Men moest eigenlijk maar nooit iets beloven, tenzij aan zichzelf, omdat
men niet vooruit weten kan, wat er gebeuren zal. Zoo zal men anderen
menige teleurstelling besparen. Hoe oprecht de belofte ook gemeend is,
en de wil om haar na te komen ernstig, er kunnen onvoorziene
omstandigheden als ziekte b.v. komen, die ons 't naleven van onze
belofte onmogelijk maken. Er is bij ons Javanen een geloof, dat wie
zijne belofte niet nakomt, bezocht zal worden door een oeler weling
(vergiftige slang). Deze slang doet den belover herinneren aan zijne
belofte; komt hij deze niet spoedig na, dan zal hij weder slangenbezoek
krijgen, nu van een oeler welang, wiens beet doodelijk is. Als dit
gebeurt, dan is 't niet geraden, langer te talmen met 't nakomen der
belofte, en zal met den belover een ongeluk gebeuren. Dit slaat alleen
op beloften aan heilige geesten gedaan. B.v. als men aan de geesten van
heilige afgestorvenen bloemen, wierook, een slametan enz. belooft. De
slangen zijn door hen afgezonden om den mensch zijne beloften te
herinneren. Maar wat doe ik toch met u dit Javanengeloof te vertellen?
Vergeef me, 't viel me zoo in onder 't schrijven.
Ik heb wel degelijk een flink standje verdiend voor mijn lang
wegblijven, want dat was grootendeels uit indolentie. Ik ben niets
tevreden over mijzelf! Hoe kwam ik toch zoo intens lui te zijn en
energieloos; ik begrijp het zelf niet. Ik weet alleen maar dat ik mij
aldoor niet heel wel gevoelde. Bepaald ziek ben ik niet; maar recht
gezond toch ook niet; loom, lusteloos, mat en moe;
onzin!--hypochondrie--daar! Ik moet me maar flink aanpakken en veel,
veel werken. Daar zit 't hem juist; _werk_ is 't, dat ik noodig heb;
werk, dat ik liefheb. En nu komt mijn stommiteit: omdat ik niet hebben
mag, wat ik hebben wil, keer ik mij van alle anderen af en zit er over
te tobben. Dat is zwakheid, groote zwakheid. O! die dagelijks
terugkeerende _lamme_ strijd mat zoo af. Ik kan beter de roe verdragen
dan die aanhoudende speldeprikken. En dan heb ik zóóveel akeligs
bijgewoond en doorgemaakt in den laatsten tijd. Mijn zenuwen zijn wat
van streek, de dokter zegt ook: _werk_. Mijn vurig temperament speelt me
parten, ik kan niets uit mijn hoofd zetten, wat ik er eenmaal in heb, en
moet er voortdurend aan denken.