21 Maart 1902. (V.)

Ge hebt gelijk. Zusje's vertrek is voor ons een groot gemis, wij waren

zóó lang en zóó innig samen. Niet ten onrechte zegt men, dat wij drieën

één geworden waren, één in denken, één in voelen. Dat Zusje ons voorgoed

verlaten heeft, wil nog niet bij ons in; 't idee, dat ze van ons is

weggegaan en niet weerom komen zal, is ons onverdragelijk. Wij denken

nog maar steeds, dat ze voor een poos gaat uit logeeren en op een dag

weerom komen zal.

We missen ons Kleintje zoo erg. Doch 't beste is maar om er niet lang

bij stil te staan, want dat zal wel niet het eenige harde afscheid zijn;

nog vele wachten ons stellig in de toekomst. 't Is onvermijdelijk in

ieder leven, scheiden is 't wachtwoord, 't heele leven door!

"'t Is verstandig van tijd tot tijd,

Een teed'ren, sterken band,

Die 't arme harte bindt en vleit,

Te schudden van de hand."

zegt de Genestet, maar 't is gemakkelijker gezegd dan gedaan, vindt ge

niet?

We kregen steeds opgewekte brieven van zusje; zij maakt 't goed en heeft

't goed. En dat stemt ons zoo dankbaar! Haar geluk is ons geluk. En nu

zal ik aan uw verzoek voldoen, en het een en ander vertellen van zusje's

huwelijk.

Een Inlandsche bruiloft brengt een vreeselijke drukte mee. Reeds dagen,

weken van tevoren werden de toebereidselen voor de plechtigheid gemaakt.

Wij hadden zusje's huwelijk vrij stilletjes gevierd, vanwege een

sterfgeval in de familie. Een nichtje van ons en zuster van den

bruidegom stierf kort vóór de bruiloft. Arm mensch, 't was nog zoo'n

jong ding, en zij liet kindertjes na. Gij moet weten, dat zusje met een

eigen neef is getrouwd; zijne moeder is eene zuster van Vader. Vóór dien

tijd was hij al eens hier bij ons geweest, maar toen was zij nog een

schoolgaand kind, en dacht niemand aan eene verbintenis. 't Gebeurt

anders meer, dat kinderen verloofd en getrouwd worden, om later, wanneer

beiden groot of volwassen zijn, te trouwen of over te trouwen.

De kennismaking van zusje en haar man is hernieuwd geworden, toen de

Gouverneur-Generaal op Semarang was. Usance is, dat jonge meisjes nooit

't huis uit mogen, tenzij om een haar wildvreemden echtgenoot te volgen.

Maar, zooals ik u reeds zei, wij hebben reeds met menige traditie

gebroken, wat niet anders kan met onze vrije opvoeding. En wij zijn nog

steeds doende met nog meer te breken! Kort vóór haar trouwen mag een

Javaansch meisje in 't geheel niet 't huis uitkomen, zij moet

binnenshuis of als zij een eigen kamer heeft, dan in hare kamer blijven.

En in December waren we met zusje op Semarang, en liepen er de winkels

plat, om zelf 't een en ander te koopen.

Gefeliciteerd wordt 't Javaansche meisje niet met haar engagement, en

men spreekt er haar ook niet over; nog minder doet zij 't zelve. Zij

doet juist, of zij er niets van weet.

Ik zou wel in de harten mijner landgenooten hebben willen lezen, toen

zij zusje doodgewoon over haar huwelijk hoorden spreken.

Wij zijn dan ook "vreeselijke" wezens. Och, maar is 't bij de

beschaafden niet evenzoo? Daar is men ook spoedig geneigd te

_veroordeelen_ wat men niet _begrijpt_.

Wij mogen 't onzen armen onwetenden niet kwalijk nemen, en wij doen 't

ook niet.

Een dag of twee vóór de huwelijksvoltrekking worden onze afgestorvenen

herdacht. Daar is poëzie in die gedachte. In vreugde herdenken wij

steeds onze dooden. Er wordt een offermaaltijd gegeven, waarbij in een

gebed door priesters de zegen der afgestorvenen voor het voorgenomen

huwelijk van den nazaat wordt afgesmeekt.

