14 Maart 1902. (I.)

Er spreekt zoo'n groote bezorgdheid uit je brief.

Wees nu gerust, lieveling, er heeft niemand mij kwaad gedaan. Ik zelf,

domme, onverstandige ik, was 't, die mijzelf kwaad deed. Ik vond er

genoegen in om in eigen zielewonden te wroeten, vindt je dat nu niet

in-dom? Ah, de practijk van de theorie "door lijden tot heerlijkheid" is

zoo hard!

Over mijn zusje schreef ik je reeds in een vorigen brief, 't Is zoo'n

groot gemis; wij missen ons harte- en zielezusje bij alles. Wij kregen

gelukkig steeds opgewekte brieven van haar. O! 't Is zoo'n lief en edel

kind! zij is _meer_ dan wij beiden tezamen. Zij heeft 't heel goed in

haar nieuwe woon en ondervond veel hartelijkheid van 't publiek. Haar

nieuwe familie draagt haar op de handen, en waar zij kwam, daar

ondervond zij veel hartelijkheid en sympathie van Inlandsche zoowel als

van Europeesche zijde.

De Europeanen verwachten van haar, dat zij de vrouwen van de Inlandsche

ambtenaren zal ontwikkelen. Zusje kan _veel_ doen voor onze zaak.

Wat haar man is, weet je reeds uit de huwelijksannonce, die wij je

zonden, Patih; dat is op een na de hoogste rang in de Inlandsche

ambtenaarswereld; onze zwager is bovendien troonopvolger. Als zijn vader

eerlang aftreedt, zal hij hem opvolgen.[1] Als regentsvrouw zal zusje

veel kunnen doen voor de beschaving der Inlandsche vrouw, meer nog dan

wij 't ooit kunnen. En wij hebben goede hoop, dat haar man haar daarin

zal bijstaan; tenminste hij was zeer voor de plannen van den heer

Abendanon.

Hij is erg aardig voor zijn vrouwtje, vroolijk en opgewekt, en heeft een

medelijdend hart. Hij onderhoudt een schep arme familieleden. Aardig

toch, vindt je niet?

Maar dat doen meer Inlanders, en die het goed hebben gedenken hun arme

nabestaanden.

Daar is bijna geen enkel Inlandsch hoofd, dat niet een stuk of wat arme

familieleden in huis heeft en hen onderhoudt. Niet voor niets dus staat

Indië bekend om zijne hartelijkheid.

Over zusje ben je nu dus ook gerust, vrouwtje?

Zij is alleen maar wanhopig, dat men zooveel van haar verwacht, evenals

haar oudste zus, die nooit zoo goed haar kleinheid voelt, dan wanneer

zeker iemand in Holland (Amsterdam) haar zoo in het zonnetje zet.

Waarlijk, Stella, dat moet je niet doen; ik zal je zoo bitter

tegenvallen, als het gelukkigste aller gelukkigste gesternten mij eens

in je armen voert. Je hebt een veel te mooien dunk van mij, mijn

karakter en mijn intellect. Die zijn, om je de waarheid te zeggen, geen

dubbeltje waard, en ik _meen het_. Maar wat je _niet_ zal teleurstellen,

vrouwtje, dat is mijne liefde voor jou!

Laatst kreeg ik een brief van een ouden heer, die het over mijn "zacht

gemoed" en "lieven aard" en "bedrevenheid in de Hollandsche taal" had.

Ik glimlachte weemoedig, toen ik dat las en dacht bij mijzelf: "Wist gij

het maar!" Hij is op 't laatst van 't vorige jaar uitgekomen en zou ons

verleden maand opzoeken, maar 't lot heeft anders gewild; door ziekte

moest hij hals over kop naar Europa terug, ook zijne vrouw, met wie hij

uitgekomen was, om afscheid van 't Zonneland te nemen.

