Er spreekt zoo'n groote bezorgdheid uit je brief.
Wees nu gerust, lieveling, er heeft niemand mij kwaad gedaan. Ik zelf,
domme, onverstandige ik, was 't, die mijzelf kwaad deed. Ik vond er
genoegen in om in eigen zielewonden te wroeten, vindt je dat nu niet
in-dom? Ah, de practijk van de theorie "door lijden tot heerlijkheid" is
zoo hard!
Over mijn zusje schreef ik je reeds in een vorigen brief, 't Is zoo'n
groot gemis; wij missen ons harte- en zielezusje bij alles. Wij kregen
gelukkig steeds opgewekte brieven van haar. O! 't Is zoo'n lief en edel
kind! zij is _meer_ dan wij beiden tezamen. Zij heeft 't heel goed in
haar nieuwe woon en ondervond veel hartelijkheid van 't publiek. Haar
nieuwe familie draagt haar op de handen, en waar zij kwam, daar
ondervond zij veel hartelijkheid en sympathie van Inlandsche zoowel als
van Europeesche zijde.
De Europeanen verwachten van haar, dat zij de vrouwen van de Inlandsche
ambtenaren zal ontwikkelen. Zusje kan _veel_ doen voor onze zaak.
Wat haar man is, weet je reeds uit de huwelijksannonce, die wij je
zonden, Patih; dat is op een na de hoogste rang in de Inlandsche
ambtenaarswereld; onze zwager is bovendien troonopvolger. Als zijn vader
eerlang aftreedt, zal hij hem opvolgen.[1] Als regentsvrouw zal zusje
veel kunnen doen voor de beschaving der Inlandsche vrouw, meer nog dan
wij 't ooit kunnen. En wij hebben goede hoop, dat haar man haar daarin
zal bijstaan; tenminste hij was zeer voor de plannen van den heer
Abendanon.
Hij is erg aardig voor zijn vrouwtje, vroolijk en opgewekt, en heeft een
medelijdend hart. Hij onderhoudt een schep arme familieleden. Aardig
toch, vindt je niet?
Maar dat doen meer Inlanders, en die het goed hebben gedenken hun arme
nabestaanden.
Daar is bijna geen enkel Inlandsch hoofd, dat niet een stuk of wat arme
familieleden in huis heeft en hen onderhoudt. Niet voor niets dus staat
Indië bekend om zijne hartelijkheid.
Over zusje ben je nu dus ook gerust, vrouwtje?
Zij is alleen maar wanhopig, dat men zooveel van haar verwacht, evenals
haar oudste zus, die nooit zoo goed haar kleinheid voelt, dan wanneer
zeker iemand in Holland (Amsterdam) haar zoo in het zonnetje zet.
Waarlijk, Stella, dat moet je niet doen; ik zal je zoo bitter
tegenvallen, als het gelukkigste aller gelukkigste gesternten mij eens
in je armen voert. Je hebt een veel te mooien dunk van mij, mijn
karakter en mijn intellect. Die zijn, om je de waarheid te zeggen, geen
dubbeltje waard, en ik _meen het_. Maar wat je _niet_ zal teleurstellen,
vrouwtje, dat is mijne liefde voor jou!
Laatst kreeg ik een brief van een ouden heer, die het over mijn "zacht
gemoed" en "lieven aard" en "bedrevenheid in de Hollandsche taal" had.
Ik glimlachte weemoedig, toen ik dat las en dacht bij mijzelf: "Wist gij
het maar!" Hij is op 't laatst van 't vorige jaar uitgekomen en zou ons
verleden maand opzoeken, maar 't lot heeft anders gewild; door ziekte
moest hij hals over kop naar Europa terug, ook zijne vrouw, met wie hij
uitgekomen was, om afscheid van 't Zonneland te nemen.