Dit gebeurt bij de bruidsfamilie. Mijn zwager kwam met zijne familie op

den dag vóór de huwelijksvoltrekking. De eerste gang van een

Europeeschen bruidegom bij aankomst op de woonplaats zijner bruid zou

zijn naar zijne aanstaande, doch bij ons geen quaestie er van. De

bruidegom mag zijne bruid heelemaal niet zien, vóór de band is gesloten;

zelfs zijne familie mag haar nog niet zien.

Den dag vóór de huwelijksvoltrekking wordt de bruid in een bloemenbad

gebaad, en daarna wordt ze onder handen genomen door de toekang paès

(bruids(egoms) aankleedster(er), eene vrouw, die tegen belooning zich

speciaal belast met het aankleeden van bruiden).

De bruid neemt plaats op een speciaal voor die gelegenheid vervaardigd

kleedje, bestaande uit een matje, waarop katoentjes en zijdjes, genoeg

voor een kabaja, op elkaar zijn genaaid; dit wordt 't eigendom der

toekang paès. Om haar heen staan allerlei gebakjes, benevens sirih,

pinangnoten, pisang, een gendie water, rauwe rijst, een geroosterde kip,

en ... een levende kip, en een brandend nachtpitje.

Er wordt wierook gebrand en de toekang paès scheert de bruid de fijne

haartjes op 't gezicht en in den nek af; de haartjes op 't voorhoofd

worden gelijk geknipt, evenals het haar om de ooren; ook de wenkbrauwen

worden met een scheermes gefatsoeneerd. Aan de geknipte

voorhoofd-haartjes en 't haar voor de ooren en de geschoren wenkbrauwen

herkent men jonggetrouwde Javaansche vrouwtjes.

Tegen een uur of vier 's middags begint men aan 't toilet der bruid. Het

voorhoofd wordt met zwarte zalf beschilderd, tot even over de ooren, op

deze wijze, en het gezicht geblanket, terwijl het haar kapelvormig wordt

gekapt en gevuld met bloemen.

[Illustration]

Op het kapsel worden zeven juweelen op spiralen stelen bevestigd, die

aldoor op en neer wiebelen.

Een met goud bewerkte kain, een kabaja van zilver gaze de lis en de

noodige juweelen sieraden, als broches, halsketting, armbanden,

oorknoppen en mouwknoopen voltooien het toilet.

Javaansche jonge meisjes mogen nooit bloemen in 't haar dragen; alleen

getrouwde vrouwen mogen dat. Bejaarde vrouwen ziet men dikwijls met

bloemen in 't haar loopen.

De avond vóór de huwelijksvoltrekking heet "widodarenni"; "widodari"

beteekent engel, hemelsch wezen. Op haar laatsten meisjesavond

vergelijkt men 't in het huwelijk tredend meisje met zulk een hemelsch

wezen, en wordt die avond gevierd.

Ge hebt wellicht bij Mevrouw Rooseboom de foto's van 't Japansch

houtsnijwerk gezien, en ge herinnert u zeker nog de afbeelding van een

meubel, dat drie poorten voorstelt. Welnu dat voorwerp heet "kwade"

(uitspraak kwadee) en is een meubel, dat bij bruiloften dienst doet.

Het fraaie houtsnijwerk, geheel verguld op een purperen fond, was in een

groote zaal in het achtergedeelte van de Kaboepaten opgezet. Alle

tafels, stoelen, banken waren uit dat vertrek verwijderd, en de vloer

was gedekt door één groot alcatief.

Aan weerszijden van de met gordijnen en bloemen versierde "kwade"

stonden twee groote koperen vazen, gevuld met jong klappergroen en

bloemen. Deze vazen heeten "kembang majang" en mogen op geen bruiloft

ontbreken. Zoowat tegen half acht in den vooravond, toen onze

vrouwelijke gasten zich in de "kwade"-zaal vereenigd hadden, waar ze in

twee rijen aan weerszijden van de "kwade" op den grond zaten, kwam

zusje, aan de hand geleid door onze getrouwde zuster en schoonzuster

buiten, gevolgd door een vrouw, die haar sirihdoos en kwispeldoor droeg.

Zusje nam voor de middelste poort plaats, tusschen hare familie en de

voornaamste gasten in. De sirihdoos en kwispeldoor worden naast zusje

neergezet, voor den vorm slechts, want Kleintje eet geen sirih; achter

haar wuifde een klein meisje haar koelte toe.

