29 November 1901. (VIII.)

Wij wisten dat 't u beiden innig leed zou doen, hetgeen mijn brief u

berichtte. Het zal u zeker genoegen doen te vernemen, dat, ofschoon de

stand der zaak nog dezelfde is, we nu _kalm_ zijn. 't Is nu niet meer

nacht in ons gemoed, een groote rust en kalmte is daarin gedaald. Door

duisternis en nevelen heen zien wij de heerlijke lichtende gedaante, die

ons wenkt met vriendelijke hand: ons Ideaal!

Neen, wij _weten_ 't nu, wij kunnen er niet meer afstand van doen, 't is

één geworden met ons bestaan. Een afscheiding daarvan zal onze ondergang

zijn. 't Is niet vandaag, niet gisteren, dat wij _gedacht, gevoeld,

geleden, geleefd_ hebben voor onze zaak! Men moet ons een nieuw hart,

nieuwe hersenen en nieuw bloed in de aderen geven, om ons _anders_ te

doen denken en voelen. Wie eenmaal zijn _ziel_, 't goddelijke in den

mensch, heeft _gekend_, haar kreet om _Licht_ heeft vernomen en

_verstaan_, zal haar nooit weer kunnen vergeten.

Wat u mij schrijft, heb ik alles _gedacht, gevoeld, doorleefd_. Lang,

lang geleden, heel in den beginne van ons toetreden tot elkaar reeds,

heb ik den zusjes meermalen gezegd, gesmeekt, gebeden, zich van mij los

te maken, zich niets, niets aan mij gelegen te laten.

Wat ben ik, wie ben ik, hoogmoedige dwaas, dat ik kalm aanzie, rustig

toelaat, dat de zusjes met mij medegaan? Ik ging vreemde, onbekende

wegen op, die leiden moesten naar den hemel, maar me brengen in de hel.

En deze laatste nog eerder dan de eerste; de hel is vlak bij en licht te

bereiken, en de hemel zoo ver en moeielijk te naderen.

?Ja, zeiden de zusjes, noch jij noch iemand anders kan ons denkbeelden

ingeven, met vrucht in ons hoofd en hart zaaien, zoo niet wijzelf

daartoe reeds aanleg hadden. Wij gaan samen den hemel in of de hel".

Mijn mooie trouwe zieltjes, _niet_ zij hebben van mij geleerd, maar ik

was en ben nog steeds _hare leerling_. O! zooveel hebben ze mij geleerd!

Hoe kon 't anders, dan dat wij één in denken en gevoelen zijn geworden?

Alles, innerlijk en uiterlijk heeft meêgewerkt, dat wij _één_ werden.

Heel ons leven lang zijn we samen geweest. Cijfer daarvan het grootste

gedeelte weg, de jaren dat wij alleen voor 't _uiterlijke_ naast elkaar

leefden, en houd er slechts de _zes_ laatste jaren van over, en ga die

na. Zielen, die één oogenblik maar in groote sympathie samen zijn

geweest, kunnen elkaar nooit weer vergeten; hoe dan de onze, die _zes_

jaar in volkomen harmonie naast en met elkaar hebben geleefd. Die jaren

tellen tienvoudig.

Wij zien hetzelfde, hooren hetzelfde dag aan dag en bespreken alles met

elkaar. In alles vinden wij elkaar; neigingen en smaak stemmen overeen.

Wij lezen dezelfde bladen, tijdschriften, boeken, houden met elkaar over

het gelezene uitwisseling en wrijving van gedachten. De oudjes zien onze

_eensgezindheid_ gaarne, en moedigen die _zeer_ aan, minder door woorden

dan wel door daden. En hunne ingenomenheid met de drie-eenheid ging zóó

ver, dat zij zelfs soms onbillijk waren tegen degenen, die er buiten

stonden, 't driebond bevoorrechten boven de anderen.

