Wij wisten dat 't u beiden innig leed zou doen, hetgeen mijn brief u
berichtte. Het zal u zeker genoegen doen te vernemen, dat, ofschoon de
stand der zaak nog dezelfde is, we nu _kalm_ zijn. 't Is nu niet meer
nacht in ons gemoed, een groote rust en kalmte is daarin gedaald. Door
duisternis en nevelen heen zien wij de heerlijke lichtende gedaante, die
ons wenkt met vriendelijke hand: ons Ideaal!
Neen, wij _weten_ 't nu, wij kunnen er niet meer afstand van doen, 't is
één geworden met ons bestaan. Een afscheiding daarvan zal onze ondergang
zijn. 't Is niet vandaag, niet gisteren, dat wij _gedacht, gevoeld,
geleden, geleefd_ hebben voor onze zaak! Men moet ons een nieuw hart,
nieuwe hersenen en nieuw bloed in de aderen geven, om ons _anders_ te
doen denken en voelen. Wie eenmaal zijn _ziel_, 't goddelijke in den
mensch, heeft _gekend_, haar kreet om _Licht_ heeft vernomen en
_verstaan_, zal haar nooit weer kunnen vergeten.
Wat u mij schrijft, heb ik alles _gedacht, gevoeld, doorleefd_. Lang,
lang geleden, heel in den beginne van ons toetreden tot elkaar reeds,
heb ik den zusjes meermalen gezegd, gesmeekt, gebeden, zich van mij los
te maken, zich niets, niets aan mij gelegen te laten.
Wat ben ik, wie ben ik, hoogmoedige dwaas, dat ik kalm aanzie, rustig
toelaat, dat de zusjes met mij medegaan? Ik ging vreemde, onbekende
wegen op, die leiden moesten naar den hemel, maar me brengen in de hel.
En deze laatste nog eerder dan de eerste; de hel is vlak bij en licht te
bereiken, en de hemel zoo ver en moeielijk te naderen.
?Ja, zeiden de zusjes, noch jij noch iemand anders kan ons denkbeelden
ingeven, met vrucht in ons hoofd en hart zaaien, zoo niet wijzelf
daartoe reeds aanleg hadden. Wij gaan samen den hemel in of de hel".
Mijn mooie trouwe zieltjes, _niet_ zij hebben van mij geleerd, maar ik
was en ben nog steeds _hare leerling_. O! zooveel hebben ze mij geleerd!
Hoe kon 't anders, dan dat wij één in denken en gevoelen zijn geworden?
Alles, innerlijk en uiterlijk heeft meêgewerkt, dat wij _één_ werden.
Heel ons leven lang zijn we samen geweest. Cijfer daarvan het grootste
gedeelte weg, de jaren dat wij alleen voor 't _uiterlijke_ naast elkaar
leefden, en houd er slechts de _zes_ laatste jaren van over, en ga die
na. Zielen, die één oogenblik maar in groote sympathie samen zijn
geweest, kunnen elkaar nooit weer vergeten; hoe dan de onze, die _zes_
jaar in volkomen harmonie naast en met elkaar hebben geleefd. Die jaren
tellen tienvoudig.
Wij zien hetzelfde, hooren hetzelfde dag aan dag en bespreken alles met
elkaar. In alles vinden wij elkaar; neigingen en smaak stemmen overeen.
Wij lezen dezelfde bladen, tijdschriften, boeken, houden met elkaar over
het gelezene uitwisseling en wrijving van gedachten. De oudjes zien onze
_eensgezindheid_ gaarne, en moedigen die _zeer_ aan, minder door woorden
dan wel door daden. En hunne ingenomenheid met de drie-eenheid ging zóó
ver, dat zij zelfs soms onbillijk waren tegen degenen, die er buiten
stonden, 't driebond bevoorrechten boven de anderen.