Onbewegelijk als een Boeddhabeeld zat zusje daar op haar gekruiste

beenen voor de goudglanzende "kwade", te midden van stemmig gekleede en

stemmig kijkende vrouwen der Inlandsche hoofden, die daar naar den rang

van haar echtgenooten gezeten waren, aan weerszijden van de bruid. Er

werd thee en gebak gepresenteerd; ieder kreeg een kopje thee, en een

paar schaaltjes gebak voor zich, en de bruid en de voornaamste gasten

kregen ieder een apart theeservies en een blaadje vol schaaltjes gebak.

Er was als 't ware een tapijt van gebakjes gespreid voor de gasten, hier

en daar onderbroken door gouden, schildpadden, zilveren en houten

sirihdoozen en kwispeldoors. Het gezelschap bestond uitsluitend uit

getrouwde vrouwen; wij ongetrouwden hoorden er niet bij.

Gij hebt waarschijnlijk wel gehoord, dat er voor den Javaan geen grooter

levensmislukking bestaat dan eene ongetrouwd gebleven vrouw, wat meteen

eene schande is. Zoo lang is 't ook nog niet geleden, dat men in 't

verlichte Europa er zoo over dacht, nietwaar? Wij mogen 't dus van het

dommelende, onverlichte Indië niet kwalijk nemen.

Als de bruidegom een moeder heeft, dan zit deze op dien feestavond ook

mee aan 't feest van hare a.s. schoondochter.

Onze mannelijke gasten vertoefden met vader in de pendopo[1], terwijl

de bruidegom stil thuis bleef, waar hij logeerde. Of zusje blij was,

toen tegen half tien de zitting was opgeheven, voor haar alleen. Heel

deftig en bedaard schreed ze door de rijen zittende vrouwen de zaal uit,

maar nauwelijks was ze uit 't gezicht, of ze _holde_ naar onze kamer

toe, om zich van al dat gedoe te ontdoen. Nu was ze weer zusje, ons

lief, vroolijk Kleintje, en geen Boeddhabeeldje.

Dien avond werd de Profeet herdacht. Op onze kosten werd in de moskee

een groote slametan (offermaaltijd) aangericht en er werd gebeden, den

zegen des hemels voor het voorgenomen huwelijk afgesmeekt.

Aan dat maal zitten uitsluitend mannen. Onze vrouwelijke gasten aten bij

ons thuis; evenzoo de regenten, die over waren gekomen voor zusje's

bruiloft.

24 Januari, reeds vroeg in den morgen, was 't een drukte van belang in

de kaboepaten, die er vroolijk uitzag met zijn groen- en vlaggentooi;

ook op straat was 't druk en levendig. Vroolijk wapperde daar de

driekleur uit het ritselend jong klappergroen, waarmee de weg, die naar

't huis van den bruidegom leidt, was afgezet. In de groengemaakte

pasébans[2]--twee huisjes op de aloen-aloen voor de kaboepaten--speelde

lustig de gamelan.

Bij ons in de achtergalerij stonden manden kanangas, tjempakas en

melaties; vrouwenhandjes regen de bloemen aan slingers, of ontbladerden

ze, om er den weg mee te bestrooien, waarover het bruidspaar zou loopen.

Gamelan, bloemengeur, wierook, bedrijvige menschjes, vulden de

kaboepaten, en in onze kamer werd aan 't toilet der bruid begonnen.

Wederom werd 't voorhoofd zwart beschilderd, maar nu werden de

teekeningen versierd met gouden figuurtjes.

[Illustration]

Zus lag er bij gedurende de operatie. Achter de zwarte figuren werden

zusje twee stukken kantwerk van zwarte was en verguld geplakt als deze

teekening. In de gaatjes worden juweelen knoopjes gestoken. Bij andere

bruiden wordt dat kantwerk van haar eigen haar met behulp van zwarte was

gemaakt. Wij hebben zusje maar valsche stukken opgezet, omdat 't eene

pijnlijke bewerking is, en dat arme kind pas van knokkelkoorts was

hersteld.

[Illustration: Regentswoning te Rembang.]

