17 Mei 1902. (I.)

Ik kan je niet zeggen hoe _heerlijk_ ik 't vond eindelijk eens met mijne

studie te kunnen beginnen. Het is nu nog maar een ophalen van hetgeen ik

eens heb gekend en geweten; ik ben er eventjes meer dan _10_ volle jaren

uitgeweest. Ik was verbaasd, dat ik niet _alles_ was vergeten. Een

voordeel heb ik toch van dit laat studeeren; ik ben nu bevattelijker;

begrijp vlugger en beter dan ik het op vroegeren leeftijd zou kunnen.

Innig jammer blijf ik het vinden, dat ik nu niet, in stede van 23, 13

jaar oud ben; ik zou mijne studie kunnen uitbreiden, en nu ben ik door

mijn leeftijd gebonden. Eerst de twee Hollandsche acten halen en dan

later een of twee Inlandsche talen.

Daar net heb ik werkstaking moeten houden; verbeeld je mijn penhouder is

midden door gebroken, dat is mij nooit nog overkomen! Arme pen! ik heb

mij zeer aan haar gehecht, wij hebben zoolang heerlijk samengewerkt!

Raar mensch, wie gaat nu treuren om een gebroken penhouder!

In April zijn wij op reis geweest; wij hebben zusje eens opgezocht. Wij

vertrokken van huis niet met het minste idéé haar weer te zien, we

moesten naar eene zuster, die ziek lag (onze oudste). Daar kregen wij

van zusje een brief met eene roerende bede om toch door te gaan naar

Pemalang. Den volgenden morgen dadelijk spoorden wij naar haar toe. Hoe

je dat weerzien te beschrijven? Het was eenvoudig _zalig_! We deden in

de eerste oogenblikken niets anders dan elkaar aanzien, toelachen en

vasthouden. En wat stemde mij dat dankbaar, haar zoo gezond te zien. Zoo

frisch en bloeiend zag zij er nooit te voren uit! Zij had _rozen_ op de

wangen. Vooral stemde mij tot dankbaarheid te zien, hoe haar man _haar

eert_ en _waardeert_.

Ik heb met _groot_ genoegen nader met mijnen nieuwen broer kennis

gemaakt. Het is een goedhartige en hartelijke man, met veel goede

eigenschappen. Hij is zeer oprecht, rechtvaardig, trouw, en heeft een

medelijdend hart. Zij is zijn kameraad, zijn raadgeefster, zijn vriendin

en de _moeder_ zijner drie kinderen die aan haar gehecht zijn als aan

een eigen moeder.

De kinderen volgen haar overal op den voet, als kleine trouwe hondjes.

Het oudste kind, een jongen van 7, is bij de grootouders in huis; zus

had hem dolgraag bij zich genomen, en het kind, dat met haar dweept,

wil niets liever, maar de grootouders staan haar hem niet af. De twee

anderen zijn meisjes van 6 en 4; die gaat zij nu thuis les geven, mijn

a.s. _leerlingetjes_, Stella! Hij laat de opvoeding zijner kinderen

geheel aan haar over, en natuurlijk dat zusje haar dochtertjes in _onzen

geest_ zal opvoeden. Zus heeft haar meisjesdroom niet kunnen

verwezenlijken, zooals zij zich dien gedroomd had, maar is de taak, die

zij op zich genomen heeft daarom minder schoon? nog kan zij een rijken

zegen om zich heen verspreiden.

Onze wegen loopen uiteen, maar beiden beoogen wij hetzelfde Ideaal! wat

komt het er op aan, nietwaar, welken weg je gaat, als hij maar goed is

en naar 't hooge doel leidt?

* * * * *

Ik verlang met hart en ziel naar Holland om zoovele redenen; ten eerste,

omdat ik mij daar beter zou kunnen voorbereiden voor de taak, die ik zoo

graag op mij wil nemen; ten tweede, ik wil Europeesche lucht inademen om

de restantjes vooroordeel, die mij nog aankleven, geheel er uit te

krijgen; veel is 't niet, maar het werkt toch _remmend_. Holland moet en

zal van mij in waarheid maken eene _vrije_ vrouw. Jullie lucht, jullie

kou, moet alle vooroordeelen die mij nog aankleven van mij losmaken;

eerst dan zal ik in waarheid _vrij_ zijn!