* * * * *

't Is juist 't ongelukkige, dat bij ons het trouwen _geheel buiten_ 't

meisje om kan geschieden. Om een huwelijk aan te gaan, heeft men slechts

de toestemming van den vader, oom of broeder van de vrouw noodig. Bij de

huwelijkssluiting is de tegenwoordigheid van het meisje in 't geheel

niet noodig. Alleen als zij vader, oom, noch broeder heeft, is hare

tegenwoordigheid bij de huwelijkssluiting vereischt. Onze beschermers

kunnen ons uithuwelijken aan wien zij willen. Alleen in één geval mogen

onze ouders ons niet dwingen te trouwen, n.l. wanneer de

huwelijkscandidaat van een minderen stand is dan wij. Ouders mogen hunne

dochters niet dwingen met iemand beneden haar stand te trouwen. Dat is

ons eenige wapen tegen den willekeur onzer beschermers.

Om te trouwen heeft de man slechts met den vader, oom of broeder van 't

meisje naar den panghoeloe[1] of iemand anders te gaan, en het huwelijk

wordt gesloten, ook al wil het meisje daar niets van weten. Getrouwd

wordt ze, als hare ouders het willen.

Mama kende eene vrouw, die weigerde te trouwen. Ze stierf liever dan met

den persoon te huwen, dien hare ouders voor haar bestemden. De hemel was

genadig, drie maanden vóór haar huwelijk nam de cholera haar weg; was ze

in leven gebleven, men zou zich niet aan hare weigering gestoord hebben

en haar hebben uitgehuwelijkt ondanks haar protest.

Er is niets nieuws onder de zon; ook vroeger waren er weerspannige

dochters. Men heeft ons steeds voorgepredikt, dat wij _blindelings_ onze

ouders moeten _gehoorzamen_. En datzelfde zei men van eene jonge vrouw,

die zich onderwierp aan dat gebod, den man volgde aan wien ze was

uitgetrouwd en zich ongelukkig voelde met hem: "Onzin (tinka's[2]),

waarom _wilde_ ze dan trouwen? Als je getrouwd bent, dan heb je 't ook

_gewild_. Als je een man volgt, dan heb je 't ook gewild; en als je

gewild hebt, mag je niet klagen".

Toen ik den brief en de twee artikels van Mijnheer ontving, stonden we

op 't punt om naar een bruiloft te gaan. Usance is 't niet, dat jonge

meisjes naar een bruiloft gaan en mede in een bruiloftsgezelschap

aanzitten, maar Mama gaf er royaal hare toestemming toe. Als de

bruidsmoeder, eene oude kennis van ons, er niet zoo op aangedrongen had,

dat wij 't groote feest der bruid met onze tegenwoordigheid zouden

"vereeren", dan waren wij o, zoo graag weggebleven. Voor wij vertrokken,

zagen wij van ons huis uit de stoet van den bruidegom moskeewaarts gaan.

't Regende, dat het goot; 't rijtuig, waarin de bruidegom zat, was

gesloten, eveneens de andere rijtuigen, die het volgden. Goudgestreepte

pajoengs staken de aloen-aloen[3] over.

't Was een sombere stoet; wij werden er door ontroerd, 't Deed ons

denken aan een begrafenisstoet. Ten huize der bruid gekomen, vonden wij

haar kant en klaar voor de "kwade" (troonhemel) gezeten, wachtende op

den bruidegom, die nog in de moskee was. Vader kwam ook mee en zag er

zeer bleek uit! Arme, arme Vader!

Wij zaten op den grond dichtbij de deur, 't oudje tusschen beide zusjes

in. Wierook en bloemengeur vulden 't vertrek, waar de bruid en wij

zaten. Gamelantonen en een zacht gegons van stemmen drongen van buiten

tot ons door. Van de bruid gingen mijne oogen naar mijn buurmeisje, en

van haar naar Vader, die buiten zat. De gamelan sloeg een welkomstlied

aan; de bruidegom was aangekomen.

Twee vrouwen vatten de bruid bij den arm, hieven haar op, en leidden

haar den man tegemoet, die ook aan de hand geleid door twee personen

haar naderde. Op eenige passen afstands van elkaar gekomen, wierpen

bruid en bruidegom elkaar een opgerold sirihblad toe; nog eenige passen

elkaar tegemoet getreden, en beiden zonken neer, zaten tegenover elkaar

op den grond. Op hare knieën schoof de bruid zich naar hem toe en beleed

voor de menigte hare onderdanigheid aan den man. Vlak vóór hem gekomen

maakte zij eene eerbiedige sembah, en kuste daarop ootmoedig hem den

voet. Weder een deemoedige sembah, en beiden rezen op om hand aan hand

naar te kwade te gaan en er voor plaats te nemen.[4]