Achter het kantwerk kwam een gouden diadeem. Het haar werd op 't

achterhoofd halvemaanvormig gekapt en gevuld met bloemen; daaromheen een

sluier van melati met een franje van bloemen, die tot even aan den

schouder reikte. Op 't kapsel werden weder de zeven wiebelende juweelen

bloemen gestoken; aan weerszijden daarvan een juweelen bloem, waaraan

zes bloemenslingers afhingen, achter de ooren om, over de borst tot even

over het middel. Deze slingers van één vinger dikte bestonden uit witte

bloemen om en om met gouden rolletjes geregen, eindigend in een gele

kananga, met melaties volgestoken.

[Illustration]

Het wajangcostuum schrijft een décolletée voor, dat hals, schouders en

armen geheel onbedekt laat. Al wat zichtbaar was aan zusje, behalve het

gezicht, dat geblanket was, was met een geurig zalfje geel geverfd.

Zusje droeg een met goud bewerkte kain, waarover eene draperie van met

goud bewerkte zijde kwam, terwijl het geheel opgehouden werd door een

geel zijden ceintuur met lange afhangende einden, van roode zijde,

waarop puntfiguren van goud waren aangebracht.

Een lange donkergroene lap, waarop heerlijk de gouden teekeningen

uitkwamen, met een lichtgroen middenstuk, werd haar om het bovenlijf

gebonden, armen en schouders geheel vrij latende. Door de gele ceintuur,

die "mendologiri" heet, kreeg zusje een gouden, met juweelen versierden

drie vingers breeden band om; daaraan werd een bloemenslinger met

afhangende einden bevestigd, loopend van de eene heup achterom naar de

andere.

[Illustration]

Ze droeg om haar hals een collier in dezen trant, dat tot bijna aan haar

middel reikte. Om de polsen droeg zij armbanden en om de bovenarmen

slangen-armbanden met opgeheven staart en kop, waaraan gouden kwartjes

bengelden.

't Was intusschen ver over vijven 's middags geworden. In de

"kwade"-zaal vereenigden zich de vrouwen der Inlandsche hoofden in gala.

Van de "kwade" af tot de pendopo liep een bloementapijt, daarover zou

het bruidspaar gaan.

Zusje werd door de zusters naar buiten geleid en nam voor de "kwade"

plaats.

De lichten waren alle reeds aangestoken. In de pendopo stonden de

regenten in ambtscostuum; een paar Europeesche kennissen waren er ook,

die zusje graag nog voor 't laatst als jong meisje wilden zien.

Op de aloen-aloen, op 't erf van de kaboepaten was 't zwart van

menschen; alleen de weg, die met groen en vlaggen was afgezet bleef

vrij.

Daar zag men in de verte een gele streep; zij naderde, en men ontwaarde

een zwerm opgestoken goudgestreepte zonneschermen, waaronder hunne

eigenaren, de Inlandsche ambtenaren in groot tenue liepen.

't Was de stoet, die den bruidegom voorafging; deze reed met de regenten

in een open wagen gedekt door een goudglanzend zonnescherm. Van de

pasébans en de Kaboepaten klonk gamelanmuziek den naderenden stoet

tegemoet.

De stoet bereikte de Kaboepaten, hield voor de pendopo stil; al de

Inlandsche hoofden hurkten neer; de bruidegom steeg uit het rijtuig, en

ging, geleid door de hem vergezellende regenten de trappen op naar het

midden van de pendopo, waar zij alle drie op een groot tapijt

neerknielden, zaten en hun eerbied aan Vader en de andere regenten

betuigden. De twee regenten traden knielend achteruit en even bleef de

bruidegom in wajangcostuum alleen, midden in de pendopo, maar dra

vormden de Inlandsche hoofden een carré om hem heen, waarin weder een

kleiner carré werd gevormd door priesters. Aan het hoofdeinde zaten de

regenten, mede op den grond, en Vader het dichtst bij den bruidegom en

den hoofdpriester, die 't huwelijk voltrekken zou. Vader deelde den

aanwezigen het doel der bijeenkomst mee, waarna hij den Panghoeloe

(hoofdpriester) verzocht zijne dochter in den echt te willen verbinden

met den bruidegom. Uit den menschenhoop midden in de pendopo steeg een

mystiek gebrom op.

Er werd gebeden.

't Speet mij zoo erg, dat wij er niet dicht bij konden kijken. Een

onderwijzeresje, eene vriendin van ons, zusje Roekmini en ik waren de

eenige vrouwen in de pendopo, die gevuld was met mannen.

