15 Februari 1902. (I.)

Als mij iets onaangenaams van de menschen overkomt, dan brengt dat mijn

bloed aan 't koken, ben ik verontwaardigd, maar daarna komt er zoo iets

als vreugde over me: ik ben blij dat zij 't zijn, die mij het aandeden

en _niet_ ik hun, want dan zou ik _laag_ zijn, en als ik dan bedroefd

ben, is 't omdat zij met die laagheid mij schandelijk onrechtvaardig

bejegenden.

Vergeef me, dat ik nu eerst je schrijf; zoo dadelijk na 't vertrek van

onze lieveling, ons harte- en zielezusje, kon ik aan geen schrijven

denken, schoon jij me niet uit de gedachten was aldoor. Zus is den

31^{en} Januari van hier naar hare nieuwe woning vertrokken. God geve,

dat ons kindje zoo gelukkig mag worden, als een jong, rein, onschuldig

menschenkind dat maar bij mogelijkheid worden kan. Je weet hoezeer wij

drieën aan elkander zijn gehecht, en dat zij ons beider troetelkindje is

geweest, omdat zij niet sterk is en zooveel onze hulp en steun behoefde

steeds. Zooveel hebben wij vóór haar trouwen reeds om de a.s. scheiding

geleden, dat toen de groote slag viel, wij ongevoelig waren. Wij waren

zoo akelig kalm, wij dachten niets, wij voelden niets. Zij ging, en wij

zagen haar gaan met droge oogen. We werden bang van ons zelf, wij waren

zoo koud, zoo heelemaal zonder gevoel; niets raakte, roerde ons aan. Dat

was onnatuurlijk; koud zijn, dat is tegen onze natuur in; we waren bang,

dat er iets broeide, iets in aantocht was; dat die ongevoeligheid de

voorbode was van iets naars: ongesteldheid of zoo iets. Wij voelden ons

zoo leeg in 't hoofd en van binnen. Annie Glaser, ons makkertje, zocht

ons veel op, op verzoek van zusje. Op een avond dat zij er weer was,

speelde ze zusje's en onze lievelingsstukken op de piano. En daar

langzaam ontdooide de ijskorst om onze harten onder de tonen van haar

muziek. En met de warmte keerden de pijnen weer terug in onze harten.

Goddank, dat wij ons gevoel weer terug hebben! Goddank; zeggen wij,

niettegenstaande de pijnen, want wie ongevoelig is voor pijn, is ook

niet vatbaar voor de vreugde. Wie niet heeft geleden, kan ook niet hoog

genieten.

Zij is weg, ver weg van ons, en wij kunnen 't ons nog maar niet

voorstellen, dat zij hier niet meer is, ons kleintje, ons eigen kindje.

Wij zien haar overal, ze is om en bij ons als altijd, alleen maar dat

wij niet luid met elkaar praten als altijd, maar dit nu slechts in

gedachten doen. 't Is ons nog zoo vreemd, dat we naar papier en pen

moeten grijpen om haar 't een en ander te zeggen!

Kleintje, ons kleintje, zijt gij dan werkelijk van ons heen? Ah!

Dierbaar zusje, wees gelukkig in uw nieuwe leven en verspreid geluk om u

heen, zooals gij het hier deed, en waarmee ge harten aan het uwe hebt

vastgeschakeld.

Stella, heb veel geduld met me, ik zou je zoo graag gelukkig willen

maken met een jubelenden brief, maar dat zal ik nog in lang niet kunnen

doen, vrees ik. Maar wees jij niet ontmoedigd, mijn beste, wij denken er

in de verste verte niet aan om onze plannen op te geven; wij zijn juist

steeds doende om onze positie sterk te maken; heerlijk, dat wij steeds

meer sympathie winnen.

Daar is een jongmensch, een erg knappe bol, en zedelijk hoogstaand, die

ons niet persoonlijk kent, maar toch zooveel sympathie voor ons streven

gevoelt en daarin zoo levendig belang stelt, als was hij een eigen broer

van ons. Wij correspondeeren met hem en later zal hij hier komen om

persoonlijk met zijne zusjes kennis te maken. Hoe anders is hij dan al

de andere jongelui, die wij kennen. Het heiligst goed op aarde, las ik

eens, is een _edel mannenhart_. Wij onderschrijven die woorden,

waarlijk, een edel mannenhart is 't kostbaarste goed op aarde; het is

_zoo zeldzaam_. Gelukkig zij, die in hun leven zulk een parel ontmoeten.

En gelukkig zijn wij, wij kennen _eenige_ van dat kostbare en zeldzame

exemplaar. Zie, al dat goede steunt ons, geeft ons telkens nieuwen,

frisschen moed en kracht tot arbeid en tot strijd.

* * * * *

Zus Roekmini houdt zooveel van je en stelt je zoo hoog. 't Is zoo'n best

kind, zij is zoo goed, zoo trouw. Je zoudt zeker goed met haar kunnen

opschieten, als je haar kende. Maar je kent haar reeds door mij, niet

waar?

Toen ik zoo ziek was, verzocht ik haar je te schrijven, maar dat wilde

ze niet, omdat 't je zou verontrusten.

Ik hoop vurig, vurig voor haar, dat zij hare grootsche illusies zal

kunnen verwezenlijken.

Weet je wat mij tot nadenken stemde en ook eenigszins ontmoedigde?

Toen zij en naderhand ik zoo zwaar ziek waren, dacht ik bij mezelve:

"Ziehier iemand, die gloeit van geestdrift voor eene edele zaak, die

oprecht en vurig wil, het Goede dienen, zooals haar dit het beste lijkt;

zij waant zich sterk om bergen te verzetten, en zie, daar ligt zij

weerloos, machteloos!

Als iemand haar opnam, en in de put gooide, zij zou 't stil laten

begaan, geheel weerloos, machteloos, als zij was.

Nu eerst begrijpen we zoo goed, wat de Genestet in zijn "Terugblik" zei:

"Wat wij wenschen, willen, streven,

Hooger geest gebiedt.

Vrije mensch, uw weg, uw leven,

Maakt g' u zelven niet.

's Adelaars vlucht heeft vaste perken,

Waar hij henen schiet.

De Almacht neigt den wil der sterken,

Als de wind het riet.

Leg den grond voor--luchtpaleizen,

Op der plannen kaart,

Merk den weg, dien gij zult reizen

Wijd en schoon is de aard!

Kies uw lot en zoek uw wegen

Bij uw eigen licht!...

_Maar verwacht een God van zegen_,

Die uw gangen richt!"

En diezelfde dichter heeft ons zooveel troost geschonken in zware,

moeilijke dagen.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 53 / 136 题