18 Februari 1902. (VIII.)

Wij kunnen ook wel zoo echt dol en dartel, zoo ècht _jong_ zijn--o!

konden wij u hier tooveren. Wij waren den Zondag na ontvangst van uwen

lieven brief, en dezen Zondag weer met Anneke aan 't strand. Wij dachten

aan u en spraken van u. Ah, kon u maar bij ons zijn, om naar 't woeste

golvenspel te kijken, naar 't ongemeen mooie kleurenspel, dat de

scheidende zonne tooverde aan het uitspansel. Er woei zoo'n harde wind,

in minder dan geen tijd waren onze pruiken gehavend, en hadden wij

moeite om onze kleeren bijeen te houden. Er was leven in de boomen,

leven in 't onafzienbare watervlak, en leven ook in de vijf personen,

die de golven naderden en zich door de golven na lieten loopen. Wat

hadden we een pret! Door 't geraas der golven heen, hoorde men onze

stemmen, onzen lach. Dat waren de "onderwijzeres" en de deftige

"prinsessen", die daar renden en draafden met verwaaide haren en

verwaaide kleeren. 't Was zoo verrukkelijk, zoo ècht jong en dartel!

Onze koetsier en enkele voorbijgangers bleven staan om ons met open mond

aan te gapen.

Den volgenden morgen gingen we weer naar 't strand; de zee was

uitgeraasd, kalm; rustig lag daar 't onmetelijke watervlak vóór ons;

slechts kleine rimpels, waarop 't zonnelicht als briljanten danste,

vertoonden zich op den waterspiegel, die 't prachtige blauw van den

hemel weerkaatste. We gingen de zee in; de bodem was effen; geen

steentje, geen zeewier, geen modder; we gingen een heel eind ver, tot 't

water aan onze kin reikte. De baboe aan 't strand werd angstig; we

konden elkaar niet meer verstaan. Zij liep als een gek met hare armen te

zwaaien, ons terugroepend. En wij lachten om haar angst. Van uit de

verte zag ze de vijf hoofden rond drijven: wij dansten en over het water

klonken onze stemmen, die een frisch liedje aanhieven.

Als verjongd kwamen we uit de zee, brachten thuis een geweldigen honger

mede. Als we flink ontbeten hadden, zette Annie zich aan de piano. Uit

de volheid van haar hart speelde ze een "danklied" en wij zongen mee. 't

Was intusschen halfelf geworden. Nu fluks aan den arbeid; in de

achtergalerij stond onze schilderdoos klaar! Met ons vijven zaten we om

een tafel, en waren dra druk aan den gang; niet alleen de vingers repten

zich, maar ook de mondjes zaten niet stil; er werd aldoor gepraat,

gelachen en gezongen. In een oogwenk was de tijd om, en moesten we weer

aan tafel. 's Middags een toertje maken, en dan aan 't strand wandelen!

Van de wandeling, ten minste, als 't niet al te donker is, in den tuin

thee drinken, te midden van groen en bloemen, en boven ons een prachtig

blauwe hemel, met enkele sterren en de bleekgouden maan. En daarna samen

lezen of musiceeren. Als Annie piano speelt, zitten wij er gewoonlijk

bij te handwerken of te schrijven, zoo onder muziek te werken is

heerlijk. 't Werk vlot zoo goed. Koken staat ook op 't program. Dat doen

wij na de rijsttafel.

Komt u beiden maar zelf over, om u hier te verpoozen van dat drukke

Batavia. Toe, doet u 't eens? Wij zullen u opwekken. Wij zullen u laten

genieten van een echt dessaleven, zoo rustig, zoo stil, kalm en vredig;

voor leven zullen wij zorgen; daarin zullen ons bijstaan de boomen, de

wind, de zee, de vogels, die 's ochtends ons steeds met een concert

begroeten.

Komt over, lieve Vrienden, komt in ons eenvoudig en stil plaatske

nieuwe, frissche kracht halen!