't Was al heel mooi, dat men ons daar toeliet, waar we stonden; wij

hadden maar zelf ons die vrijheid gegeven. Maar om heelemaal bij de

mannen te zij om de huwelijksvoltrekking van nabij bij te wonen, ging

niet; jammer, wij hadden zoo graag de trouwformulieren gehoord en hoe

alles in zijn werk toeging. Wij weten alleen maar dat onder het

uitspreken van de trouwformulieren de Priester de hand van den bruidegom

vasthoudt en deze hem moet nazeggen.

De plechtigheid duurde op zijn hoogst een kwartier, maar ons leken de

minuten uren. 't Was zoo plechtig stil in de pendopo; slechts het

mystiek gezang der priesters werd gehoord.

Er kwam beweging in den menschenhoop in de pendopo; de priesters

schuifelden op hunne knieën achteruit. Het huwelijk was voltrokken.

De regenten stonden op; twee van hen hieven den bruidegom op, en nu werd

de tocht over het bloementapijt aanvaard, gevolgd door de overige

regenten. Achter in de "kwade"-zaal hieven de zusters de bruid op, en

ook zij aanvaardden de wandeling over den bloemenweg, gevolgd door Mama

en al de vrouwelijke gasten. Als de bruid en de bruidegom elkaar op

eenige passen na genaderd waren, lieten hunne geleiders hen los, en het

bruidspaar wierp elkaar een opgerold sirihblad gevuld met bloemen toe.

Nog een paar passen traden zij elkaar tegemoet, en beiden knielden neer,

en met hen het geheele gezelschap.

De bruidegom zat; op hare knieën schoof de bruid zich naar hem toe, zat

en maakte een sembah--de beide handen tegen elkaar geslagen en even

onder den neus gebracht--(dat is onze eerbiedsbetuiging) en kuste hem de

rechterknie. Weer maakte de bruid een sembah. Zelf opstaande, hief de

bruidegom zijne vrouw op, en hand aan hand wandelde het jonge paar over

den bloemenweg naar de "kwade", gevolgd door het geheele gezelschap; de

regenten keerden echter naar de pendopo terug.

Bruid en bruidegom namen voor de "kwade" plaats als twee Boeddhabeelden;

aan weerszijden schaarden zich de familie en de damesgasten. Achter het

bruidspaar zaten twee kleine meisjes, die met waaiers hun koelte

toewuifden.

In de meeste gevallen is 't bij die ontmoeting de eerste keer, dat man

en vrouw elkaar zien.

Omstreeks halfzeven kwamen de regenten binnen, en vormden op den grond

gezeten een halven kring om het bruidspaar; de andere helft werd gevormd

door de vrouwelijke familieleden.

Het bruidspaar bracht aan oudere familieleden den voetkus.

De bruid eerst richtte zich op, en schoof op hare knieën naar Mama toe,

maakte een sembah en kuste Mama de knie; zóó ontving zij den

moederlijken zegen voor haar huwelijk. Van Mama ging zusje naar de

tantes, zusters en nichtjes, allen ouder dan zij, om dezelfde ceremonie

te herhalen. En daarop ging zij naar Vader, om hem de knie kussend,

zijnen zegen te ontvangen; vandaar naar haren schoonvader, daarna naar

ooms en neven. Als zij, na allen den voetkus gebracht te hebben, weder

op hare plaats was teruggekeerd, begon de bruidegom den voetkustocht;

hij volgde 't spoor zijner vrouw. Als ook hij de ceremonie volbracht

had, verwijderden zich de regenten en er werd thee en gebak

gepresenteerd, als den vorigen avond. Om halfacht werd 't het bruidspaar

vergund, zich te verwijderen.

Hand aan hand verlieten zij de zaal. Eigenlijk moesten zij dit op hunne

knieën doen, maar aangezien beiden pas van eene ongesteldheid waren

hersteld, mochten zij de zaal uitwandelen.

Bij andere families moeten de bruidegoms bij aankomst in 't huis hunner

schoonouders, vóór de ontmoeting met hunne vrouwen, de trappen

opkruipen, in plaats van oploopen. Dat zijn dan hofmanieren. De

bruidegom begaf zich naar de bruidskamer en zusje naar onze kamer, waar

wij haar voor de receptie voor Europeanen kleedden.

