is zoo jammer, dat wij zoo ver van elkander afwonen, wat zou ik 't
heerlijk vinden om veel met u gedachtenwisseling en wrijving te houden.
In een gesprek kan men zooveel beter uitdrukken wat men denkt en wil.
Onze correspondentie is mij hoe langer hoe aangenamer, wij ontmoeten
elkaar op zoo menig punt.
Wat zou ik u graag mijn volk willen leeren kennen en begrijpen, zooals
ik het ken en begrijp. Daar is zooveel liefs en poëtisch bij. Er moest
op Java een wonderartiest opstaan, die in mooie taal zijne landgenooten
van 't volk, in welks midden hij woont, vertelt evenals Fielding het
gedaan heeft van het Burmaansche volk.
In plaats daarvan, dat beruchte boek van Veth, dat zooveel pennen in
beweging heeft gebracht en een storm van verontwaardiging heeft doen
opgaan!
Welk land heeft zijne gebreken niet? Indië evengoed als elk ander land
op den aardbol. Arm Indië, in 't buitenland weet men al zoo bitter
weinig van u, en boeken als dat van Veth, zullen zeker niet de
belangstelling in u doen toenemen, wel u doen afstooten!
Augusta de Wit daarentegen schrijft zoo innig sympathiek en in welke
schoone taal over Indië! Wij lezen haar stukjes in de Gids met zoo'n
genot.
En wat de natuur en kunst betreft, daarover "droomt" (zijn
lievelingsuitdrukking) Borel zoo heerlijk mooi; over andere onderwerpen
is Borel minder goed te spreken, daarover gaat hij hand aan hand met
zijn vriend Veth mee. Kent gij Borel's stukje over de gamelan? Wij
vinden 't een juweeltje! Hebt gij dat mooie artikel van Martine Tonnet
over de Wajang Orang aan 't Djokjasche hof, in de Gids, gelezen? Ook dat
is een juweeltje. Borel moest ook eens zoo'n srimpie dans bijwonen; wat
zal hij dan verrukkelijk aan 't dichten gaan! Die dans der Solosche en
Djokjasche prinsessen moet goddelijk mooi zijn! 't is de dans der
dansen, zegt men. 't Is jammer, dat wij er niet naar toe kunnen gaan.
Men heeft ons er dikwijls genoeg voor gevraagd, maar wij vinden 't zoo
eng om in hofkostuum gekleed te gaan. Aan 't hof moèt iedereen zoo
gekleed gaan (als eene bruid).
Doch nu dwaal ik geheel van mijn onderwerp af. Wij houden dol veel van
lezen, en 't spijt ons zoo innig, innig, dat wij geen talen kennen. Er
is hier geen gelegenheid om die te leeren; 't is al heel mooi, dat wij
ons in uw taal kunnen verstaanbaar maken. Hè, en wij zouden zoo
zielsgraag die talen willen leeren. O! we verlangen er zóó naar, al die
mooie werken in 't oorspronkelijk te kunnen genieten! Hoe mooi eene
vertaling ook is, 't oorspronkelijke is steeds mooier. Kent gij dat
beelderige sprokenboek van Marie Marx-Koning? Wij vinden 't zoo mooi. 't
Komt mij voor, dat zij eene vurige bewonderaarster is van Van Eeden. De
grondgedachte van "'t Viooltje, dat weten wilde", vind ik in "De Kleine
Johannes" terug. Vindt ge ze ook niet innig fijn, en o zoo mooi en waar
gedacht en zoo prachtig weergegeven?
Met belangstelling las ik hetgeen ge mij van uw protegeetje schreeft en
van de armen in 't algemeen in Holland. Ja, van die bittere ellende der
armen, als 't winter is, hoor ik veel. Arme, arme stumperds! Ik
correspondeer met een Friezinnetje; zij vertelde mij veel van de
toestanden in Holland, vooral van de armen in Friesland. Zij heeft veel
in den winter op den kouden grond gezeten bij arme menschen, die in
krotjes op de hei wonen. Barre winter, geen werk, geen eten, geen vuur,
geen kleeren, geen warm dek--en schreiende kinderen. Bitter hard is 't.
Zulke ellende kennen we hier niet, doch wacht, laat ik niet te hard
spreken. In onze buurt wordt zoo bitter ellende geleden. Geen kou, ja,
maar steenen en zand zijn tot dusver oneetbaar. Men ziet en hoort
zooveel ellendigs.
Waar moet 't heen? Ge hebt zeker ook gehoord van de 500 weezen, die
hunne ouders aan de cholera verloren hebben. Arme stumperds; zoo jong en
reeds ouderloos; doch ze hebben of zullen het nu beter hebben, dan ze
het bij hunne eigen ouders ooit hadden en zouden kunnen hebben. Voor hen
wordt nu _gezorgd_, terwijl bij hun eigen ouders weinig of niets om hen
bekommerd werd.