"Joe, Joe, fluisterde Kleintje vroolijk me toe, met stralende oogen en

een guitigen trek om den frisschen mond: "hè, wat zou ik dol, dolgraag

een bruidspaar willen zien, dat lachend elkaar tegemoet komt en met

tintelende oogen elkaar sirih toewerpt. Dat moet natuurlijk één zijn van

de jonge generatie, een bruidspaar, dat elkaar _kent_. Wat zou dat leuk

zijn, hè Joe? Zal 't gebeuren eens? ik zou 't zoo gaarne, dol, dolgaarne

willen zien."

"De tijd zal komen," zeide ik werktuigelijk en glimlachte, maar o,

hierbinnen, 't was of mijn hart met dolksteken werd doorpriemd.

En aan mijne andere zijde zat met stralend gelaat en tintelende oogen

ons zusje!

Van de tengere, broze figuur aan mijn zijde, dwaalde mijn blik naar

buiten en vestigde zich op de groote, forsche figuur, die omringd zat

van Inlandsche Hoofden. Juist keek hij, voor wie de menigte in

deemoedige houding was gezeten, onzen kant uit, en ik zag een gelaat zoo

bleek en bedrukt. Weer een vlijmende pijn hierbinnen. O! waarom? waarom?

kreet in wilde vertwijfeling het wanhopige hart.

Den volgenden dag greep ik zonder te zien een boek, ik wilde lezen om

mijn geest te verstrooien. Ik sloeg het open en wat las ik? "Gebed van

den onwetende" van Multatuli. Een dag of wat geleden stak ik weer op

goed geluk af de hand uit naar een boek. Weer was 't Multatuli, dat ik

opensloeg, en 't eerst wat ik las, was "Thugater". Nog steeds blijven

mij de woorden in de ooren hangen: "Vader, zeg haar: dat _weten,

begrijpen_ en _begeeren zondig_ is voor een _meisje_".

Weinig had zeker de groote, geniale schrijver vermoed, toen hij die

woorden neerschreef, dat ze eens _diep, diep_ gevoeld zouden worden door

de dochters van het volk, dat hij zoo lief had en voor wiens belangen

hij zooveel, ja àlles ten offer had gebracht.

Wij ook weten, evenals Barthold Meryan, wat ons _wacht_, als wij blijven

neerknielen voor het altaar onzer innigste zielsbehoeften, een altaar

dat slechts _verrijzen kan_ op de _puinhoopen_ van _alles_, wat ons tot

dusverre het _heiligste_ en _dierbaarste_ is geweest.

Daar was een vrouw uit 't volk n°. 2 geworden van een Inlandsch

ambtenaar. De eerste vrouw, die niet wel bij 't hoofd was, ging na een

poos van hem af, hem een troep kinderen nalatende. N°. 2 werd officieele

vrouw, en was eene zorgzame, liefhebbende moeder voor hare

stiefkinderen. Zij was zeer ijverig, werkte hard om de inkomsten van

haar man te vermeerderen, ten einde zijne kinderen een goede opvoeding

te kunnen geven. En dat de zoons allen terecht kwamen, was grootendeels

aan haar te danken. En nu komt de _dank_. Op een keer, dat hij naar de

stad was gegaan en laat in den avond thuis kwam, riep hij zijne vrouw om

buiten te komen. Er was een gast meegekomen, waar zij voor zorgen moest,

een kamer klaar maken enz. Zij kwam buiten; de gast was eene jonge

vrouw. En toen ... en toen vertelde haar man haar, dat die gast was

zijne vrouw ... en zij, zijne oude, moest voortaan alles met haar

deelen.

Ontzet, verstomd stond zij hem aan te kijken, zij begreep hem niet; maar

toen de vreeselijke waarheid tot haar doordrong, zakte ze zonder eenig

geluid in elkaar. Toen zij weder bijkwam, vroeg ze op staanden voet

echtscheiding aan. Eerst wilde hij er niets van weten, maar zij drong en

dwong, tot hij ten laatste zwichtte en haar het gevraagde briefje gaf.

