27 Maart 1902. (VIII.)

De minachting, miskenning der groote menigte, van 't _gros_ kan ons zoo

veel niet schelen, maar de sympathie van degenen, die tot de "bovenste

tienduizend" behooren, is ons heel veel waard; 't is ons eene

voldoening, een kracht, een steun, een opwekking, een troost.

"Hoe 't ook loopt, wees nooit moede, om te volharden in al 't goede",

las ik daar net, en wij meenen eerlijk, dat hetgeen wij nastreven goed

is.

Iedereen weet, dat over het algemeen het Javaansche meisje _niet gekend_

wordt in de trouwplannen, die haar beschermers met haar voor hebben. In

de Soendalanden mag 't waar zijn, dat de verloofden elkaar _kennen,

zien_ en _ontmoeten_, maar vraag eens op welke andere plaatsen van Java,

dat wel gebeurt.

Och, kom toch eens even een kijkje nemen in de woningen, waar ze 't zoo

"goed hebben"; allereerst in de kaboepatens.

Ik vraag niet, hoe de vrouwen er over denken, wat zij gevoelen, maar hoe

de dochters, die Europeesch zijn opgevoed, er zich onder hebben

gehouden.

En al kunnen zij niet denken, _voelen_ kunnen ze in ieder geval.

"Zij hebben 't heel goed!"

Goed, negeer 't leed, de gevoelens der vrouwen; zij hebben 't recht van

klagen niet, zij doen 't immers met eigen vrijen wil! maar de kinderen

dan? wat is droeviger dan een treurig kinderleven, dan kinderen, die zoo

vroeg reeds de schaduwzijde van 't leven leeren kennen?

En de meisjes vooral hebben 't moeielijk, omdat zij steeds dáár zijn,

waar dag aan dag aan de natuur geweld wordt gepleegd. Is dat geen

natuurverkrachting, waar vrouwen van denzelfden man elkaar moeten

verdragen?

Waarlijk een kind van het eigen volk, eene vrouw moet hare stem doen

hooren!

Zal men 't nog met koelen bloede zeggen "ze hebben 't heel goed",

wanneer men dat alles zag, wat wij hebben gezien, wist wat wij weten?

Ik heb eens iets overgeschreven uit een redevoering van Professor Max

Müller, den grooten Duitschen geleerde in Oostersche talen,

geschiedenis, enz. 't Luidt ongeveer als volgt: "De polygamie, zooals

zij bij de Oostersche volken in gebruik is, is een _weldaad_ voor

vrouwen en meisjes, die in haar land niet kunnen leven zonder een man

toe te behooren, een beschermer te hebben."

Max Müller is dood, wij kunnen hem niet hier roepen, om hem die

_weldaden_ van dat gebruik te laten zien.

Men heeft ons willen wijsmaken, dat niet trouwen, niet alleen een

schande, maar ook een groote zonde is. Men heeft 't ons meermalen

gezegd.

O! er wordt met zoo'n minachting gesproken van de ongetrouwd gebleven

vrouw!

We verlangen zoo naar Holland, omdat Holland ons _vrij_ maken zal;

Europa zal ons ompantseren, onkwestbaar maken voor de kleinzielige

aanvallen van 't gros, voor zijn spot!

Om vrij te worden, eerst trouwen en dan scheiden! Maar dit laatste kan

ook zeer bemoeielijkt worden. Als de man niet wil, dan mag de vrouw naar

de maan fluiten om hare vrijheid, terwijl als hij 't wil, er nièt naar

hare opinie gevraagd wordt, en hij haar op elk uur van den dag

verstooten kan.

Maar de vrouw kan zich loskoopen; zij moet dan zooveel en zooveel

betalen. Een ellendige geschiedenis is 't voorzeker!

Doch hoe willen wij rechtvaardige wetten voor ons verlangen, als in 't

verlichte, beschaafde Westen men de vrouw gelijkstelt met kinderen en

idioten?

Laat ik er niet meer over spreken, later kom ik er nog eens op terug.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 59 / 136 题