't Spijt ons innig; wij hadden hem zoo graag ontmoet en over onze zaak

gesproken. Toen voor korten tijd geleden sprake was van eene

mogelijkheid dat wij naar Holland konden komen studeeren, hadden wij

gedacht, gehoopt, in dezen zomer samen met die familie naar Europa te

kunnen vertrekken. Helaas! die hoop is vervlogen! Gisteren kregen we

brieven uit Holland en ik zei tegen mezelve: "ouwe jongen, 't hoofd op,

het zal heusch de eenige teleurstelling niet zijn, die het leven je

brengt; geloof maar vast, dat de toekomst nog een heele hoop voor je in

haar schoot verborgen houdt!" En ik ben er overheen gestapt. 't Leven

leert je vanzelf koelbloedigheid.

En nu over het voorstel van Mejuffrouw Van der Meij. Allereerst dank ik

je hartelijk, mijn trouwe kameraad, voor hetgeen je voor mij hebt

gedaan; dan dank ik je ook voor de toezending van "Belang en Recht". Ik

ben met je briefje, waarin je mij dat voorstel deedt, naar Vader

gestapt, dien ik 't liet lezen.

Vader wil eerst de komst van Van Kol afwachten, alvorens in die zaak te

beslissen. Ik heb goede hoop op zijne toestemming. Hoef ik je nog te

zeggen, dat "ik wil"? Je weet, dat 't pennen mij steeds heeft

aangetrokken, en ik zal maar gelooven, dat ik daartoe aanleg heb, zooals

jij het mij zoo dikwijls verzekerd hebt. Ja, Stella, ik wil, maar niet

onder mijn eigen naam, ik wil onbekend blijven, vertel dat aan

Mejuffrouw Van der Meij. Maar dat zal ook veel helpen!!! als men hier in

Indië hoort van artikelen eener Javaansche vrouw, dan weet men dadelijk

de schuldige aan te wijzen. 't Is vervelend; ik word niet graag

aangesproken over mijne pennevruchten (misbaksels) en vooral niet, als

ik niets dan lof hoor, bah! Men vindt eene Hollandsch schrijvende

Javaansche vrouw _interessant_, ziedaar het geheim van het goedkoope

succes. Pleizierig voor mij I

Maar laat ik nu de voordeden aan dat interessant-zijn verbonden, niet

over het hoofd zien.

Het heeft wèl degelijk zijne voordeden. Ja, Stella, ik en anderen

gelooven, met jou, dat het veel goed kan doen, wanneer een kind van het

eigen volk zijn stem verheft, eene Javaansche vrouw zelf wijst op 't

lief en o zooveel leed in hare wereld.

Daar wordt zooveel en zoo bitter geleden in onze arme vrouwenwereld.

Maar eer ik mijn stem tegen al die onrechtvaardigheden in onze wereld

verhef, moet ik mij _goed, goed_ bedenken; moet ik _weten_, wat ik

_doe_; ik zal mij met mijne stemverheffing den _haat_ op den hals halen

van _allen_, die voordeel genieten van de onrechtvaardigheden, waartegen

ik ten strijde trek.

Mij persoonlijk kan die vijandschap niets schelen, maar 't kan onze zaak

schaden. Als ik onderwijzeres zal zijn, zou dat misschien vele ouders

weerhouden hunne kinderen aan mij toe te vertrouwen, daar ik ingrijp in

overoude instellingen. Tot zulk geschrijf zal Vader mij geen toestemming

geven, althans voorloopig niet. De gelegenheid daartoe is mij reeds

meermalen aangeboden geworden, en ik mocht niet.

Maar wat Mejuffrouw Van der Meij voorstelde, is iets anders; ik heb

hoop, dat ik het zal mogen. Maar zooals ik je reeds zei, geheimhouding

is de conditie.

In dien geest voor 't publiek te schrijven, is de weg, dien een vriend

van ons mij ook aanwees op te gaan. Ik moest stukken schrijven, die

_besproken_ worden, en zelfs in de Tweede Kamer komen, zóó dat er een

enquête wordt ingesteld op last van genoemd regeeringslichaam.

