28 Februari 1902. (VIII.)

't Bloed verloochent zich niet; ik hecht waarde, gewicht aan de afkomst

van al wat me omringt; ik heb idee, dat voorwerpen afkomstig van

personen, die ik onverdeeld eer, liefheb en hoogacht, mij zegen

aanbrengen! Uit uwe boeken zal ik zeker met meer lust en ijver, en ik

hoop ook met meer gemak, leeren! Vindt u mij nu niet erg dwaas? Ik ben

ook niet meer dan een groot kind dat verlangt véél lief te hebben, zoo

gaarne _weten_ wil om te kunnen _begrijpen_. Dàt willen wij zoo graag!

Begrijpen is een heel moeilijke kunst, nietwaar, liefste--heel moeilijk

om aan te leeren, wien het niet als eene gave aangeboren is.

Begrijpen, doet zacht oordeelen, doet vergeven, en maakt ons _goed_.

Innig dank, mijn liefste, dat u beiden ons leeren wilt te leeren

begrijpen!

't Is Vrijdagavond, gamelan-avond, onze lievelingsstukken worden daar

gespeeld! De ijskorst om onze harten is gesmolten; 't zonnetje heeft de

koude harten warm gekust! Nu zijn ze weer vatbaar voor aandoeningen! Op

de zoete, serene tonen, die deze zachte avondwind van de pendopo komt

aandragen, zweven weer onze zielen òp naar de blauwe hemelen onzer

verbeelding!

Droom voort, droom voort, droom zóólang ge droomen kunt! Als er géén

droomen waren, wat zou 't leven dan zijn? de werkelijkheid is meestal

zoo hard.

Men heeft misschien gelijk, wij moesten eigenlijk alleen op een

onbewoond eiland wonen!

Maar dat zou puur egoïsme zijn nietwaar? wij moeten, geloof ik, _met_ en

_voor_ de menschen leven. Dàt is de bestemming van 't leven--om het

Leven mooi te maken!

Leed loutert, tenminste als de mensch van goed maaksel is; in 't

tegenovergestelde geval verlaagt het. Ook wij zijn veranderd --hoe, dat

zal de toekomst leeren; wij weten alleen maar, dat we de dartele

kinderen niet meer zijn.

Wij hebben al de prulletjes van onze kamer weggedaan, en er de kinderen

mee blij gemaakt. De vroolijke meisjeskamer is er niet meer, waar

zooveel werd gedroomd, gedweept, gedacht, gevoeld, gejubeld, gestreden

en geleden! Alteen onze boekenkast is er onveranderd gebleven, en lachen

onze oude vrienden nog steeds ons vriendelijk en vertrouwelijk en

bemoedigend toe!

Een onzer beste vrienden, een oudje, waar niet veel meer naar omgekeken

wordt, omdat 't ouderwetsch is, ziet men dadelijk, wanneer men hun

woning ontsluit. Ons lief, trouw oudje, menigeen haalt er den neus voor

op, maar wij hebben hem lief, onzen ouden vriend, die ons nooit heeft

verlaten, in vreugdedagen met ons meejubelt, en in smart en donkere

dagen ons troost en opbeurt. Het is ... de Genestet.

Het heeft ons in de laatste tijden zooveel troost geschonken!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 55 / 136 题