31 December 1901. (VIII).

Wij willen niet langer op een wrak schip varen. Er moet iets gedaan

worden aan die diep treurige zaak. Wij zullen al heel, heel gelukkig

zijn, als maar de aandacht der weldenkenden daarop gevestigd is. Ik heb

meer dan eens met vrouwen van Inlandsche hoofden en vrouwen uit de

volksklasse over het idee van het onafhankelijke, zelfstandige,

geldverdienende meisje gesproken, en 't kwam telkens hierop neer: "Er

moet één zijn, die voorbeeld geeft." Wij zijn overtuigd, dat, als een

den moed heeft om te beginnen, velen zullen volgen. Werkelijk het zal

géén onbegonnen werk zijn. De quaestie is maar: één moet voorgaan, en

het voorbeeld moet _goed, degelijk_ zijn. De een wacht op de ander;

niemand durft de eerste te zijn; de ouders wachten op elkaar: wie zal

den zedelijken moed hebben, om zijne dochter zelfstandig, onafhankelijk

te laten worden, op zichzelf te doen staan? Wij kennen een

regentsdochter, van onzen leeftijd, die ook een en al geestdrift is voor

het vrijheidsidee. Zij zou dolgraag verder willen leeren. Zij spreekt

keurig Hollandsch en heeft veel gelezen. 't Is de dochter van den Regent

van Koetoardjo[1]; er zijn twee groote meisjes, allerliefste kinderen,

wij mogen ze dolgraag. Ik weet van eene onderwijzeres, eene kennis van

ons, dat 't oudste meisje dolgraag studeeren wil.[2] Van haar zelf wist

ik, dat ze o zoo graag Europa zou willen zien. Het tweede meisje is ook

een lief, aardig kind. Een paar jaar geleden zijn ze hier bij ons

geweest; toen ze thuis kwamen, hebben ze direct schilderen geleerd, en

nu schildert de jongste keurig. De vader zegt, dat 't zoo'n groote steun

is voor den man, wanneer de vrouw wat geleerd heeft. Hij waardeert zeer

de beschaafde, ontwikkelde vrouw. Wij hebben eene andere, getrouwde

dochter van hem gesproken, die wel geen Hollandsch spreekt, maar toch op

de hoogte van alles is, en zeer veel voelt voor de vrije, onafhankelijke

Europeesche vrouw. Zij zou 't idealig vinden, als 't ook zoo in de

Inlandsche wereld was.

Er is eene andere regentsdochter hier geweest, een Soendaneesch meisje,

dat geen woord Javaansch spreekt, en met ons in 't Hollandsch

converseerde.

De eerste vraag, die ze mij deed was: "Hoeveel moeders hebt u?" Ik keek

haar met pijnlijke verbazing aan. (Zij was in huis bij Europeanen

opgevoed). En dan ging ze door (schrik niet): "Ik heb 53 moeders, weet

u, en ben met ons 83 (zegge drie en tachtigen). Ik ken de meeste mijner

broers en zusters niet; ik ben de jongste, en heb mijn vader nooit

gekend; die was gestorven vóór mijn geboorte". Is 't niet diep, diep

treurig?

In vele streken van de Preanger hebben de adellijke meisjes vrije keuze,

velen kennen haren aanstaanden echtgenoot. De jongelieden kennen elkaar

en verloven zich op Europeesche wijze. Gezegend land! en toch--en toch!

Daar is een meisje, eenig kleinkind van een regent, (de ouders zijn

dood), heeft eene _prachtige opvoeding_ genoten. Naar hetgeen haar

onderwezen werd te oordeelen, moet ze een wonder van geleerdheid zijn;

zij speelt keurig piano, enz. enz. Zij is verloofd op Europeesche wijze

en getrouwd--met iemand--die _vrouwen_ en een troep kinderen, waaronder

volwassenen zijn, heeft. Ik heb met eene schoondochter van haar kennis

gemaakt, een lief Hollandsch sprekend vrouwtje, moeder van een tweejarig

kind; zij was 17 jaar oud--een jaar of twee jonger dan hare schoonmama.

Zij heeft haar man zelf gekozen, vertelde ze mij, en is heel gelukkig.

* * * * *

Het idee om _alles_ wat ik _denk_ en _voel_ over dieptreurige dingen in

onze Mohammedaansche vrouwenwereld te publiceeren, bestond bij me reeds

lang. Ik dacht er over het in boekvorm op te stellen: eene

briefwisseling tusschen twee regentsdochters, eene Soendaneesche en eene

Javaansche. Reeds heb ik een paar brieven geschreven ter inleiding en

aanteekeningen gemaakt. Het idee zal ik _niet_ laten varen, al zal 't

misschien nog eenige jaren duren, voor ik het uitvoeren kan. Vooral zal

ik 't niet opgeven, nu ik weet, dat dat ook het idee is van Mijnheer. De

groote moeielijkheid is, dat Vader mij niet toestaat zulk een geschrift

te publiceeren. "Dat ik de Hollandsche taal machtig ben, is heel mooi,

zegt Vader, maar ik mag daarvan niet gebruik maken om mijne meening te

zeggen".

Wij meisjes mogen geen meening hebben, wij hebben alles maar goed te

vinden, en ja en amen te zeggen, op wat anderen goed dunkt.

