De Vaderlandsche geschiedenis, waartegen ik een beetje opzag, vanwege de
saaie herinnering, die ik er van had, van school, valt me èrg mee. Nu
vinden wij haar prettig, en vooral zeer interessant, maar 't is ook heel
anders geschreven, dan in dat boekje, dat we op school hadden.
Dat late leeren heeft toch ook wel zijn voordeel: wij begrijpen en
verstaan nu zooveel beter; en veel, dat vroeger _dood_ was voor ons,
krijgt nu leven; wij interesseeren ons voor zooveel dingen, die ons
vroeger koud lieten, om de eenvoudige reden: wij _begrepen ze niet_. Wat
zalig zou 't zijn om nu iemand te hebben, die ons de dingen, waarin wij
zoo levendig belangstellen, kon uitleggen! Die zwijgende leermeesters
moeten nu antwoord geven op al onze vragen. Vandaag hebben wij "taal".
De kleintjes keken met verbazing naar ons doen, zij konden maar niet
begrijpen, wat wij toch uitvoerden. O! wanneer zal dat heerlijk
oogenblik toch eindelijk dáár zijn, waarop wij voor de wereld de studie
als onze bruid mogen omhelzen!
* * * * *
Wij moeten alle lichtzijden opzoeken; als er geen is, dan de donkere wat
oppoetsen, dat is de kunst om blijmoedig te leven, is 't niet?
Ik heb veel nagedacht over hetgeen men "'t heel goed hebben" noemde. Bij
veel, wat ik in de laatste dagen _zag_, dacht ik onwillekeurig aan dat
gezegde en dan glimlachte ik ironisch. O! lieve Mevrouw, 't is en 't zal
de eerste keer niet zijn, dat er iets verzwegen wordt, ontkend! De
wereld is nog steeds hoogst zedelijk, zij wil de _naakte_ waarheid niet
zien, en wendt vol afschuw zich van haar, de naakte juffer af.
* * * * *
Van middag werden wij toch zoo getroffen door een staaltje van 's levens
ellende. Een kind van 6 jaar verkocht gras. 't Jongetje was niet grooter
dan ons neefje; van hem zag je niets; 't scheen of er twee schoven gras
over den weg liepen. Vader liet hem komen, en daar hoorden wij eene
geschiedenis, zooals er honderden, zoo niet duizenden zijn. 't Kind
heeft geen vader; de moeder is uit werken; 't heeft thuis nog twee
broertjes. Hij is de oudste. Wij vroegen hem of hij al gegeten had.
"Neen", ze aten alleen maar _ééns_ per dag rijst, 's avonds als de
moeder thuis kwam; 's middags aten ze voor 1/2 cent arèn-meelkoek.
Ik keek van 't stumpertje naar mijn neefje, even groot als hij, ik dacht
aan onze maaltijden, driemaal per dag, en 't was me zoo vreemd, zoo raar
te moede!
Wij gaven hem eten, maar dat at hij niet; hij bracht het naar huis.
Ik heb 't wurmpje, gewapend met een draagstok en een grasmes, nageoogd,
tot ik hem niet meer zag. Wat ging er al niet om in mijn hoofd en in
mijn hart.
Ik schaam mij diep over mijne zelfzucht. Ik ging over mijn eigen
toestand _denken_ en peinzen, en daar buiten om mij zijn er zoovelen,
die lijden en diep beklagenswaardig zijn! 't Was of ineens de lucht
trilde van smartkreten, gekerm en gesteun der lijdende menschheid om me
heen. En luider nog dan dat kermen en steunen klonk, suisde en ruischte
in mijn oor: Werk! werk! werk! kamp je vrij! eerst dan als gij door
werken u zelf vrij hebt gekampt, zult gij anderen kunnen helpen! Werk!
Ik hoorde dat zóó duidelijk, ik zag 't voor mijne oogen geschreven, dat
ik 't op moest schrijven, en wel voor u, omdat u zoo innig meegevoelt en
meeleeft met ons.
U beiden ligt mij zoo na aan 't hart; eigen familie kan mij niet
dierbaarder zijn. Ik leef zoo geheel met u mee, met mijn hart en mijn
ziel, waarvan u een stuk is geworden, feitelijk van den dag af onzer
kennismaking! Wat zijn 's levens wegen toch dikwijls vreemd, wonderbaar;
zoo heel lang is't nog niet geleden, dat wij niets wisten van elkaars
bestaan, en nu is u onafscheidelijk van het mijne!