Wij willen niet langer op een wrak schip varen. Er moet iets gedaan
worden aan die diep treurige zaak. Wij zullen al heel, heel gelukkig
zijn, als maar de aandacht der weldenkenden daarop gevestigd is. Ik heb
meer dan eens met vrouwen van Inlandsche hoofden en vrouwen uit de
volksklasse over het idee van het onafhankelijke, zelfstandige,
geldverdienende meisje gesproken, en 't kwam telkens hierop neer: "Er
moet één zijn, die voorbeeld geeft." Wij zijn overtuigd, dat, als een
den moed heeft om te beginnen, velen zullen volgen. Werkelijk het zal
géén onbegonnen werk zijn. De quaestie is maar: één moet voorgaan, en
het voorbeeld moet _goed, degelijk_ zijn. De een wacht op de ander;
niemand durft de eerste te zijn; de ouders wachten op elkaar: wie zal
den zedelijken moed hebben, om zijne dochter zelfstandig, onafhankelijk
te laten worden, op zichzelf te doen staan? Wij kennen een
regentsdochter, van onzen leeftijd, die ook een en al geestdrift is voor
het vrijheidsidee. Zij zou dolgraag verder willen leeren. Zij spreekt
keurig Hollandsch en heeft veel gelezen. 't Is de dochter van den Regent
van Koetoardjo[1]; er zijn twee groote meisjes, allerliefste kinderen,
wij mogen ze dolgraag. Ik weet van eene onderwijzeres, eene kennis van
ons, dat 't oudste meisje dolgraag studeeren wil.[2] Van haar zelf wist
ik, dat ze o zoo graag Europa zou willen zien. Het tweede meisje is ook
een lief, aardig kind. Een paar jaar geleden zijn ze hier bij ons
geweest; toen ze thuis kwamen, hebben ze direct schilderen geleerd, en
nu schildert de jongste keurig. De vader zegt, dat 't zoo'n groote steun
is voor den man, wanneer de vrouw wat geleerd heeft. Hij waardeert zeer
de beschaafde, ontwikkelde vrouw. Wij hebben eene andere, getrouwde
dochter van hem gesproken, die wel geen Hollandsch spreekt, maar toch op
de hoogte van alles is, en zeer veel voelt voor de vrije, onafhankelijke
Europeesche vrouw. Zij zou 't idealig vinden, als 't ook zoo in de
Inlandsche wereld was.
Er is eene andere regentsdochter hier geweest, een Soendaneesch meisje,
dat geen woord Javaansch spreekt, en met ons in 't Hollandsch
converseerde.
De eerste vraag, die ze mij deed was: "Hoeveel moeders hebt u?" Ik keek
haar met pijnlijke verbazing aan. (Zij was in huis bij Europeanen
opgevoed). En dan ging ze door (schrik niet): "Ik heb 53 moeders, weet
u, en ben met ons 83 (zegge drie en tachtigen). Ik ken de meeste mijner
broers en zusters niet; ik ben de jongste, en heb mijn vader nooit
gekend; die was gestorven vóór mijn geboorte". Is 't niet diep, diep
treurig?
In vele streken van de Preanger hebben de adellijke meisjes vrije keuze,
velen kennen haren aanstaanden echtgenoot. De jongelieden kennen elkaar
en verloven zich op Europeesche wijze. Gezegend land! en toch--en toch!
Daar is een meisje, eenig kleinkind van een regent, (de ouders zijn
dood), heeft eene _prachtige opvoeding_ genoten. Naar hetgeen haar
onderwezen werd te oordeelen, moet ze een wonder van geleerdheid zijn;
zij speelt keurig piano, enz. enz. Zij is verloofd op Europeesche wijze
en getrouwd--met iemand--die _vrouwen_ en een troep kinderen, waaronder
volwassenen zijn, heeft. Ik heb met eene schoondochter van haar kennis
gemaakt, een lief Hollandsch sprekend vrouwtje, moeder van een tweejarig
kind; zij was 17 jaar oud--een jaar of twee jonger dan hare schoonmama.
Zij heeft haar man zelf gekozen, vertelde ze mij, en is heel gelukkig.
* * * * *
Het idee om _alles_ wat ik _denk_ en _voel_ over dieptreurige dingen in
onze Mohammedaansche vrouwenwereld te publiceeren, bestond bij me reeds
lang. Ik dacht er over het in boekvorm op te stellen: eene
briefwisseling tusschen twee regentsdochters, eene Soendaneesche en eene
Javaansche. Reeds heb ik een paar brieven geschreven ter inleiding en
aanteekeningen gemaakt. Het idee zal ik _niet_ laten varen, al zal 't
misschien nog eenige jaren duren, voor ik het uitvoeren kan. Vooral zal
ik 't niet opgeven, nu ik weet, dat dat ook het idee is van Mijnheer. De
groote moeielijkheid is, dat Vader mij niet toestaat zulk een geschrift
te publiceeren. "Dat ik de Hollandsche taal machtig ben, is heel mooi,
zegt Vader, maar ik mag daarvan niet gebruik maken om mijne meening te
zeggen".
Wij meisjes mogen geen meening hebben, wij hebben alles maar goed te
vinden, en ja en amen te zeggen, op wat anderen goed dunkt.