't Spijt ons innig; wij hadden hem zoo graag ontmoet en over onze zaak
gesproken. Toen voor korten tijd geleden sprake was van eene
mogelijkheid dat wij naar Holland konden komen studeeren, hadden wij
gedacht, gehoopt, in dezen zomer samen met die familie naar Europa te
kunnen vertrekken. Helaas! die hoop is vervlogen! Gisteren kregen we
brieven uit Holland en ik zei tegen mezelve: "ouwe jongen, 't hoofd op,
het zal heusch de eenige teleurstelling niet zijn, die het leven je
brengt; geloof maar vast, dat de toekomst nog een heele hoop voor je in
haar schoot verborgen houdt!" En ik ben er overheen gestapt. 't Leven
leert je vanzelf koelbloedigheid.
En nu over het voorstel van Mejuffrouw Van der Meij. Allereerst dank ik
je hartelijk, mijn trouwe kameraad, voor hetgeen je voor mij hebt
gedaan; dan dank ik je ook voor de toezending van "Belang en Recht". Ik
ben met je briefje, waarin je mij dat voorstel deedt, naar Vader
gestapt, dien ik 't liet lezen.
Vader wil eerst de komst van Van Kol afwachten, alvorens in die zaak te
beslissen. Ik heb goede hoop op zijne toestemming. Hoef ik je nog te
zeggen, dat "ik wil"? Je weet, dat 't pennen mij steeds heeft
aangetrokken, en ik zal maar gelooven, dat ik daartoe aanleg heb, zooals
jij het mij zoo dikwijls verzekerd hebt. Ja, Stella, ik wil, maar niet
onder mijn eigen naam, ik wil onbekend blijven, vertel dat aan
Mejuffrouw Van der Meij. Maar dat zal ook veel helpen!!! als men hier in
Indië hoort van artikelen eener Javaansche vrouw, dan weet men dadelijk
de schuldige aan te wijzen. 't Is vervelend; ik word niet graag
aangesproken over mijne pennevruchten (misbaksels) en vooral niet, als
ik niets dan lof hoor, bah! Men vindt eene Hollandsch schrijvende
Javaansche vrouw _interessant_, ziedaar het geheim van het goedkoope
succes. Pleizierig voor mij I
Maar laat ik nu de voordeden aan dat interessant-zijn verbonden, niet
over het hoofd zien.
Het heeft wèl degelijk zijne voordeden. Ja, Stella, ik en anderen
gelooven, met jou, dat het veel goed kan doen, wanneer een kind van het
eigen volk zijn stem verheft, eene Javaansche vrouw zelf wijst op 't
lief en o zooveel leed in hare wereld.
Daar wordt zooveel en zoo bitter geleden in onze arme vrouwenwereld.
Maar eer ik mijn stem tegen al die onrechtvaardigheden in onze wereld
verhef, moet ik mij _goed, goed_ bedenken; moet ik _weten_, wat ik
_doe_; ik zal mij met mijne stemverheffing den _haat_ op den hals halen
van _allen_, die voordeel genieten van de onrechtvaardigheden, waartegen
ik ten strijde trek.
Mij persoonlijk kan die vijandschap niets schelen, maar 't kan onze zaak
schaden. Als ik onderwijzeres zal zijn, zou dat misschien vele ouders
weerhouden hunne kinderen aan mij toe te vertrouwen, daar ik ingrijp in
overoude instellingen. Tot zulk geschrijf zal Vader mij geen toestemming
geven, althans voorloopig niet. De gelegenheid daartoe is mij reeds
meermalen aangeboden geworden, en ik mocht niet.
Maar wat Mejuffrouw Van der Meij voorstelde, is iets anders; ik heb
hoop, dat ik het zal mogen. Maar zooals ik je reeds zei, geheimhouding
is de conditie.
In dien geest voor 't publiek te schrijven, is de weg, dien een vriend
van ons mij ook aanwees op te gaan. Ik moest stukken schrijven, die
_besproken_ worden, en zelfs in de Tweede Kamer komen, zóó dat er een
enquête wordt ingesteld op last van genoemd regeeringslichaam.