Het werk van één dag, dat was 't bruidstoilet van zusje, werd in 5

minuutjes te niet gedaan. Alleen 't kapsel en de versieringen op 't

voorhoofd lieten we onaangeroerd. Wij, jonge meisjes, mochten haar

eigenlijk niet aankleeden, maar wij deden 't toch maar. Wij vonden 't al

te zot, dat wij zusje niet in haar bruidstoilet zouden mogen steken.

Zusje kreeg een zijden met goud doorweven kain aan en een kabaja van

ivoorkleurig satijn met zilverborduursel. Ze kreeg een andere juweelen

collier om. De juweelen bloemen in 't haar, evenals het diadeem, werden

haar afgenomen; zij kreeg er voor in de plaats een gouden kroon op,

waaraan een sluier hing. Op haar hoofd werden nu andere juweelen bloemen

op spiralen stelen bevestigd. Zoo gesluierd en gekroond, was het of de

bruid van een plaatje uit duizend en een nacht was gestapt. Zusje had

dan ook het kostuum aan van een sprookjes-prinses, uit een der verhalen

van 1001 nacht.

Het stond haar zoo goed; trouwens het wajangkostuum ook. Jammer, dat wij

haar niet zoo konden laten photografeeren.

De bruidegom verscheen in zijn ambtskostuum. Nog eens zat 't bruidspaar

voor de "kwade"; even vóór achten gingen zij gearmd naar de

voorgalerij, waar voor een achtergrond van palmen, twee vergulde zetels

voor hen klaarstonden.

Staande ontvingen zij de gelukwenschen der Europeesche dames en heeren.

't Heette dan wel een receptie, maar de dansgrage voetjes zweefden toch

maar op de tonen der muziek door de ruime pendopo; ook het bruidspaar

wandelde gearmd een paar keer de pendopo rond.

Usance is 't niet, dat jonge meisjes op een bruiloftsfeest verschijnen,

maar 't zou al te gek zijn, als wij op zusje's feest wegbleven.

Even vóór twaalven toastte de Resident, die ook over was gekomen, op het

jonge paar, welke toespraak door Vader werd beantwoord. Na afloop

hiervan namen de Europeesche gasten afscheid, maar de Resident en een

paar anderen, waaronder ook eene dame, ons vriendinnetje, bleven nog, om

't Inlandsch gedeelte van het feest bij te wonen.

Na het vertrek der Europeesche gasten kwamen de Inlandsche hoofden, die

zich gedurende de receptie, op zij van de pendopo opgehouden hadden, te

voorschijn en vormden in 't midden der pendopo een halven kring, waarin

de bruidegom eene proeve van zijn danskunst zou afleggen.

De regenten, evenals alle andere Inlandsche hoofden, hadden zich

intusschen in klein tenue gestoken.

Daar speelde de gamelan, en een dansmeisje trad op en danste in den

carré.

De Patih van Japara bracht geknield den bruidegom een zilveren blad,

waarop een zijden doek lag. Als de bruidegom den doek in ontvangst had

genomen, verwijderde zich de brenger. Zachte gamelantonen weerklonken;

't was een prelude, een uitnoodiging aan den held van 't feest, om 't

feest te openen. De bruidegom stond op, en ging in 't midden van de

pendopo staan; hij bevestigde de zijden doek, waarmede hij dansen zou,

aan zijn kris en gaf den gamelanspelers zijn lijflied op, dat

onmiddellijk werd ingeluid en gespeeld.

Ik zal er mij maar niet aan wagen, den dans te beschrijven; daartoe is

mijn pen veel te onbekwaam. Ik zeg alleen maar, dat 't een lust was voor

de oogen om den lenigen danser en zijne sierlijke dansbewegingen op de

tonen van mooie gamelanmuziek te volgen. Achter hem aan danste het

dansmeisje, dat er ook bij zong. De hen omringende Inlandsche hoofden

accompagneerden de muziek, door een zang met handgeklap.

