3 Januari 1902. (VIII.)

Maar de Resident zal ons wel zien en spreken; ZEd. was 't, die ons 6

jaar geleden te voorschijn haalde; op zijn verzoek kwamen wij naar

buiten; vóór dien tijd kwamen wij nooit in gezelschappen, betraden wij

zelfs de pendopo niet, en moesten allen, die ons zien en spreken wilden,

bij ons in de binnenkamer of achtergalerij komen. 't Is wel aardig om

die periode te volgen, hoe wij stap voor stap den weg der Vrijheid

opgingen. De Heer Sijthoff[1] was 't, die ons den eersten stap hielp

doen. Nu staan wij op 't punt om een nieuw tijdperk in te gaan. De zes

jaren, die achter ons liggen, zijn onze gelukkigste jaren--veel geweend,

maar ook veel gejubeld!

* * * * *

Toen wij op Semarang kwamen, kwam mijn oudste zus over; zij woont in 't

Kendalsche. Zij had rust noch duur voor zij ons drieën gezien had. "Zus,

zus", was alles wat ze zei, toen ze mij zag. De armen, die om mij heen

werden geslagen, trilden, en hare oogen waren omfloersd door tranen. Oog

in oog, hart aan hart, stonden wij daar zwijgend met ons beidjes--wij

begrepen elkaar. Eindelijk hebben wij elkaar gevonden![2]

Wij hebben innig, innig medelijden met zus; men kan zóó zien, dat zij

zoo graag met ons mee wil en zich van hare onmacht is bewust. Eindelijk

dan _na jaren_ vinden wij bij haar sympathie en waardeering. 't Geeft

ons moreele satisfactie en weer meer _moed_. Zij was eerst beslist tegen

al dat nieuwe, was beslist conservatief en nu...?

Aardig om hare bewondering voor de jongere zusjes te zien. Verwonder u

er dus maar niet over dat wij ijdel en pedant zijn! Dat zij nu door hare

bewondering erkent, dat wij niet kwaad zijn, wat wij doen niet slecht,

doet ons goed, maar pijn doet 't ons aan den anderen kant toch ook.

Zij heeft een besten man. Ik heb hem kort geleden pas _leeren kennen_,

wij drieën zagen hem slechts enkele keeren, wisselden een paar woorden

met elkaar, en daarmee was alles gezegd.

Den laatsten keer, dat wij hem zagen, hebben wij lang met elkaar

gesproken--en ik vind, dat zus een prijs heeft getrokken uit de

huwelijks loterij. Hij heeft ook de Hoogere Burgerschool bezocht en een

paar klassen afgeloopen en is toen bij 't Binnenlandsch Bestuur gegaan.

Mijn schoonbroer heeft nu geen vader meer. Al zijne broers en zusjes

hebben de Europeesche school bezocht. Een broer van hem zit nog op de

H.B.S.; hij zit in de 4^{de} en moet dit jaar naar de 5^{de} klasse

overgaan. 't Is een vlugge jongen. Een neef van hem, regent, ried mijn

schoonbroer aan, den jongen van school af te nemen; hij zou dan wel

zorgen, dat hij terecht kwam. Telkens kwam die neef erop terug, maar

zwager wilde daar niets van weten. "Wat, hem van de studie weghalen?

Zeker, en dan hem schrijver van een assistent-wedono op _f_ 15 of _f_ 20

tractement laten worden? Geen quaestie van; hij moet de H.B.S. afloopen,

en dan bij den handel gaan of bij het spoor".

Flink zoo zwager, hij aanbidt dus niet de goudgestreepte pajong en W.

knoopen! Mooi van zijne moeder, vindt u niet, om dien jongen toch door

te laten leeren, terwijl zij thuis nog vier kinderen heeft?

Wat is het toch heerlijk om veel geld te hebben; men kan er anderen zoo

gelukkig mee maken. Ik wilde wel, dat ik over tonnen te beschikken had,

dan stuurde ik dien jongen naar Europa, om verder te studeeren.