Om maar een voorbeeld te noemen, ik, die 't niets zou vinden om mij te

bewegen in eene zaal enkel met heeren (Europeanen) gevuld, zou geen raad

weten, indien ik ook maar één vreemden Javaan, standgenoot en

ongetrouwd, moest ontvangen. Vind 't belachelijk, bespottelijk, idioot,

maar waar is 't; ik durf gewoon niet vreemde mannen, zonder geleide,

voorbij loopen; en al had ik gezelschap, dàn nòg zou ik 't vervelend

vinden, en niet op mijn gemak zijn!

Zoo zie je, ondanks mijn sterken vrijheidszin heb ik niet kunnen

ontkomen aan _dien_ invloed mijner Inlandsche opvoeding, die meisjes

streng van vreemde mannen afgezonderd houdt. Als je steeds voorgehouden

wordt, dat 't niet welvoegelijk is om als jong meisje je aan vreemde

mannenoogen te vertoonen, en je mannen steeds uit den weg moet blijven,

dan moet je 't op 't laatst wel benauwend vinden om die wezens te

ontmoeten. Dit mag zoo niet blijven; dat vooroordeel _moet_ verdwijnen.

Hoe zouden wij anders met de mannen kunnen samenwerken? Dit is een

groote illusie van ons.

En alleen de Europeesche lucht zal mij geheel kunnen zuiveren van die

invloeden mijner Inlandsche opvoeding; jouw land, Stella, zal mij die

vooroordeelen doen afwerpen, die nu zoo remmend werken.

Lach mij gerust uit om die dwaasheid. Maar jouw land, zal mij vrij,

_inderdaad vrij_ maken!

19 April kwamen wij van ons reisje terug. Vader reisde ons eenige

stations tegemoet en verwelkomde ons met een lang diensttelegram van den

Resident, het heugelijk nieuws meldende, dat de heer Van Kol den

volgenden dag op Japara komen zou. Dat was een verrukkelijke

welkomstgroet en nog meer vond ik thuis, n.l. je brief. Al de

bestuursambtenaren langs de geheele lijn kregen van den Resident order

om den reiziger op te wachten. De reis van Semarang naar Japara werd

aldoor aan studie gewijd. Wat een zeldzaam werkzame en krachtige geest!

Niets ontsnapt zijn aandacht. Zien, hooren, opnemen en verwerken is één

bij hem. Zondagmiddag omstreeks 3 uur kwamen de reizigers aan: Van Kol,

een journalist, die hem tot tolk en gids diende, en Vader, die hem op de

grens opwachtte. Ze hadden onderweg een ongeluk gehad; 't rijtuig brak

zijn vooras en de reis werd in hotsende karretjes voortgezet.

Benijdenswaardige man! Hij kan overal rust vinden, als hij die noodig

heeft; in een hotsend karretje slaapt hij even heerlijk als op 't

zachtste veerenbed.

Van Kol had zich vast voorgenomen om nergens anders dan in hotels te

logeeren; overal wees hij de hem aangeboden gastvrijheid van de hand.

Ook hier kwam hij aan met het voornemen in 't hotel af te stappen, maar

na de kennismaking nam hij wèl het hem door ons aangeboden logies aan.

Later hoorden wij, dat wij 't waren, die hem ontrouw hadden gemaakt aan

zijn beginsel. Hij vond hier zooveel stof tot leering en onderzoek; hij

kon nagaan, welken invloed eene Europeesche opvoeding op meisjes der

aristocratie heeft en die gelegenheid wilde hij niet ongebruikt laten

voorbijgaan. Gelukkig, dat wij dit eerst later te hooren kregen; de

weet, dat wij de voorwerpen zijner studiën waren, zou ons beklemmen en

misschien verhinderen natuurlijk te zijn.