Reeds een paar jaar geleden vroeg eene Hollandsche schrijfster van naam,
redactrice van een damesblad, waarmee ik correspondeer, en voor wie ik
heel veel sympathie gevoel, een brief van mij te mogen publiceeren,
waarin ik even die quaestie heb aangeroerd. Mogelijk kon publicatie
gedachtenwrijving uitlokken, en dit zou goed aan de zaak doen. Zij zou
mij onherkenbaar maken; naam, woonplaats, alles verzwijgen; alle
particuliere dingen er uit laten, en alleen die gedeelten plaatsen,
waarin ik 't over zekere zeden en gewoonten van mijn land heb. De brief
is naar Java teruggezonden, om aan Vader voorgelegd te worden. En 't
_mocht niet_--later ... Ik wist wat dit later beteekende, als ik
onschadelijk zal zijn, 't Raden Adjeng in Raden Ajoe veranderd is. De
dame kwam nog eenige keeren daarop terug, maar 't bleef bij een _neen_.
Onlangs had zij het weer er over. Mevrouw Ter Horst, redactrice en
oprichteres van 't Indische damesblad "de Echo", die persoonlijk veel
van het Inlandsche vrouwenleven kent en in medelijden heeft met de
adellijke meisjes in de Vorstenlanden, die als 't ware zoo maar worden
_uitgegeven, cadeau gedaan_ aan wie haar hebben willen, stelde me haar
blad ter beschikking. Ze stelde me voor, om daarin een causerie van twee
regentsdochters te openen. Geheimhouding voor zoover het noodig is, is
absoluut zeker. Ook schetsjes uit onze wereld zullen goed aan de zaak
kunnen doen. Ik gaf Vader den brief te lezen, verkreeg toestemming; maar
vóór ik iets heb kunnen doen, werd zij weer ingetrokken. Ik mocht
voorloopig mijne meening niet zeggen ... alweer was het: later....
De heer Boes van Probolinggo schreef Vader en vroeg mijne medewerking
voor zijn blad: "De Nederlandsche Taal", tijdschrift voor Inlanders.
Ik mocht, schreef den Heer Boes, kreeg een brief terug, er werden mij
eenige onderwerpen ter behandeling gegeven: "Inlandsch onderwijs voor
meisjes", "iets over Inlandsche kunst" en "een nuttige Inlandsche
instelling".
Toen zijn we naar Batavia gegaan. Er kwam zooveel tusschenbeide nog, ik
kon niet aan de pennerij doen, en daarna werd ik toch zoo wanhopig om
het wel mogen vandaag, en morgen weer niet, dat ik mijne paperassen
verscheurde. Echt dom van me.
Ik kan bij wijlen en tijden zoo'n driftkop zijn. Ik was wanhopig; ik
mocht alleen onzin schrijven; ernstige dingen mocht ik niet aanroeren.
Toen ben ik gaan denken, als ik over die dingen schreef, zou ik stellig
heel de Inlandsche wereld tegen mij hebben, en als ik dan onderwijzeres
werd, _wie zou mij_ zijne kinderen willen toevertrouwen? Ik zou gewoon
krankzinnig verklaard worden. En toch, dat denkbeeld is mij zoo lief, om
door middel van de pers onze zaak te dienen. Stel u voor een school
zonder kinderen, eene onderwijzeres zonder leerlingen!--maar zoo ver
zijn we nog niet. Wij moeten eerst zien, hoe wij zouden kunnen
studeeren. Wij zullen eerst trachten Vader over te halen ons verzoek aan
den Gouverneur-Generaal te steunen.
Wij zullen er maar niet al te zeer op vlassen, dat ons verzoek zal
worden toegestaan. En o God, als 't niet wordt toegestaan, wàt dan? Dan
rest ons nog maar één weg: accoucheuse worden. Wij zouden dan onze
ideeën van voorgaan en voorlichten moeten opgeven; alleen ons nuttig
maken voor eene beperkte menigte zouden we nog kunnen, maar dit vinden
we zooveel, veel beter; verkiezen we, boven een baantje als
boekhoudster, of apothekersbediende b.v. Ons leven zou in deze
betrekkingen zoo leeg, zoo dor zijn; wij zouden voor _ons_ alleen leven,
en wij willen leven voor de Gemeenschap, ons geheel daaraan geven.
Ik heb volledige inlichtingen over de Rijkskweekschool voor
verloskundigen te Amsterdam, waar men geheel kosteloos voor dat vak
wordt opgeleid. _Moeten_ wij dien weg opgaan, dan zullen wij de hulp
inroepen van Prof. Hector Treub. Het maakt wel degelijk verschil in de
oogen onzer landgenooten, als wij accoucheuse werden, waar wij onze
opleiding genoten hebben. Zij zullen het zoo min niet vinden, als wij in
Europa opgeleid worden.
De cursus duurt twee jaar. Hoe wij in dat geval naar Europa zouden
kunnen komen? Wij weten 't niet, maar er moet iets op gevonden worden.
Maar wij zullen hiertoe niet overgaan, voor we _alles_ beproefd hebben,
om tot dat andere te kunnen geraken.
* * * * *
Och, konden wij maar contact hebben met onze beschaafde,
vooruitstrevende jonge mannen, zooals Abdoel Rivai e.a.; hun sympathie
voor onze zaak winnen, wat zou dat veel goed doen! O! wanneer zal toch
de tijd aanbreken, waarop jongens en meisjes, mannen en vrouwen elkaar
als gelijke wezens zullen beschouwen, als kameraden? Zooals 't nu is in
onze Inlandsche maatschappij--bah! wat worden wij vrouwen toch
_vernederd_, telkens en telkens weer!
[1] Destijds Raden Adipati, thans Pangeran Poerbo Atmodjo.
[2] Dit was o.a. ook het geval met de dochters van den Regent van
Karanganjar, Raden Toemenggoeng Tirto Koesoemo, die enkele jaren geleden
eene Inlandsche meisjesschool hebben opgericht, welke subsidie van de
Regeering verwierf, en thans eene Gouvermentsschool is, tot heden _de
eenige_.
[Illustration]
[Illustration: Desa Tjipoetri bij Patjet. (Preanger-Regentschappen).]