Tegen 't einde van den dans, kwam de Resident met twee glazen champagne

naar den danser toe. Juist als de gong inviel, waarmede 't einde van een

zang wordt aangeduid, zegen danser en danseres op hunne knieën neer. Met

een sembah ontving de danser een glas van den Resident en onder

hoerah-geroep en jubelende gamelantonen ledigden de brenger en ontvanger

hunne glazen. Een bediende nam de ledige glazen in ontvangst, waarop de

Resident zich verwijderde. De bruidegom stond weder op en begon opnieuw

te dansen. Nu bracht Schoonpapa hem een heildronk; dansend gingen ze

elkaar tegemoet, en bij 't vallen van den gong knielde de jongere neer

om den heildronk van den oudere in ontvangst te nemen.

Eerst als alle aanwezige regenten hem den heildronk gebracht hadden,

mocht hij den carré verlaten, en weer naast zijne vrouw zitten. Kort

daarop verwijderde het bruidspaar zich; de Europeesche gasten gingen

naar huis, en het feest werd door de hoofden tot vroeg in den morgen

voortgezet. De heeren hadden ook nog meegetandakt, vooral onze

assistent-resident deed 't keurig.

Ma, ons vriendinnetje, zus Roekmini en ik woonden 't feest bij, tot onze

laatste Europeesche gast was opgestapt.

Den volgenden dag bracht 't bruidspaar stilletjes thuis door. In den

vooravond van dien dag zou de laatste ceremonie, die 't bruidspaar hier

te verrichten had, plaats hebben. Het is, het eerste bezoek brengen van

't bruidspaar aan de ouders van den bruidegom. Het heet in 't Javaansch

"ngoendoh mantoe", welks letterlijke vertaling luidt: schoondochter

plukken. De schoondochter wordt met een bloem vergeleken, die de

schoonouders voor hun zoon plukken.

Eigenlijk moest het bruidspaar zich voor deze gelegenheid weer in 't

bruidskostuum steken, maar 't was veel te vermoeiend, waarom het dan ook

maar nagelaten werd. De bruidegom was gewoon gekleed; zusje had weer een

met goud doorweven kain aan en een zijden kabaja; het haar was

kapelvormig gekapt; de met een kruis gemerkte vakjes met bloemen gevuld,

en over het geheel werd een netwerk van melaties bevestigd, en wiebelden

weder de juweelen bloemen op het kapsel.

[Illustration]

In optocht reed het bruidspaar, voorafgegaan en gevolgd door Inlandsche

hoofden te voet, naar 't huis, waar de vader van den bruidegom logeerde.

Dagen, weken na de bruiloft, heeten de jonggetrouwden nog bruid en

bruidegom; en de bruid doorgaans zoolang tot zij mama is geworden. Er

zijn vrouwen, moeders, die levenslang "nganten", verkorting van

"pengantèn" (bruid, ook bruidegom) heeten.

De dagen na de bruiloft werden besteed met visites maken, bij Europeanen

en Inlanders.

Vijf dagen na de huwelijksvoltrekking was er weer een feest in de

Kaboepaten; de eerste wederkeer van den passerdag, waarop 't huwelijk

gesloten wordt, werd gevierd.

Een week na de bruiloft vertrokken de jonggehuwden; overal gefêteerd

door familieleden, bij wie zij op hunne doorreis naar hunne woning

ophielden.

Op Tegal werd 't huwelijk weer gevierd; daar bleven ze nog een week,

voordat ze eindelijk naar hunne eigen woning in Pemalang trokken.

Ziezoo, daar hebt ge eene beschrijving van een Javaansch huwelijk in

hooge kringen. Zusje's bruiloft heette een stille bruiloft en zij bracht

al zoo'n gedoe mee; hoe dan een bruiloft, die feestelijk wordt gevierd?

We waren doodop na de bruiloft.

Cadeaux, die Inlanders elkaar bij bruiloften geven, bestaan uit

kleedingstukken, als kains, borstlappen, hoofddoeken, zijdjes voor

kabaja's, of laken voor een jas, en ook wel eetwaren, als rijst, eieren,

kippen, karbouwen; deze zijn dan meer bestemd voor de te geven slamatans

ter gelegenheid van de bruiloft.

Zoo kreeg Kardinah o.a. ook een prachtigen stier van een oom. Dit had

eigenlijk ook bij de andere cadeaux moeten mee tentoongesteld worden!!!