* * * * *
't Is juist 't ongelukkige, dat bij ons het trouwen _geheel buiten_ 't
meisje om kan geschieden. Om een huwelijk aan te gaan, heeft men slechts
de toestemming van den vader, oom of broeder van de vrouw noodig. Bij de
huwelijkssluiting is de tegenwoordigheid van het meisje in 't geheel
niet noodig. Alleen als zij vader, oom, noch broeder heeft, is hare
tegenwoordigheid bij de huwelijkssluiting vereischt. Onze beschermers
kunnen ons uithuwelijken aan wien zij willen. Alleen in één geval mogen
onze ouders ons niet dwingen te trouwen, n.l. wanneer de
huwelijkscandidaat van een minderen stand is dan wij. Ouders mogen hunne
dochters niet dwingen met iemand beneden haar stand te trouwen. Dat is
ons eenige wapen tegen den willekeur onzer beschermers.
Om te trouwen heeft de man slechts met den vader, oom of broeder van 't
meisje naar den panghoeloe[1] of iemand anders te gaan, en het huwelijk
wordt gesloten, ook al wil het meisje daar niets van weten. Getrouwd
wordt ze, als hare ouders het willen.
Mama kende eene vrouw, die weigerde te trouwen. Ze stierf liever dan met
den persoon te huwen, dien hare ouders voor haar bestemden. De hemel was
genadig, drie maanden vóór haar huwelijk nam de cholera haar weg; was ze
in leven gebleven, men zou zich niet aan hare weigering gestoord hebben
en haar hebben uitgehuwelijkt ondanks haar protest.
Er is niets nieuws onder de zon; ook vroeger waren er weerspannige
dochters. Men heeft ons steeds voorgepredikt, dat wij _blindelings_ onze
ouders moeten _gehoorzamen_. En datzelfde zei men van eene jonge vrouw,
die zich onderwierp aan dat gebod, den man volgde aan wien ze was
uitgetrouwd en zich ongelukkig voelde met hem: "Onzin (tinka's[2]),
waarom _wilde_ ze dan trouwen? Als je getrouwd bent, dan heb je 't ook
_gewild_. Als je een man volgt, dan heb je 't ook gewild; en als je
gewild hebt, mag je niet klagen".
Toen ik den brief en de twee artikels van Mijnheer ontving, stonden we
op 't punt om naar een bruiloft te gaan. Usance is 't niet, dat jonge
meisjes naar een bruiloft gaan en mede in een bruiloftsgezelschap
aanzitten, maar Mama gaf er royaal hare toestemming toe. Als de
bruidsmoeder, eene oude kennis van ons, er niet zoo op aangedrongen had,
dat wij 't groote feest der bruid met onze tegenwoordigheid zouden
"vereeren", dan waren wij o, zoo graag weggebleven. Voor wij vertrokken,
zagen wij van ons huis uit de stoet van den bruidegom moskeewaarts gaan.
't Regende, dat het goot; 't rijtuig, waarin de bruidegom zat, was
gesloten, eveneens de andere rijtuigen, die het volgden. Goudgestreepte
pajoengs staken de aloen-aloen[3] over.
't Was een sombere stoet; wij werden er door ontroerd, 't Deed ons
denken aan een begrafenisstoet. Ten huize der bruid gekomen, vonden wij
haar kant en klaar voor de "kwade" (troonhemel) gezeten, wachtende op
den bruidegom, die nog in de moskee was. Vader kwam ook mee en zag er
zeer bleek uit! Arme, arme Vader!
Wij zaten op den grond dichtbij de deur, 't oudje tusschen beide zusjes
in. Wierook en bloemengeur vulden 't vertrek, waar de bruid en wij
zaten. Gamelantonen en een zacht gegons van stemmen drongen van buiten
tot ons door. Van de bruid gingen mijne oogen naar mijn buurmeisje, en
van haar naar Vader, die buiten zat. De gamelan sloeg een welkomstlied
aan; de bruidegom was aangekomen.
Twee vrouwen vatten de bruid bij den arm, hieven haar op, en leidden
haar den man tegemoet, die ook aan de hand geleid door twee personen
haar naderde. Op eenige passen afstands van elkaar gekomen, wierpen
bruid en bruidegom elkaar een opgerold sirihblad toe; nog eenige passen
elkaar tegemoet getreden, en beiden zonken neer, zaten tegenover elkaar
op den grond. Op hare knieën schoof de bruid zich naar hem toe en beleed
voor de menigte hare onderdanigheid aan den man. Vlak vóór hem gekomen
maakte zij eene eerbiedige sembah, en kuste daarop ootmoedig hem den
voet. Weder een deemoedige sembah, en beiden rezen op om hand aan hand
naar te kwade te gaan en er voor plaats te nemen.[4]
"Joe, Joe, fluisterde Kleintje vroolijk me toe, met stralende oogen en
een guitigen trek om den frisschen mond: "hè, wat zou ik dol, dolgraag
een bruidspaar willen zien, dat lachend elkaar tegemoet komt en met
tintelende oogen elkaar sirih toewerpt. Dat moet natuurlijk één zijn van
de jonge generatie, een bruidspaar, dat elkaar _kent_. Wat zou dat leuk
zijn, hè Joe? Zal 't gebeuren eens? ik zou 't zoo gaarne, dol, dolgaarne
willen zien."