Aan tafel dien middag spraken we bijna aldoor over zijne vrouw en

kinderen. 't Was heerlijk om te hooren, hoe die man zijne vrouw eert.

Hij is ook door correspondentie aan haar gekomen, een aanrakingspunt

meer, Stella. Hij correspondeerde met haar naar aanleiding van haar

letterkundigen arbeid. Door een toeval is zij tot de ontdekking gekomen

van hare heerlijke Godsgave, haar prachtig schrijfsterstalent! Zij was

destijds gouvernante, en maakte met vrienden een uitstapje naar een

villa tegen de helling van den Pinanggoengan (naar die villa heet hun

villa in Prinsenhage "Lali djiwa", zielerust); een van hen moest eene

beschrijving van die reis maken en 't lot zou den schrijver(ster)

aanwijzen. En 't viel op haar. Zij zond die beschrijving op, en de

redacteur vroeg naar meer pennevruchten.

Van Kol is op alle plaatsen geweest, waar hij vroeger gewerkt en gewoond

had; en de kinderen, die vroeger met zijn dochtertje speelden, vond hij

als moeder terug; hij kende ze alle nog bij hare namen.

Vier dagen had hij voor midden-Java, en van die vier gaf hij ons één.

Stella, zóó gelukkig, als dien dag en dien avond met den heer Van Kol,

hebben wij ons in lang niet gevoeld. Oh! was kleintje er maar bij

geweest, wat zou dat kleine ding er van genoten hebben! En jij, Stella,

wat zou jij er van "smullen", maar jij was _er bij_, jou had ik aldoor

in de gedachten, toen ik daar naast Van Kol zat, stond. Stella, Stella,

Stella, tikte aldoor mijn hart. Dat alles was _jouw_ werk, lieveling,

dat Van Kol daar in ons midden zat, we met elkaar uitwisseling en

wrijving van gedachten hielden en, 't heerlijkst van al, hij den weg

voor ons effenen zal! Hoe dank ik je, Stella. Daar zaten we dan op 't

voorste gedeelte der pendopo, onze gasten, onze ouders, Annie Glaser,

Roekmini en ik. Tevoren lieten wij hem voortbrengselen zien van den

artistieken arbeid van ons volk, die zeer zijne bewondering gaande

maakten en waarover hij aanteekeningen maakte. Eenigen van 't gezelschap

verwijderden zich, de stoel naast Van Kol kwam open, en daar nestelde ik

mij in.

Daar begon hij: U heeft plannen om naar Holland te gaan? Melchers

vertelde het mij.

Op mijn toestemmend antwoord ging hij voort: "Maar 't is voor u later

zoo moeilijk om terug te keeren. In dien terugkeer zit de grootste

moeilijkheid.

"Hoe bedoelt u dat?"

Hij vroeg openhartig te mogen zijn en vrijuit zijne gedachten uit te

spreken. Toen ik zei, dat ik niets anders van hem verwachtte, sprak hij:

"'t Is voor u zoo moeilijk, als u later trouwt. Als u in Holland is

geweest, zal u niet meer gelukkig kunnen zijn, als u de vrouw wordt van

een Inlandsch hoofd."

Hij haalde voorbeelden aan van zeer ontwikkelde Indische meisjes, hun

vriendinnen, die met Hollanders zijn getrouwd. Zij houden hartelijk veel

van elkaar, maar de Indische kan niet aarden in 't Hollandsche, en de

Hollander kan zich niet voegen naar 't Indische leven; zoo is er eene

voortdurende spanning tusschen de echtgenooten.

Hoe vindt je 't, dat ik kalm hem eerst zijn idee geheel ontvouwen liet,

voor ik met 't mijne voor den dag kwam. "Mijnheer Van Kol, mijne

bedoeling van dat naar Holland gaan, is om er te studeeren, voor een vak

opgeleid te worden, en wel speciaal voor 't onderwijs, om wanneer ik

weer in Indië terug ben, een internaat te openen voor dochters van

Inlandsche hoofden, aan wier opvoeding ik mij wensch te wijden."

