't Bloed verloochent zich niet; ik hecht waarde, gewicht aan de afkomst
van al wat me omringt; ik heb idee, dat voorwerpen afkomstig van
personen, die ik onverdeeld eer, liefheb en hoogacht, mij zegen
aanbrengen! Uit uwe boeken zal ik zeker met meer lust en ijver, en ik
hoop ook met meer gemak, leeren! Vindt u mij nu niet erg dwaas? Ik ben
ook niet meer dan een groot kind dat verlangt véél lief te hebben, zoo
gaarne _weten_ wil om te kunnen _begrijpen_. Dàt willen wij zoo graag!
Begrijpen is een heel moeilijke kunst, nietwaar, liefste--heel moeilijk
om aan te leeren, wien het niet als eene gave aangeboren is.
Begrijpen, doet zacht oordeelen, doet vergeven, en maakt ons _goed_.
Innig dank, mijn liefste, dat u beiden ons leeren wilt te leeren
begrijpen!
't Is Vrijdagavond, gamelan-avond, onze lievelingsstukken worden daar
gespeeld! De ijskorst om onze harten is gesmolten; 't zonnetje heeft de
koude harten warm gekust! Nu zijn ze weer vatbaar voor aandoeningen! Op
de zoete, serene tonen, die deze zachte avondwind van de pendopo komt
aandragen, zweven weer onze zielen òp naar de blauwe hemelen onzer
verbeelding!
Droom voort, droom voort, droom zóólang ge droomen kunt! Als er géén
droomen waren, wat zou 't leven dan zijn? de werkelijkheid is meestal
zoo hard.
Men heeft misschien gelijk, wij moesten eigenlijk alleen op een
onbewoond eiland wonen!
Maar dat zou puur egoïsme zijn nietwaar? wij moeten, geloof ik, _met_ en
_voor_ de menschen leven. Dàt is de bestemming van 't leven--om het
Leven mooi te maken!
Leed loutert, tenminste als de mensch van goed maaksel is; in 't
tegenovergestelde geval verlaagt het. Ook wij zijn veranderd --hoe, dat
zal de toekomst leeren; wij weten alleen maar, dat we de dartele
kinderen niet meer zijn.
Wij hebben al de prulletjes van onze kamer weggedaan, en er de kinderen
mee blij gemaakt. De vroolijke meisjeskamer is er niet meer, waar
zooveel werd gedroomd, gedweept, gedacht, gevoeld, gejubeld, gestreden
en geleden! Alteen onze boekenkast is er onveranderd gebleven, en lachen
onze oude vrienden nog steeds ons vriendelijk en vertrouwelijk en
bemoedigend toe!
Een onzer beste vrienden, een oudje, waar niet veel meer naar omgekeken
wordt, omdat 't ouderwetsch is, ziet men dadelijk, wanneer men hun
woning ontsluit. Ons lief, trouw oudje, menigeen haalt er den neus voor
op, maar wij hebben hem lief, onzen ouden vriend, die ons nooit heeft
verlaten, in vreugdedagen met ons meejubelt, en in smart en donkere
dagen ons troost en opbeurt. Het is ... de Genestet.
Het heeft ons in de laatste tijden zooveel troost geschonken!