"De tijd zal komen," zeide ik werktuigelijk en glimlachte, maar o,
hierbinnen, 't was of mijn hart met dolksteken werd doorpriemd.
En aan mijne andere zijde zat met stralend gelaat en tintelende oogen
ons zusje!
Van de tengere, broze figuur aan mijn zijde, dwaalde mijn blik naar
buiten en vestigde zich op de groote, forsche figuur, die omringd zat
van Inlandsche Hoofden. Juist keek hij, voor wie de menigte in
deemoedige houding was gezeten, onzen kant uit, en ik zag een gelaat zoo
bleek en bedrukt. Weer een vlijmende pijn hierbinnen. O! waarom? waarom?
kreet in wilde vertwijfeling het wanhopige hart.
Den volgenden dag greep ik zonder te zien een boek, ik wilde lezen om
mijn geest te verstrooien. Ik sloeg het open en wat las ik? "Gebed van
den onwetende" van Multatuli. Een dag of wat geleden stak ik weer op
goed geluk af de hand uit naar een boek. Weer was 't Multatuli, dat ik
opensloeg, en 't eerst wat ik las, was "Thugater". Nog steeds blijven
mij de woorden in de ooren hangen: "Vader, zeg haar: dat _weten,
begrijpen_ en _begeeren zondig_ is voor een _meisje_".
Weinig had zeker de groote, geniale schrijver vermoed, toen hij die
woorden neerschreef, dat ze eens _diep, diep_ gevoeld zouden worden door
de dochters van het volk, dat hij zoo lief had en voor wiens belangen
hij zooveel, ja àlles ten offer had gebracht.
Wij ook weten, evenals Barthold Meryan, wat ons _wacht_, als wij blijven
neerknielen voor het altaar onzer innigste zielsbehoeften, een altaar
dat slechts _verrijzen kan_ op de _puinhoopen_ van _alles_, wat ons tot
dusverre het _heiligste_ en _dierbaarste_ is geweest.
Daar was een vrouw uit 't volk n°. 2 geworden van een Inlandsch
ambtenaar. De eerste vrouw, die niet wel bij 't hoofd was, ging na een
poos van hem af, hem een troep kinderen nalatende. N°. 2 werd officieele
vrouw, en was eene zorgzame, liefhebbende moeder voor hare
stiefkinderen. Zij was zeer ijverig, werkte hard om de inkomsten van
haar man te vermeerderen, ten einde zijne kinderen een goede opvoeding
te kunnen geven. En dat de zoons allen terecht kwamen, was grootendeels
aan haar te danken. En nu komt de _dank_. Op een keer, dat hij naar de
stad was gegaan en laat in den avond thuis kwam, riep hij zijne vrouw om
buiten te komen. Er was een gast meegekomen, waar zij voor zorgen moest,
een kamer klaar maken enz. Zij kwam buiten; de gast was eene jonge
vrouw. En toen ... en toen vertelde haar man haar, dat die gast was
zijne vrouw ... en zij, zijne oude, moest voortaan alles met haar
deelen.
Ontzet, verstomd stond zij hem aan te kijken, zij begreep hem niet; maar
toen de vreeselijke waarheid tot haar doordrong, zakte ze zonder eenig
geluid in elkaar. Toen zij weder bijkwam, vroeg ze op staanden voet
echtscheiding aan. Eerst wilde hij er niets van weten, maar zij drong en
dwong, tot hij ten laatste zwichtte en haar het gevraagde briefje gaf.