Verrast keek hij me aan; er lichtte een blijde glans in de blauwe oogen,

die op me gericht waren, en als tot zichzelf sprak hij: "Dat is heel

mooi, dat is een mooi idee, een edel doel!" en dan tot mij: "Vindt u 't

niet heerlijk om een doel te hebben, een _levensdoel_? Er klonk zoo'n

geestdrift in zijn stem, 't blonk in zijne schitterende oogen! En ik

voelde mijn hart zoo warm worden, onbewust prevelden mijne lippen een

woord, een naam: "Stella".

Stella, kon ik je toen naast me tooveren, even, even maar, de aarde zou

te klein zijn geweest voor mijn geluk. Dàt was geluk, dat oogenblik,

waarop ik mij zóó _goed begrepen_ zag in mijne bedoelingen; mijne ideeën

waardeering vonden bij een superieur man als Van Kol. Dat gevoel moeten

de moeders zeker ook hebben, als zij hare kinderen begrepen en

gewaardeerd zien. Hij maakte 't mij zoo gemakkelijk; ik hoefde niet veel

te zeggen; hij begreep mij dadelijk en zoo _goed_.

Hij vroeg mij, of ik daarover ook met Mevrouw Rooseboom gesproken had.

Neen, ik was er niet toe in de gelegenheid geweest; beide keeren, dat

wij haar ontmoetten, was 't in een groot gezelschap, op een bal en op

een diner. Zij schenen op 't Paleis over ons gesproken te hebben,

althans de heer Van Kol vertelde mij dadelijk bij zijne komst, dat de

Gouverneur-Generaal hem medegedeeld had, dat Z.Exc. ons drieën kende.

't Is zoo innig jammer dat ik niet naar Buitenzorg kon gaan, om Mevrouw

Rooseboom te spreken. In een gesprek kan je zooveel beter uitdrukken,

wat je denkt en wil. Daar net kreeg ik eene uitnoodiging van eene dame,

om bij haar op Buitenzorg te komen logeeren; zij komt veel bij Mevrouw

Rooseboom.

Annie Glaser gaat in de vacantie, d.i. de volgende maand, naar Batavia

en Buitenzorg; zij zal voor ons gaan naar de familie A. om haar alles te

vertellen, wat wij op 't hart hebben, ook naar die familie in

Buitenzorg. Kon ik maar met haar mee.

Wat wij te doen hebben, een rekest indienen of iets dergelijks, zal de

Heer Van Kol ons schrijven van uit Batavia, waar hij een brief van ons

vinden zal, als hij er over een maand weer is, hem onze namen en

leeftijd meldend, en in 't kort nog eens, wat wij willen.

En opdat in Holland hij dadelijk aan ons herinnerd zal worden, heb ik op

zijn herhaald verzoek zijne vrouw geschreven, wat ik dolgraag deed!

Ook R.'s plan om naar de academie te gaan, juichte hij toe; en ook, dat

zij naar de huishoudschool wil over gaan, indien 't blijkt, dat zij niet

genoeg talent bezit om 't ooit ver in de kunst te kunnen brengen. Hij

deelde onze meening, dat zij daarmee ons volk ook van groot nut zal

kunnen zijn. Hij zou 't echter aardig voor haar vinden, als zij eerst

een paar maanden naar de academie ging voor zij er toe overging de

cursussen in huishoudkunde te volgen. Hij vond 't zoo aardig, dat wij

tweeën samen zullen werken en elkander aanvullen. "Ik vind 't zoo mooi

van u beiden", betuigde hij telkens, "dat u zoo iets wil en gaat

ondernemen".