't Heeft altijd in mijne bedoeling gelegen om zulk een werk uit te

geven, maar ik _voel_ zelf, dat 't nu de tijd nog niet is, om uitvoering

aan mijn voornemen te geven; ik voel mij daartoe nog niet sterk genoeg;

mij ontbreken nog vele gegevens. Ik moet nog _veel zien, veel hooren_,

en dat alles goed verwerken, diep, diep mijne gedachten erover laten

gaan.

De vrucht is nog niet rijp, Stella; wanneer zij 't is, zal ik niet

langer aarzelen haar aan de openbaarheid te bieden.

Als wij ons tot de Koningin wenden, dan is 't niet om de hulp van 't

Koningschap in te roepen, om door Koninklijke tusschenkomst de hulp van

den Staat te verkrijgen, maar wij vragen der Vorstin Haar _persoonlijke_

of particuliere hulp. Als je weet, hoe trotsch wij zijn, dan begrijp je,

wat een strijd 't ons kost, voor we er toe besluiten kunnen hulp te

_vragen_.

Maar zooals je zegt, waar groote belangen zijn, moeten kleine zwijgen.

En wij zien onzen trots voorbij voor het belang van het algemeen.

Steeds hebben wij _vragen_ afschuwelijk gevonden, ook al weten we, dat

wij geen weigering zullen krijgen. In dit geval is vragen de eenige kans

tot slagen.

Iemand, die bij de Koninginnen is geweest, verzekerde mij, dat ook de

Koningin-Moeder warm belang stelt in Indië en dat H.M. verwonderlijk

goed op de hoogte is van heel veel hier in Indië.

En wij willen het graag gelooven. Toen wij ter gelegenheid der

Vrouwententoonstelling de Koningin een paar werkjes aanboden, was het de

Koningin-Moeder, die haar particulieren secretaris naar de presidente

van Insulinde zond, om naar ons cadeau te informeeren. H.M. was het, die

op de Tentoonstelling de presidente, die haar rondleidde, verzocht, een

paar zinnen uit onzen brief voor te lezen. Of de Regeering, òf de

Koningin, een van beiden zal en moet 't zijn. En als 't bij allebei op

een nul uitloopt, dan maar naar Modjowarno, al is dat nu ook juist niet

mijn hartewensch. Weet je waar ik soms naar verlang in moedelooze buien?

naar de Buitenbezittingen, naar onzen vriend,[2] die diep, diep in 't

hartje van de binnenlanden zit, tusschen koppensnellers leeft en deze

wilden weldoet op allerlei manier, vooral door geneeskundige hulp.

Als een vogel met lamgeslagen vleugels zou ik bij hem komen, en hij zou

mijn moede kopje streelen, zoolang, tot mijn hijgen en steunen bedaart,

en uit zijn hand wat van de vrede, die over heel zijn wezen is

verspreid, in mij is gevloeid! Toch is hij ook mensch, heeft hij zijn

neerslachtige buien, zijn strijd.

Stella, Stella, dat ik even mijn armen om je heen kon slaan, mijn hoofd

aan je hart kon laten rusten.

Misschien ga ik toch naar Celebes, naar onzen vriend en de

koppensnellers. 't Komt er niet op aan, op welk eene wijze je 't Goede

dient, als het maar _goed_ is. Och neen, neen, schrik er niet van, denk

er niet aan, Stella, lieveling, 't zal misschien niet noodig zijn, en 't

moeilijke raadsel zal nog op eene bevredigende wijze kunnen worden

opgelost. Er zit nog wil, nog energie in me, Goddank!

Hoop 't beste, denk 't beste en heb mij steeds lief, lieveling.

[1] Dit is sedert het geval geweest. De echtgenoot van Raden Adjeng

Kardinah is nu Regent van Tegal.

[2] Bedoeld wordt Dr. N. Adriani, aan het meer van Poso, zooals ook

blijkt uit de tot hem gerichte brieven.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 57 / 136 题