O ja, nog iets; als men bij gelegenheid van een bruiloft een karbouw

slacht--er worden doorgaans meer dan een voor de feestmaaltijden

geslacht--dan zet men op alle mogelijke hoeken en gaten een gevlochten

bamboezen bakje, gevuld met sirih, koekjes, pinangnoot, een stukje

vleesch, wat geronnen bloed van den geslachten karbouw, en bloemen neer,

op kruiswegen, bruggen en de putten op 't erf; het is een offer aan de

geesten, die daar wonen. Worden deze brug-, weg- en putgeesten niet

herdacht, dan nemen zij het den feestvierenden kwalijk, en zal er een

ongeluk gebeuren. Alzoo luidt 't volksgeloof! Waar dit zijn oorsprong

heeft, weet ik niet precies.

Hoe vindt ge dit alles, Hilda?

Een vriend van ons zegt terecht, het Javaansche volk is een volk van

sprookjes en herinneringen.

Wie zal eens dat volk uit 't rijk van sagen en legenden naar 't leven

van daadwerkelijkheid voeren?

Daar moet 't toch naar toe. En door 't bijgeloof van zich af te

schudden, hoeven zij daarom de poëzie niet met de voeten te treden.

Doch wat praat ik toch, laat ik u liever vragen, of gij tevreden zijt

met dit epistel, en of gij mij nu dat lange wachten vergeven wilt. Er is

zooveel liefs in mijn volk, zooveel poëzie in zijn bekoorlijk naïef

geloof. 't Moge dan vreemd klinken, maar 't is niettemin een feit; gij,

Europeanen, hebt mij geleerd, mijn eigen land en volk lief te hebben. De

Europeesche opvoeding heeft ons instede van ons van onze natie te

vervreemden, ons nader er toe gebracht; zij heeft ons de oogen en 't

hart geopend voor de schoonheden van ons land en volk, en ook ... voor

hunne nooden ... hunne wondeplekken. Wij hebben ons land en volk zoo

lief! O! konden wij eens iets doen, dat tot hun geluk bijdraagt; wat

zullen wij dan gelukkig zijn!

Doch laat ik je nu niet langer vervelen, met het gekrabbel van een

"dwaas" Javaansch jongmeisje, ik heb 't nu reeds genoeg gedaan.

Als naschrift:

Op sommige plaatsen is 't gebruik, dat bij de ontmoeting van een

bruidspaar, de bruid, als teeken van onderdanigheid, den bruidegom de

voeten afwascht, alvorens zij hem den kniekus geeft.

Wanneer een weduwnaar met een jongmeisje trouwt of eene weduwe met een

jongmensen, dan houdt bij de ontmoeting, als het sirihwerpen is

afgeloopen, degene die al eens getrouwd is geweest, de andere een

brandend stuk hout voor; deze krijgt een waterkan in de hand, en giet

haar inhoud uit op 't vuur, dat natuurlijk uitdooft, waarna het

uitgebluschte brandhout wordt weggeworpen en de waterkan kapot gegooid.

De bedoeling of beteekenis van deze symboliek hoef ik u wel niet uit te

leggen; zij is duidelijk genoeg.

Gij hadt Zusje moeten zien, toen zij daar als Boeddhabeeld poseerde voor

de "kwade"; zóó had ze gephotografeerd moeten worden, of neen,

geschilderd liever, want dan kon men de kleuren zien.

Hoe rustig en kalm schreed ze daar over het bloementapijt, overal

bloemen en wierookgeur verspreidend; ja waarlijk zij had veel van een

Bodhisatwa![3]

Ik kan geen gamelan hooren, bloemengeur vermengd met wierook inademen,

of zij voeren mij naar 't verleden terug.

De menschen raapten de bloemen, waarop zusje had geloopen, op, om ze te

bewaren; zij brengen geluk aan, zegt men, en aan jongedochters een

man!!!

Ik heb hier een heel mooi boek van 't Boeddhisme. 't Heet "De ziel van

een volk"; heerlijk mooi!

[1] Pendopo = groote open voorhal.

[2] Paséban = een op zich zelf staand gebouwtje aan alle zijden open met

een dak steunend op pilaren.

[3] Bodhisatwa, komt van bodhi = erkennen en satwa = eigenschap. Men

duidt in het Boeddhisme met dit woord aan: hen die In eene latere

wedergeboorte Boeddha zullen worden.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 58 / 136 题