Ook over 't idee om op alle scholen gezondheidsleer en aanverwante

vakken te onderwijzen, heb ik gesproken, en ik deelde hem mede, dat ik

gaarne een cursus in die vakken, als gezondheidsleer, verbandleer,

ziekenverpleging wilde volgen, om die kennis later in onze school te

onderwijzen. Hij vond dat heel mooi. "In Indië kunt u dat niet, of dan

heel, heel moeilijk; in Europa is 't heel gemakkelijk; u heeft alles bij

de hand, en u zal in een paar jaar tijds klaar komen. U spreekt,

schrijft en leest toch gemakkelijk Hollandsch". Slotsom is: "Wij moeten

naar Holland gaan"."Met die plannen moèt u wel naar Europa gaan, hier

kunt u ze niet in verwezenlijking brengen. Ik zou 't vreeselijk jammer

vinden, als u uwe ideeën niet kon verwezenlijken". Ik vertelde hem ook

waaròm nog meer wij een tijdelijk verblijf in Europa voor ons wenschen.

Hij deelde onze gevoelens daarover. Ook was hij 't eens met ons, dat

ons voorbeeld meer tot navolgen zal dwingen en onze ideeën meer verbreid

zullen worden, als wij onder bescherming der Regeering staan, werken.

Het Javaansche volk, dat te vergelijken is met een groot kind, houdt van

glans en schittering. Waar de machtige Regeering zich mee bemoeit, daar

heeft het respect voor.

Toen ik den Heer Van Kol onze ideeën ontvouwde, vroeg hij me hoe ik

daarop was gekomen. Hoe belangstellend volgde hij alles, wat ik

voordroeg. "Schrijft u mijne vrouw?" vroeg hij er telkens door.

Wij spraken over de opvoeding (als je dat tenminste zoo noemen mag) voor

dochters van den adel. Van Kol kende regentsvrouwen en wist van haar

eentonig leven.

't Werd tijd dat er aan de opvoeding der Javaansche meisjes wat gedaan

werd. Hij is de laatste man, tegen wien ik een betoog moet houden over

de beteekenis der vrouw in de maatschappij. Hoe vol liefde, eerbied,

vereering en waardeering sprak hij van zijne hoog en rijkbegaafde vrouw,

zijne leidster en raadgeefster!

Die _groote_ man, zich zoo klein makend voor zijne _vrouw_, klein van

gestalte, maar o zoo groot van hart en geest; 't ontroerde mij!

Ik was zoo zacht gestemd in zijn gezelschap. Wat zal 't mij oneindig

goed doen, als Fortuna mij later in "Lali Djiwa" voert en ik weken lang

het gezelschap dier superieure zielen en geesten geniet! zal 't

gebeuren, Stella, zal het? Ik ben zóó bang, 't is zóó mooi, te schoon,

om waar te zijn. Hoevele keeren, vooral in den laatsten tijd, heb ik

gemeend de verwezenlijking mijner hartewenschen nabij te zijn, en 't

bleek telkens een droom te zijn geweest! Alleen als er iets droefs

gebeurde was 't _werkelijkheid_.

Zóóveel hebben wij reeds voor onze zaak geleden, Stella; wij weten 't,

nog veel, veel meer zullen wij er voor moeten lijden. God geve, dat al

dat lijden en strijden niet vruchteloos, nutteloos moge zijn, dat

daaruit bloemen mogen opbloeien voor onze medemenschen! Wij zullen al

zóó dankbaar zijn, als met al dien strijd, smart en tranen, wij ook maar

één enkele bloem mogen plukken voor onze medemenschen! Als wij niet naar

Holland kunnen gaan, Stella, sta ons dan af aan Modjowarno. Véél mooie

illusies zullen daardoor vermoord worden, maar wees met ons dankbaar,

dat wij ons _karakter hoog_ hebben kunnen houden. Naar Modjowarno gaan,

beteekent voor ons, dood zijn voor de wereld, waarin wij tot dusver

geleefd hebben, maar voor de enkelen, wier onverdeelde sympathie wij

bezitten en wier meening voor ons van de hoogste waarde is, blijven wij

leven. Wij zullen niets meer kunnen doen voor de vrouwen der

aristocratie, wier lot juist zoo hard is (van zeer velen althans) en ons

met innig medelijden vervult, tenzij met de pen. En toch, beter nog dan

1000 bezielende woorden, is een enkel _sprekend voorbeeld_! Het zal

kracht bijzetten aan 't _woord_. Voor ons is Modjowarno gemakkelijker;

wij zullen daar geen tegenstand hebben te overwinnen noch vooroordeel!