* * * * *

Van de bruiloft hier zal ik maar vertellen, dat Zusje was een lieve bruid.

Zij trouwde in wajang-kostuum en zag er keurig uit. 's Avonds op de

receptie verscheen ze als een sprookjesprinses uit duizend en een nacht.

Zij had een gouden kroon op en was gesluierd, 't Was als een sprookje!

Iets nieuws, het zal stellig navolging vinden.[1]

Resident Sijthoff, die Zus graag nog voor 't laatst als jong meisje zag,

woonde de geheele geschiedenis bij. Graag hadden ze haar nog voor 't

laatst als jong meisje de hand gedrukt, maar dat was niet mogelijk. Ze

konden haar maar met de oogen groeten. Als uit steen gehouwen zat ze

daar voor den goud-glanzenden troonhemel; kaarsrecht, het hoofd fier

opgericht, de oogen recht vooruit, starend naar de toekomst, die dra

ontsluierd zou worden. De gebruikelijke traantjes werden er gestort;

zelfs vreemden waren ontroerd; doch èn zij, èn wij tweeën, waren en

bleven _kalm, koud_ en _onbewogen_. Gamelan, noch muziek; wierook noch

bloemengeur, vermocht de minste ontroering bij ons teweeg te brengen.

Wij waren _koud_. Men had zich het afscheid _vreeselijk_ voorgesteld, en

men was _verbaasd_.

Wij hadden veel bekijks en hebben nog steeds veel bekijks. Men is

benieuwd, hoe wij ons er onder houden.

Wij hebben den Resident nog over onze plannen gesproken, dien avond nog.

Stel u voor, temidden van feestgewoel spraken we over eene zaak zóó

ernstig en zóó teer. Maar 't was de eenige gelegenheid om hem alleen te

spreken, en wij moesten voortmaken. Alleen! en om ons heen waren

menschen en nog eens menschen. Te midden van groen en bloemen,

zijdegeglans, goud- en juweelengeschitter, stemmengegons, in een zee van

licht zaten wij daar met een champagneglas in de hand, 't was

middernacht, over ernstige onderwerpen te spreken. Van tevoren wisten

we, dat hij ons zou uitlachen en minstens ons "mal" vinden. Wij lieten

er ons niet door afschrikken. Hij sprak mij eerst, daarna Roekmini, om

te zien zeker, of wij elkaar al dan niet nabrauwden. Dikwijls verliet

hij ons in eene niet zeer vriendelijke stemming, maar kwam toch telkens

weer terug, om 't gesprek opnieuw weer aan te knoopen.

Als wij naar Holland _konden gaan_ om te studeeren, _wat zou u_ beiden

_beter_ voor ons vinden, dat wij _gingen_ of dat wij _hier bleven_? Wil

u ons _hierop antwoord geven_? omdat u mijn gezicht niet kunt zien,

terwijl ik dit schrijf, meld ik 't u, dat ik 't u heel lief vraag en

daarbij u heel lief aankijk!

Nog een groot verzoek heb ik u te doen. Zou u zoo zeer vriendelijk

willen zijn als u uw vriend Dr. Snouck Hurgronje ontmoet, ZEd. te vragen

of er bij de Mohammedanen ook wetten van meerderjarigheid bestaan als

bij u?

Of zou ik 't wagen, mijzelf tot ZEd. te wenden om inlichtingen? Ik zou

zoo graag het een en ander willen weten over de rechten en plichten, of

beter nog over de wetten der Mohammedaansche vrouw en dochter. Een mooie

geschiedenis, ik moet er mij voor schamen, dat wij dat zelf niet weten.

Wij weten zoo bitter weinig!

't Spijt me ook zoo innig, dat de Meisjes H.B.S. wordt opgedoekt.

Vreeselijk is 't.

[1] In den brief van 21 Maart 1902 volgt eene uitvoerige beschrijving

van de huwelijks-gebruiken na de eigenlijke huwelijksvoltrekking, welke

laatste niet door de bruid wordt bijgewoond.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 54 / 136 题