De minachting, miskenning der groote menigte, van 't _gros_ kan ons zoo
veel niet schelen, maar de sympathie van degenen, die tot de "bovenste
tienduizend" behooren, is ons heel veel waard; 't is ons eene
voldoening, een kracht, een steun, een opwekking, een troost.
"Hoe 't ook loopt, wees nooit moede, om te volharden in al 't goede",
las ik daar net, en wij meenen eerlijk, dat hetgeen wij nastreven goed
is.
Iedereen weet, dat over het algemeen het Javaansche meisje _niet gekend_
wordt in de trouwplannen, die haar beschermers met haar voor hebben. In
de Soendalanden mag 't waar zijn, dat de verloofden elkaar _kennen,
zien_ en _ontmoeten_, maar vraag eens op welke andere plaatsen van Java,
dat wel gebeurt.
Och, kom toch eens even een kijkje nemen in de woningen, waar ze 't zoo
"goed hebben"; allereerst in de kaboepatens.
Ik vraag niet, hoe de vrouwen er over denken, wat zij gevoelen, maar hoe
de dochters, die Europeesch zijn opgevoed, er zich onder hebben
gehouden.
En al kunnen zij niet denken, _voelen_ kunnen ze in ieder geval.
"Zij hebben 't heel goed!"
Goed, negeer 't leed, de gevoelens der vrouwen; zij hebben 't recht van
klagen niet, zij doen 't immers met eigen vrijen wil! maar de kinderen
dan? wat is droeviger dan een treurig kinderleven, dan kinderen, die zoo
vroeg reeds de schaduwzijde van 't leven leeren kennen?
En de meisjes vooral hebben 't moeielijk, omdat zij steeds dáár zijn,
waar dag aan dag aan de natuur geweld wordt gepleegd. Is dat geen
natuurverkrachting, waar vrouwen van denzelfden man elkaar moeten
verdragen?
Waarlijk een kind van het eigen volk, eene vrouw moet hare stem doen
hooren!
Zal men 't nog met koelen bloede zeggen "ze hebben 't heel goed",
wanneer men dat alles zag, wat wij hebben gezien, wist wat wij weten?
Ik heb eens iets overgeschreven uit een redevoering van Professor Max
Müller, den grooten Duitschen geleerde in Oostersche talen,
geschiedenis, enz. 't Luidt ongeveer als volgt: "De polygamie, zooals
zij bij de Oostersche volken in gebruik is, is een _weldaad_ voor
vrouwen en meisjes, die in haar land niet kunnen leven zonder een man
toe te behooren, een beschermer te hebben."
Max Müller is dood, wij kunnen hem niet hier roepen, om hem die
_weldaden_ van dat gebruik te laten zien.
Men heeft ons willen wijsmaken, dat niet trouwen, niet alleen een
schande, maar ook een groote zonde is. Men heeft 't ons meermalen
gezegd.
O! er wordt met zoo'n minachting gesproken van de ongetrouwd gebleven
vrouw!
We verlangen zoo naar Holland, omdat Holland ons _vrij_ maken zal;
Europa zal ons ompantseren, onkwestbaar maken voor de kleinzielige
aanvallen van 't gros, voor zijn spot!
Om vrij te worden, eerst trouwen en dan scheiden! Maar dit laatste kan
ook zeer bemoeielijkt worden. Als de man niet wil, dan mag de vrouw naar
de maan fluiten om hare vrijheid, terwijl als hij 't wil, er nièt naar
hare opinie gevraagd wordt, en hij haar op elk uur van den dag
verstooten kan.
Maar de vrouw kan zich loskoopen; zij moet dan zooveel en zooveel
betalen. Een ellendige geschiedenis is 't voorzeker!
Doch hoe willen wij rechtvaardige wetten voor ons verlangen, als in 't
verlichte, beschaafde Westen men de vrouw gelijkstelt met kinderen en
idioten?
Laat ik er niet meer over spreken, later kom ik er nog eens op terug.