Het volk zal gaarne ons in zijn midden opnemen. De strijd, dien we daar

te voeren zullen hebben, is tegen ons zelve, tegen eigenaardigheden in

onze opvoeding.

Men heeft mij aangeraden om _alles_ wat ik denk en gevoel over 't zwaar

onrecht in onze vrouwenwereld, waaraan _verscheidene_ vrouwen haar

ellendig bestaan danken, op schrift te brengen, hetzij in een brochure,

hetzij in een brief aan de Koningin. Het zal aan onze zaak heel veel

goed doen, als eene _vrouw_ zelf, op dat onrecht wijst. Maar ik moet wèl

weten wat ik doe. Met mijn stem luide daartegen te verheffen, haal ik

mij den toorn en haat van heel de Javaansche mannenwereld op den hals.

Ik weet het, voor mij persoonlijk vrees ik noch dien haat noch dien

toorn; maar als ik onderwijzeres werd, zou 't kunnen gebeuren, dat ik

daardoor voor een klasse zonder leerlingen stond. Aan zoo iemand zal men

zijn kinderen niet ter opvoeding toevertrouwen. Ik zou met dàt te doen

de mannen tasten in hun egoïsme. Wee over hen, die in toestanden

grijpen, die 't grenzeloos egoïsme van mannen wettigen, rechtvaardigen!

Het antwoord op mijn vraag, wanneer een Mohammedaansch meisje

meerderjarig is, heb ik gekregen. Het luidt: "Een Mohammedaansch meisje

is _nooit_ mondig; wil zij vrij worden, dan moet zij eerst trouwen,

daarna kan zij weer scheiden".

Wij moeten ons zelf _mondig_ verklaren en de wereld _dwingen_ onze

mondigheid te _erkennen_; wij _zullen_ het!

Je weet, dat Van Kol hier met een journalist kwam; deze gaf eene heele

beschrijving van de reis, die hij met den heer Van Kol meemaakte. Ook 't

bezoek aan de kaboepaten te Japara stond er in vermeld; en verbeeld je,

ook 't een en ander over ons onderhoud met den heer Van Kol. Nu, men

weet dus, van welke richting we zijn. Ik hoop nu maar, dat die

publicatie van onze ideeën, instede van afbreuk te doen aan onze zaak,

haar ten goede zal komen. Voor 't eerst dan werd mijn naam in 't

openbaar samengenoemd met _mijn volk_; dáár hoort hij voortaan bij! Ik

ben er trotsch op, Stella, in één adem genoemd te worden met mijn volk!

* * * * *

Bewaar jij dat portret als een aandenken aan den driebond. Arm

klaverblaadje, 't was te mooi geweest, daarom moest het gescheiden

worden. 't Is het beste portret, dat er van ons bestaat, daar lijken wij

allen goed op. 't Was in de kerstdagen gemaakt, 't laatste portret,

waarop wij drieën als jonge meisjes staan. Dat groepje dunkt mij zoo

weemoedig. 't Was zoo mooi geweest, drie harten tezamen gepast aan één

steel, en nu is er één van afgescheurd. Of de wonden ooit genezen

zullen? Ik weet het niet, ze bloeden nog bij de minste aanraking.

O, Stella, je weet niet, hoe we haar missen. Alles herinnert ons aan

haar, spreekt van onze lieveling. Wij voelen ons nu zoo _oud_ al; het

verleden lijkt ons al eeuwen achter ons te liggen. En toch, 't is nog

niet eens een half jaar geleden, dat zij ons verliet!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 62 / 136 题