20 November 1901. (VIII.)

Men moest eigenlijk maar nooit iets beloven, tenzij aan zichzelf, omdat

men niet vooruit weten kan, wat er gebeuren zal. Zoo zal men anderen

menige teleurstelling besparen. Hoe oprecht de belofte ook gemeend is,

en de wil om haar na te komen ernstig, er kunnen onvoorziene

omstandigheden als ziekte b.v. komen, die ons 't naleven van onze

belofte onmogelijk maken. Er is bij ons Javanen een geloof, dat wie

zijne belofte niet nakomt, bezocht zal worden door een oeler weling

(vergiftige slang). Deze slang doet den belover herinneren aan zijne

belofte; komt hij deze niet spoedig na, dan zal hij weder slangenbezoek

krijgen, nu van een oeler welang, wiens beet doodelijk is. Als dit

gebeurt, dan is 't niet geraden, langer te talmen met 't nakomen der

belofte, en zal met den belover een ongeluk gebeuren. Dit slaat alleen

op beloften aan heilige geesten gedaan. B.v. als men aan de geesten van

heilige afgestorvenen bloemen, wierook, een slametan enz. belooft. De

slangen zijn door hen afgezonden om den mensch zijne beloften te

herinneren. Maar wat doe ik toch met u dit Javanengeloof te vertellen?

Vergeef me, 't viel me zoo in onder 't schrijven.

Ik heb wel degelijk een flink standje verdiend voor mijn lang

wegblijven, want dat was grootendeels uit indolentie. Ik ben niets

tevreden over mijzelf! Hoe kwam ik toch zoo intens lui te zijn en

energieloos; ik begrijp het zelf niet. Ik weet alleen maar dat ik mij

aldoor niet heel wel gevoelde. Bepaald ziek ben ik niet; maar recht

gezond toch ook niet; loom, lusteloos, mat en moe;

onzin!--hypochondrie--daar! Ik moet me maar flink aanpakken en veel,

veel werken. Daar zit 't hem juist; _werk_ is 't, dat ik noodig heb;

werk, dat ik liefheb. En nu komt mijn stommiteit: omdat ik niet hebben

mag, wat ik hebben wil, keer ik mij van alle anderen af en zit er over

te tobben. Dat is zwakheid, groote zwakheid. O! die dagelijks

terugkeerende _lamme_ strijd mat zoo af. Ik kan beter de roe verdragen

dan die aanhoudende speldeprikken. En dan heb ik zóóveel akeligs

bijgewoond en doorgemaakt in den laatsten tijd. Mijn zenuwen zijn wat

van streek, de dokter zegt ook: _werk_. Mijn vurig temperament speelt me

parten, ik kan niets uit mijn hoofd zetten, wat ik er eenmaal in heb, en

moet er voortdurend aan denken.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 49 / 136 题