Nog dien nacht ging ze 't huis uit, te voet door woud en bosch naar hare

oudes in de stad. Hoe ze er kwam, wist ze niet; toen zij weer denken

kon, was ze bij hare familie, die haar vertelde, dat zij langen tijd

ziek gelegen had.

Later, toen ze weer bijkwam, keek ze den brief eens in, dien ze haar man

in dien vreeselijken nacht had afgetroggeld; en 't bleek, dat ze nog

niet van hem was gescheiden, dat 't briefje bevatte haar signalement,

en de mededeeling, dat zij van hem weggeloopen was.

Hij had heel geen plan om haar heur vrijheid terug te geven. Later

verzoende zij zich met hem. De andere ging het huis uit, en in een ander

wonen, en zij behield haar oud rijk. In dien vreeselijken nacht zwoer

zij een duren eed, ze slikte zand in, _nooit, nooit_ zou zij de hand

leenen om 't recht van een ander te verkrachten. Zij had 't gedaan als

kind; hare ouders hadden haar op 14-jarigen leeftijd aan den man

uitgehuwelijkt. Ze wist niet, wat ze deed, ze gehoorzaamde slechts haren

ouders, en--zij was er gestraft voor geworden. Zij wist nu wat een

hellepijn het is, als men door eene andere verdrongen wordt van de zijde

van een echtgenoot. Zij is haar eed trouw gebleven. Niet lang geleden

huwde haar man een nichtje uit aan iemand, die reeds eene vrouw had. Zij

weigerde pertinent eene hand uit te steken om wat voor de bruiloft te

doen en trotseerde den toorn van haar man. In haar huis is de bruiloft

_niet_ gehouden geweest.

Wij kennen haar heel goed, en hebben veel achting voor haar. Wat ze is,

dankt ze zichzelve; zij heeft zichzelve opgewerkt. Niets had ze van huis

uit geleerd; ze heeft lezen geleerd en verscheidene boeken heeft ze met

_vrucht_ doorgewerkt. Wij stonden dikwijls verstomd over hare gezegden,

die getuigden van veel en diep nadenken en gezond verstand. Zij is

waarlijk eene bijzondere vrouw (er zullen er _meer_ zijn), die niets

heeft geleerd en gezien, maar denkt en voelt als wij, maar zij heeft

ontzettend geleden. Haar lijdensgeschiedenis is niet eenig; zooals zij

hebben velen vóór haar geleden. Maar waar zou ik eindigen, als ik u van

Inlandsch vrouwenleed verhaalde? Wie niet ziende blind en hoorende doof

is, weet hoè er geleden wordt in onze wereld. Ruk ons 't hart uit 't

lijf en de hersens uit 't hoofd, als men ons veranderen wil.

Lang voor u mij die woorden van Zangwill uit "Droomen van het Ghetto"

zond, sprak Kleintje ongeveer dezelfde gedachte uit, ofschoon in andere

bewoordingen natuurlijk. Wij aten taart of zoo iets, klein zusje kwam

aanloopen en wilde er ook van hebben, er was geen schoon bord bij de

hand en zusje Kartinah zeide: "Eet maar van 't bord van Joe-Joe, dan

wordt je ook knap als zij", waarop Kleintje heftig uitviel: "Neen, niet

doen, blijf maar dom. Knap zijn is niet voor iedereen een geluk.

Ongelukkig is 't om te kunnen denken en niet te mogen; om te kunnen

voelen, te kunnen, te willen, en 't niet te mogen. Blijf maar dom". Er

lag een wanhoopskreet in die woorden.

* * * * *

Op een keer dat ik overweldigd van moreele pijn roerloos tegen den muur

leunde, met wijdopen oogen, die niets zagen, starende in de lucht, trof

een smartkreet mijn oor, die mij tot de werkelijkheid terugbracht. Over

mij boog Vader zich, zijne armen hielden me omvat, en beurden me op,

zijn gelaat was van mij afgewend. Dat was de smartkreet eener gewonde

ziel, die trilde in den uitroep: "ach neen, zoo niet, zoo niet! Ni!

Vader zal er met anderen over spreken, heb geduld!"

"Monster, spook, gilde het daarbinnen, dat je hem zoo lijden laat,

wreedaard!"

Met zijn arm om me heen geslagen, bracht Vader me naar de achtergalerij

bij de anderen.

Welk eene gewaarwording voer me weer door de ziel.