Ik ken ook een meisje, die de kloosterschool op Semarang bezocht, en nu

wegteert. Arm, arm meisje! zij was aan een heel ander leven gewoon; nu

als wedono's dochter, ziet en spreekt ze niemand, en kwijnt weg. Als zij

iets had geleerd, waarmee zij geld verdienen kon, zou 't dan zoo zijn

met haar? Voor zulken moet 't voorbeeld gegeven worden, dat _arbeid

adelt_, dat een Inlandsch meisje niet van familie hoeft afhankelijk te

zijn, als ze dat zelf niet wil.

Is er grooter vernedering dan afhankelijk te zijn? Als zij een vak had

geleerd, dan was ze nu vrij en zelfstandig! En wat lot wacht haar, als

zij leven blijft?--Natuurlijk moet zij trouwen.

Niet lang geleden kwam hier een wajang orang[3] troep, en een van de

dansvrouwen was ... een regentskleindochter! Wat is oorzaak van die

degradatie?

Vroeger was 't geen gewoonte om de kinderen te laten leeren; nu is 't

iets alledaagsch. Maar als men een stuk of 25 kinderen heeft, kan men

hun toch niet allen een goede opvoeding geven?

Er is gevraagd naar de oorzaak der vermindering van het prestige van den

Inlandschen adel. Werd die quaestie toen aangeroerd, dat men _'t recht

niet heeft levens te verwekken_, als men _niet laten leven kan_? Och wat

ben ik toch onnoozel!

Aan alles, alles doordenkende, stijgt uit mijn hart een kreet, een bede

op: "Geef den Javaan opvoeding!" En bij die opvoeding moet niet alleen

op het verstand gewerkt worden, maar ook op 't gemoed.

En telkens als ik dingen zie of hoor, die mij doen rillen van afschuw,

of mijn hart bloeden doen, stijgt als een kreet de bede in mij op: "Geef

den Javaan opvoeding!"

Eene groote illusie is het van mij, om ons eens in verbinding te stellen

met alle ontwikkelde, vooruitstrevende mannen van Indië. Als één mensch

alleen ben ik machteloos, maar als de jonge garde zich vereenigde,

zouden wij met vereende krachten iets goeds tot stand kunnen brengen.

Wij gloeien van geestdrift, wanneer wij knap geschreven artikelen van

onze landgenooten lezen. Hoe zullen wij ons toch met hen in verbinding

kunnen stellen? Nu is 't bijna een volstrekte onmogelijkheid. Men zou

ons dadelijk _verdacht_ maken. Vriendschap tusschen man en vrouw,

tusschen jonge menschen van beiderlei kunne, acht men onbestaanbaar. Als

onze broer terug is, zouden wij 't pas kunnen doen.

* * * * *

Ik dacht bij mezelve, als ik iets vreeselijks deed, dat werkelijk ieders

verachting verdiende, en iedereen zich van mij afkeerde, mij smadelijk

verstiet, zouden Vader, Moeder 't ook doen? Neen--dat zullen ze niet; ik

blijf _hun_ kind, een plaats in hun hart behouden, al had ik 't

vreeselijkste gedaan. En er kwam eene groote verteedering over mij.

Terwijl wij hier in onze kamer zitten te pieken aan Kleintje's kleeren,

(ze wil niet hebben, dat een vreemde er aan komt; wij moeten alles zelf

doen), gaat de deur telkens open en komt Vader binnen ... om dit

weerspannige hoofd te streelen, waarin zoovele oproerige gedachten

woelen.

Over vier weken zal zus niet meer in ons midden zijn. ?Jullie zullen mij

erg missen, dat weet ik", zei zij. Eens _alles_ drie geweest, altijd

drie bijeen, en dra?...

Wij zullen _nooit_ kunnen vergeten.

[1] De heer Sijthoff was eerst resident van het gewest Japara, en later

van het gewest Semarang waartoe Japara ging behooren.

[2] Bij het lezen hiervan zal men wel willen billijken, dat ik de

passage op blz. 52 behield.

[3] Wajang orang is eene vertooning door menschen van tafereelen uit de

Javaansche oudheid.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 52 / 136 题