Nog dien nacht ging ze 't huis uit, te voet door woud en bosch naar hare
oudes in de stad. Hoe ze er kwam, wist ze niet; toen zij weer denken
kon, was ze bij hare familie, die haar vertelde, dat zij langen tijd
ziek gelegen had.
Later, toen ze weer bijkwam, keek ze den brief eens in, dien ze haar man
in dien vreeselijken nacht had afgetroggeld; en 't bleek, dat ze nog
niet van hem was gescheiden, dat 't briefje bevatte haar signalement,
en de mededeeling, dat zij van hem weggeloopen was.
Hij had heel geen plan om haar heur vrijheid terug te geven. Later
verzoende zij zich met hem. De andere ging het huis uit, en in een ander
wonen, en zij behield haar oud rijk. In dien vreeselijken nacht zwoer
zij een duren eed, ze slikte zand in, _nooit, nooit_ zou zij de hand
leenen om 't recht van een ander te verkrachten. Zij had 't gedaan als
kind; hare ouders hadden haar op 14-jarigen leeftijd aan den man
uitgehuwelijkt. Ze wist niet, wat ze deed, ze gehoorzaamde slechts haren
ouders, en--zij was er gestraft voor geworden. Zij wist nu wat een
hellepijn het is, als men door eene andere verdrongen wordt van de zijde
van een echtgenoot. Zij is haar eed trouw gebleven. Niet lang geleden
huwde haar man een nichtje uit aan iemand, die reeds eene vrouw had. Zij
weigerde pertinent eene hand uit te steken om wat voor de bruiloft te
doen en trotseerde den toorn van haar man. In haar huis is de bruiloft
_niet_ gehouden geweest.
Wij kennen haar heel goed, en hebben veel achting voor haar. Wat ze is,
dankt ze zichzelve; zij heeft zichzelve opgewerkt. Niets had ze van huis
uit geleerd; ze heeft lezen geleerd en verscheidene boeken heeft ze met
_vrucht_ doorgewerkt. Wij stonden dikwijls verstomd over hare gezegden,
die getuigden van veel en diep nadenken en gezond verstand. Zij is
waarlijk eene bijzondere vrouw (er zullen er _meer_ zijn), die niets
heeft geleerd en gezien, maar denkt en voelt als wij, maar zij heeft
ontzettend geleden. Haar lijdensgeschiedenis is niet eenig; zooals zij
hebben velen vóór haar geleden. Maar waar zou ik eindigen, als ik u van
Inlandsch vrouwenleed verhaalde? Wie niet ziende blind en hoorende doof
is, weet hoè er geleden wordt in onze wereld. Ruk ons 't hart uit 't
lijf en de hersens uit 't hoofd, als men ons veranderen wil.
Lang voor u mij die woorden van Zangwill uit "Droomen van het Ghetto"
zond, sprak Kleintje ongeveer dezelfde gedachte uit, ofschoon in andere
bewoordingen natuurlijk. Wij aten taart of zoo iets, klein zusje kwam
aanloopen en wilde er ook van hebben, er was geen schoon bord bij de
hand en zusje Kartinah zeide: "Eet maar van 't bord van Joe-Joe, dan
wordt je ook knap als zij", waarop Kleintje heftig uitviel: "Neen, niet
doen, blijf maar dom. Knap zijn is niet voor iedereen een geluk.
Ongelukkig is 't om te kunnen denken en niet te mogen; om te kunnen
voelen, te kunnen, te willen, en 't niet te mogen. Blijf maar dom". Er
lag een wanhoopskreet in die woorden.
* * * * *
Op een keer dat ik overweldigd van moreele pijn roerloos tegen den muur
leunde, met wijdopen oogen, die niets zagen, starende in de lucht, trof
een smartkreet mijn oor, die mij tot de werkelijkheid terugbracht. Over
mij boog Vader zich, zijne armen hielden me omvat, en beurden me op,
zijn gelaat was van mij afgewend. Dat was de smartkreet eener gewonde
ziel, die trilde in den uitroep: "ach neen, zoo niet, zoo niet! Ni!
Vader zal er met anderen over spreken, heb geduld!"
"Monster, spook, gilde het daarbinnen, dat je hem zoo lijden laat,
wreedaard!"
Met zijn arm om me heen geslagen, bracht Vader me naar de achtergalerij
bij de anderen.
Welk eene gewaarwording voer me weer door de ziel.