O! Vader, waarom de stem van 't eigen hart niet gehoord, gevolgd? waarom

geluisterd naar de stemmen van buiten? Waarom anderen, die _niets_ voor

ons _gevoelen_ en ons onverschillig zijn, in die zaak gehaald, waarin

_uw eigen geweten_ beslissen moest, en belanghebbenden _alleen uw stem_

vroegen, behoefden?

O! een daad maar, één daad van moed, en de gapende afgrond, die ons

dreigt te verslinden, zoude gedempt zijn!

Vader _vindt_ onze _ideeën mooi, erkent_ ons _verlangen_ naar _kennis_

en _rechtvaardigheid_. Dat was geen _scherts_, toen Vader ons verleden

jaar toestond om een zelfstandig bestaan te veroveren.

't Brengt ons zóó in opstand te bedenken, waarom wij onderdrukt worden.

Waarom moeten wij terug? waarom moeten wij geknot, gekortwiekt worden?

Om _kleingeestige, kleinzielige menschenpraatjes_.

Wij moeten dáárom afstand doen van onze idealen, om een kleinzielige,

kleingeestige menigte tevreden te stellen.

Als 't _noodzakelijk_ was, _onvermijdelijk noodzakelijk_, dat we afstand

deden van onze illusies, ja, dan moest het; maar zóó is 't niet, alles

draait om het spil; _publieke opinie_! Alles wordt bedorven daarom!

Alles wordt daaraan opgeofferd.

De menschen zullen dit, zullen dat zeggen, als wij gingen doen, wat wij

zoo zielsgraag willen. En _wie_ zijn dan _die menschen_? Bah! En om die

menschen moeten onze neigingen onderdrukt, verstikt worden, en wij naar

't donker terug?

Dit te bedenken maakt ons _helsch_.

De sympathie der denkende wereld is veel, ja zeker. Of wij niet weten

hoe zij genieten als beschaafden en ontwikkelden ons aanhalen; maar 't

domme lachen der niet begrijpende menigte is _meer_, is _meer_ zelfs dan

de stem van 't geweten. Kunnen wij er in berusten?

Er is zooveel gesproken, geschreven over de vooruitstrevendheid van ons

huis, over 't vooruitstrevende geslacht der Tjondronegoro's. Lang reeds

is Grootvader gestorven, maar zijn naam leeft voort, wordt met eerbied

en sympathie genoemd door wie van hem weet of hoort. Grootvader was de

eerste, die zijn zoons, ook zijn dochters, eene Europeesche opvoeding

gaf. Grootvader was baanbreker, was waarlijk een hoogstaande man.

Wij hebben het _recht niet om dom_ te zijn.

Vader heeft veel sympathie in de Europeesche zoowel als in onze eigen

wereld, en waarom?

Vader heeft geen enkel regent tot schoonzoon, maar Vader heeft zijn

kinderen, zoons en dochters, tot _denkende wezens_ gevormd. Dat is een

_verdienste_, dè verdienste, die Vader _veler achting_ en _sympathie_

heeft doen verwerven. En de achting en sympathie der _weldenkenden_

zullen niet _verminderen_, maar zullen _toenemen_, als Vader _zijn werk_

kroonde met ons toe te staan onze innigste zielsbehoeften, die Vader

zelf opriep, te bevredigen. Maar de spotlach der niet begrijpende

menigte is meer--o!

Onze opvoeding was komedie--_schitteren_ was het _doel_. Wij moesten en

zouden schitteren, met echte of valsche steenen, om 't even. En wij

mogen het niet kwalijk nemen; ook in de maatschappij, door wier licht

wij onze zielen kennen, staat de _schijn_ in hoog aanzien. Arme dwazen,

die Waarheid liefhebben boven den almachtigen koning _Schijn_. Ook wij

zullen komedie spelen, dat verplicht ons onze trots, die niet gedoogt,

dat de wereld onze zielewonden ziet.

[1] Panghoeloe = bedienaar van den godsdienst.

[2] Tinka's = kuren.

[3] Aloen-aloen is een uitgestrekt grasveld met enkele groote boomen

vóór de woning van regenten.

[4] In een lateren brief van 21 Maart 1902 vindt men eene meer

uitvoerige beschrijving.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 50 / 136 题