Reeds een paar jaar geleden vroeg eene Hollandsche schrijfster van naam,

redactrice van een damesblad, waarmee ik correspondeer, en voor wie ik

heel veel sympathie gevoel, een brief van mij te mogen publiceeren,

waarin ik even die quaestie heb aangeroerd. Mogelijk kon publicatie

gedachtenwrijving uitlokken, en dit zou goed aan de zaak doen. Zij zou

mij onherkenbaar maken; naam, woonplaats, alles verzwijgen; alle

particuliere dingen er uit laten, en alleen die gedeelten plaatsen,

waarin ik 't over zekere zeden en gewoonten van mijn land heb. De brief

is naar Java teruggezonden, om aan Vader voorgelegd te worden. En 't

_mocht niet_--later ... Ik wist wat dit later beteekende, als ik

onschadelijk zal zijn, 't Raden Adjeng in Raden Ajoe veranderd is. De

dame kwam nog eenige keeren daarop terug, maar 't bleef bij een _neen_.

Onlangs had zij het weer er over. Mevrouw Ter Horst, redactrice en

oprichteres van 't Indische damesblad "de Echo", die persoonlijk veel

van het Inlandsche vrouwenleven kent en in medelijden heeft met de

adellijke meisjes in de Vorstenlanden, die als 't ware zoo maar worden

_uitgegeven, cadeau gedaan_ aan wie haar hebben willen, stelde me haar

blad ter beschikking. Ze stelde me voor, om daarin een causerie van twee

regentsdochters te openen. Geheimhouding voor zoover het noodig is, is

absoluut zeker. Ook schetsjes uit onze wereld zullen goed aan de zaak

kunnen doen. Ik gaf Vader den brief te lezen, verkreeg toestemming; maar

vóór ik iets heb kunnen doen, werd zij weer ingetrokken. Ik mocht

voorloopig mijne meening niet zeggen ... alweer was het: later....

De heer Boes van Probolinggo schreef Vader en vroeg mijne medewerking

voor zijn blad: "De Nederlandsche Taal", tijdschrift voor Inlanders.

Ik mocht, schreef den Heer Boes, kreeg een brief terug, er werden mij

eenige onderwerpen ter behandeling gegeven: "Inlandsch onderwijs voor

meisjes", "iets over Inlandsche kunst" en "een nuttige Inlandsche

instelling".

Toen zijn we naar Batavia gegaan. Er kwam zooveel tusschenbeide nog, ik

kon niet aan de pennerij doen, en daarna werd ik toch zoo wanhopig om

het wel mogen vandaag, en morgen weer niet, dat ik mijne paperassen

verscheurde. Echt dom van me.

Ik kan bij wijlen en tijden zoo'n driftkop zijn. Ik was wanhopig; ik

mocht alleen onzin schrijven; ernstige dingen mocht ik niet aanroeren.

Toen ben ik gaan denken, als ik over die dingen schreef, zou ik stellig

heel de Inlandsche wereld tegen mij hebben, en als ik dan onderwijzeres

werd, _wie zou mij_ zijne kinderen willen toevertrouwen? Ik zou gewoon

krankzinnig verklaard worden. En toch, dat denkbeeld is mij zoo lief, om

door middel van de pers onze zaak te dienen. Stel u voor een school

zonder kinderen, eene onderwijzeres zonder leerlingen!--maar zoo ver

zijn we nog niet. Wij moeten eerst zien, hoe wij zouden kunnen

studeeren. Wij zullen eerst trachten Vader over te halen ons verzoek aan

den Gouverneur-Generaal te steunen.

Wij zullen er maar niet al te zeer op vlassen, dat ons verzoek zal

worden toegestaan. En o God, als 't niet wordt toegestaan, wàt dan? Dan

rest ons nog maar één weg: accoucheuse worden. Wij zouden dan onze

ideeën van voorgaan en voorlichten moeten opgeven; alleen ons nuttig

maken voor eene beperkte menigte zouden we nog kunnen, maar dit vinden

we zooveel, veel beter; verkiezen we, boven een baantje als

boekhoudster, of apothekersbediende b.v. Ons leven zou in deze

betrekkingen zoo leeg, zoo dor zijn; wij zouden voor _ons_ alleen leven,

en wij willen leven voor de Gemeenschap, ons geheel daaraan geven.

Ik heb volledige inlichtingen over de Rijkskweekschool voor

verloskundigen te Amsterdam, waar men geheel kosteloos voor dat vak

wordt opgeleid. _Moeten_ wij dien weg opgaan, dan zullen wij de hulp

inroepen van Prof. Hector Treub. Het maakt wel degelijk verschil in de

oogen onzer landgenooten, als wij accoucheuse werden, waar wij onze

opleiding genoten hebben. Zij zullen het zoo min niet vinden, als wij in

Europa opgeleid worden.

De cursus duurt twee jaar. Hoe wij in dat geval naar Europa zouden

kunnen komen? Wij weten 't niet, maar er moet iets op gevonden worden.

Maar wij zullen hiertoe niet overgaan, voor we _alles_ beproefd hebben,

om tot dat andere te kunnen geraken.

* * * * *

Och, konden wij maar contact hebben met onze beschaafde,

vooruitstrevende jonge mannen, zooals Abdoel Rivai e.a.; hun sympathie

voor onze zaak winnen, wat zou dat veel goed doen! O! wanneer zal toch

de tijd aanbreken, waarop jongens en meisjes, mannen en vrouwen elkaar

als gelijke wezens zullen beschouwen, als kameraden? Zooals 't nu is in

onze Inlandsche maatschappij--bah! wat worden wij vrouwen toch

_vernederd_, telkens en telkens weer!

[1] Destijds Raden Adipati, thans Pangeran Poerbo Atmodjo.

[2] Dit was o.a. ook het geval met de dochters van den Regent van

Karanganjar, Raden Toemenggoeng Tirto Koesoemo, die enkele jaren geleden

eene Inlandsche meisjesschool hebben opgericht, welke subsidie van de

Regeering verwierf, en thans eene Gouvermentsschool is, tot heden _de

eenige_.

[Illustration]

[Illustration: Desa Tjipoetri bij Patjet. (Preanger-Regentschappen).]

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 51 / 136 题