O! Vader, waarom de stem van 't eigen hart niet gehoord, gevolgd? waarom
geluisterd naar de stemmen van buiten? Waarom anderen, die _niets_ voor
ons _gevoelen_ en ons onverschillig zijn, in die zaak gehaald, waarin
_uw eigen geweten_ beslissen moest, en belanghebbenden _alleen uw stem_
vroegen, behoefden?
O! een daad maar, één daad van moed, en de gapende afgrond, die ons
dreigt te verslinden, zoude gedempt zijn!
Vader _vindt_ onze _ideeën mooi, erkent_ ons _verlangen_ naar _kennis_
en _rechtvaardigheid_. Dat was geen _scherts_, toen Vader ons verleden
jaar toestond om een zelfstandig bestaan te veroveren.
't Brengt ons zóó in opstand te bedenken, waarom wij onderdrukt worden.
Waarom moeten wij terug? waarom moeten wij geknot, gekortwiekt worden?
Om _kleingeestige, kleinzielige menschenpraatjes_.
Wij moeten dáárom afstand doen van onze idealen, om een kleinzielige,
kleingeestige menigte tevreden te stellen.
Als 't _noodzakelijk_ was, _onvermijdelijk noodzakelijk_, dat we afstand
deden van onze illusies, ja, dan moest het; maar zóó is 't niet, alles
draait om het spil; _publieke opinie_! Alles wordt bedorven daarom!
Alles wordt daaraan opgeofferd.
De menschen zullen dit, zullen dat zeggen, als wij gingen doen, wat wij
zoo zielsgraag willen. En _wie_ zijn dan _die menschen_? Bah! En om die
menschen moeten onze neigingen onderdrukt, verstikt worden, en wij naar
't donker terug?
Dit te bedenken maakt ons _helsch_.
De sympathie der denkende wereld is veel, ja zeker. Of wij niet weten
hoe zij genieten als beschaafden en ontwikkelden ons aanhalen; maar 't
domme lachen der niet begrijpende menigte is _meer_, is _meer_ zelfs dan
de stem van 't geweten. Kunnen wij er in berusten?
Er is zooveel gesproken, geschreven over de vooruitstrevendheid van ons
huis, over 't vooruitstrevende geslacht der Tjondronegoro's. Lang reeds
is Grootvader gestorven, maar zijn naam leeft voort, wordt met eerbied
en sympathie genoemd door wie van hem weet of hoort. Grootvader was de
eerste, die zijn zoons, ook zijn dochters, eene Europeesche opvoeding
gaf. Grootvader was baanbreker, was waarlijk een hoogstaande man.
Wij hebben het _recht niet om dom_ te zijn.
Vader heeft veel sympathie in de Europeesche zoowel als in onze eigen
wereld, en waarom?
Vader heeft geen enkel regent tot schoonzoon, maar Vader heeft zijn
kinderen, zoons en dochters, tot _denkende wezens_ gevormd. Dat is een
_verdienste_, dè verdienste, die Vader _veler achting_ en _sympathie_
heeft doen verwerven. En de achting en sympathie der _weldenkenden_
zullen niet _verminderen_, maar zullen _toenemen_, als Vader _zijn werk_
kroonde met ons toe te staan onze innigste zielsbehoeften, die Vader
zelf opriep, te bevredigen. Maar de spotlach der niet begrijpende
menigte is meer--o!
Onze opvoeding was komedie--_schitteren_ was het _doel_. Wij moesten en
zouden schitteren, met echte of valsche steenen, om 't even. En wij
mogen het niet kwalijk nemen; ook in de maatschappij, door wier licht
wij onze zielen kennen, staat de _schijn_ in hoog aanzien. Arme dwazen,
die Waarheid liefhebben boven den almachtigen koning _Schijn_. Ook wij
zullen komedie spelen, dat verplicht ons onze trots, die niet gedoogt,
dat de wereld onze zielewonden ziet.
[1] Panghoeloe = bedienaar van den godsdienst.
[2] Tinka's = kuren.
[3] Aloen-aloen is een uitgestrekt grasveld met enkele groote boomen
vóór de woning van regenten.
[4] In een lateren brief van 21 Maart 1902 vindt men eene meer
uitvoerige beschrijving.