't Heeft altijd in mijne bedoeling gelegen om zulk een werk uit te
geven, maar ik _voel_ zelf, dat 't nu de tijd nog niet is, om uitvoering
aan mijn voornemen te geven; ik voel mij daartoe nog niet sterk genoeg;
mij ontbreken nog vele gegevens. Ik moet nog _veel zien, veel hooren_,
en dat alles goed verwerken, diep, diep mijne gedachten erover laten
gaan.
De vrucht is nog niet rijp, Stella; wanneer zij 't is, zal ik niet
langer aarzelen haar aan de openbaarheid te bieden.
Als wij ons tot de Koningin wenden, dan is 't niet om de hulp van 't
Koningschap in te roepen, om door Koninklijke tusschenkomst de hulp van
den Staat te verkrijgen, maar wij vragen der Vorstin Haar _persoonlijke_
of particuliere hulp. Als je weet, hoe trotsch wij zijn, dan begrijp je,
wat een strijd 't ons kost, voor we er toe besluiten kunnen hulp te
_vragen_.
Maar zooals je zegt, waar groote belangen zijn, moeten kleine zwijgen.
En wij zien onzen trots voorbij voor het belang van het algemeen.
Steeds hebben wij _vragen_ afschuwelijk gevonden, ook al weten we, dat
wij geen weigering zullen krijgen. In dit geval is vragen de eenige kans
tot slagen.
Iemand, die bij de Koninginnen is geweest, verzekerde mij, dat ook de
Koningin-Moeder warm belang stelt in Indië en dat H.M. verwonderlijk
goed op de hoogte is van heel veel hier in Indië.
En wij willen het graag gelooven. Toen wij ter gelegenheid der
Vrouwententoonstelling de Koningin een paar werkjes aanboden, was het de
Koningin-Moeder, die haar particulieren secretaris naar de presidente
van Insulinde zond, om naar ons cadeau te informeeren. H.M. was het, die
op de Tentoonstelling de presidente, die haar rondleidde, verzocht, een
paar zinnen uit onzen brief voor te lezen. Of de Regeering, òf de
Koningin, een van beiden zal en moet 't zijn. En als 't bij allebei op
een nul uitloopt, dan maar naar Modjowarno, al is dat nu ook juist niet
mijn hartewensch. Weet je waar ik soms naar verlang in moedelooze buien?
naar de Buitenbezittingen, naar onzen vriend,[2] die diep, diep in 't
hartje van de binnenlanden zit, tusschen koppensnellers leeft en deze
wilden weldoet op allerlei manier, vooral door geneeskundige hulp.
Als een vogel met lamgeslagen vleugels zou ik bij hem komen, en hij zou
mijn moede kopje streelen, zoolang, tot mijn hijgen en steunen bedaart,
en uit zijn hand wat van de vrede, die over heel zijn wezen is
verspreid, in mij is gevloeid! Toch is hij ook mensch, heeft hij zijn
neerslachtige buien, zijn strijd.
Stella, Stella, dat ik even mijn armen om je heen kon slaan, mijn hoofd
aan je hart kon laten rusten.
Misschien ga ik toch naar Celebes, naar onzen vriend en de
koppensnellers. 't Komt er niet op aan, op welk eene wijze je 't Goede
dient, als het maar _goed_ is. Och neen, neen, schrik er niet van, denk
er niet aan, Stella, lieveling, 't zal misschien niet noodig zijn, en 't
moeilijke raadsel zal nog op eene bevredigende wijze kunnen worden
opgelost. Er zit nog wil, nog energie in me, Goddank!
Hoop 't beste, denk 't beste en heb mij steeds lief, lieveling.
[1] Dit is sedert het geval geweest. De echtgenoot van Raden Adjeng
Kardinah is nu Regent van Tegal.
[2] Bedoeld wordt Dr. N. Adriani, aan het meer van Poso, zooals ook
blijkt uit de tot hem gerichte brieven.