8 April 1902. (VIII.)

De Vaderlandsche geschiedenis, waartegen ik een beetje opzag, vanwege de

saaie herinnering, die ik er van had, van school, valt me èrg mee. Nu

vinden wij haar prettig, en vooral zeer interessant, maar 't is ook heel

anders geschreven, dan in dat boekje, dat we op school hadden.

Dat late leeren heeft toch ook wel zijn voordeel: wij begrijpen en

verstaan nu zooveel beter; en veel, dat vroeger _dood_ was voor ons,

krijgt nu leven; wij interesseeren ons voor zooveel dingen, die ons

vroeger koud lieten, om de eenvoudige reden: wij _begrepen ze niet_. Wat

zalig zou 't zijn om nu iemand te hebben, die ons de dingen, waarin wij

zoo levendig belangstellen, kon uitleggen! Die zwijgende leermeesters

moeten nu antwoord geven op al onze vragen. Vandaag hebben wij "taal".

De kleintjes keken met verbazing naar ons doen, zij konden maar niet

begrijpen, wat wij toch uitvoerden. O! wanneer zal dat heerlijk

oogenblik toch eindelijk dáár zijn, waarop wij voor de wereld de studie

als onze bruid mogen omhelzen!

* * * * *

Wij moeten alle lichtzijden opzoeken; als er geen is, dan de donkere wat

oppoetsen, dat is de kunst om blijmoedig te leven, is 't niet?

Ik heb veel nagedacht over hetgeen men "'t heel goed hebben" noemde. Bij

veel, wat ik in de laatste dagen _zag_, dacht ik onwillekeurig aan dat

gezegde en dan glimlachte ik ironisch. O! lieve Mevrouw, 't is en 't zal

de eerste keer niet zijn, dat er iets verzwegen wordt, ontkend! De

wereld is nog steeds hoogst zedelijk, zij wil de _naakte_ waarheid niet

zien, en wendt vol afschuw zich van haar, de naakte juffer af.

* * * * *

Van middag werden wij toch zoo getroffen door een staaltje van 's levens

ellende. Een kind van 6 jaar verkocht gras. 't Jongetje was niet grooter

dan ons neefje; van hem zag je niets; 't scheen of er twee schoven gras

over den weg liepen. Vader liet hem komen, en daar hoorden wij eene

geschiedenis, zooals er honderden, zoo niet duizenden zijn. 't Kind

heeft geen vader; de moeder is uit werken; 't heeft thuis nog twee

broertjes. Hij is de oudste. Wij vroegen hem of hij al gegeten had.

"Neen", ze aten alleen maar _ééns_ per dag rijst, 's avonds als de

moeder thuis kwam; 's middags aten ze voor 1/2 cent arèn-meelkoek.

Ik keek van 't stumpertje naar mijn neefje, even groot als hij, ik dacht

aan onze maaltijden, driemaal per dag, en 't was me zoo vreemd, zoo raar

te moede!

Wij gaven hem eten, maar dat at hij niet; hij bracht het naar huis.

Ik heb 't wurmpje, gewapend met een draagstok en een grasmes, nageoogd,

tot ik hem niet meer zag. Wat ging er al niet om in mijn hoofd en in

mijn hart.

Ik schaam mij diep over mijne zelfzucht. Ik ging over mijn eigen

toestand _denken_ en peinzen, en daar buiten om mij zijn er zoovelen,

die lijden en diep beklagenswaardig zijn! 't Was of ineens de lucht

trilde van smartkreten, gekerm en gesteun der lijdende menschheid om me

heen. En luider nog dan dat kermen en steunen klonk, suisde en ruischte

in mijn oor: Werk! werk! werk! kamp je vrij! eerst dan als gij door

werken u zelf vrij hebt gekampt, zult gij anderen kunnen helpen! Werk!

Ik hoorde dat zóó duidelijk, ik zag 't voor mijne oogen geschreven, dat

ik 't op moest schrijven, en wel voor u, omdat u zoo innig meegevoelt en

meeleeft met ons.

U beiden ligt mij zoo na aan 't hart; eigen familie kan mij niet

dierbaarder zijn. Ik leef zoo geheel met u mee, met mijn hart en mijn

ziel, waarvan u een stuk is geworden, feitelijk van den dag af onzer

kennismaking! Wat zijn 's levens wegen toch dikwijls vreemd, wonderbaar;

zoo heel lang is't nog niet geleden, dat wij niets wisten van elkaars

bestaan, en nu is u onafscheidelijk van het mijne!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 60 / 136 题