27 April 1902. (VII.)

Van kind af aan heb ik veel van leeren gehouden en is 't altijd mijn

grootste en liefste illusie geweest om zooveel te weten en te kennen,

dat ik mij nuttig kon maken voor anderen. Hoe gaarne had ik niet met

onze jongens meê naar de H.B.S. gewild, maar 't werd mij niet toegestaan

helaas! 't Was al heel mooi, dat wij meisjes de lagere Europeesche

school mochten bezoeken; 't was geen adat, dat meisjes ook school

gingen. Wij zijn onze ouders o zoo dankbaar, dat zij met die adat

gebroken hebben, en ons naar school hebben gezonden. De kennis der

Nederlandsche taal is voor ons een onuitputtelijke bron van genot; zij

ontsloot voor ons zooveel schoons, van welks bestaan wij te voren geen

flauw vermoeden hadden.

En dat mooie van andere volken nu, zouden wij o zoo zielsgraag geven aan

ons eigen volk, niet om zijn eigen mooi te verdringen, te vervangen door

vreemde, maar om het te _veredelen_!

Ons volk mede te kunnen helpen opheffen, opvoeren tot hooger zedelijk

standpunt en zoo te komen tot betere, gelukkiger maatschappelijke

toestanden is voor ons een ideaal, allen levensstrijd waard! Hoe daartoe

te komen? waarmede te beginnen? Er moet begonnen worden met 't begin, en

d.i. de _opvoeding_!

O! zoo dikwijls rijst uit 't diepst van ons wezen, telkenmale als droeve

dingen zich aan ons oog vertoonen, smartkreten van lichamelijke en

moreele ellende ons oor bereiken, als een wanhoopskreet de bede op:

"Geef den Javaan opvoeding!" Een heel volk ineens op te voeden is

natuurlijk niet te doen, maar wat wèl kan, is de bovenste lagen er van

zóó op te voeden, dat ze de onderstaanden tot zegen worden!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 61 / 136 题