't Kan in 't leven soms toegaan of alles er op is toegelegd onze
levenskracht te breken. Alles komt te zamen, onweer en stormen breken
met donderend geweld over ons los, 't woeden der orkanen schijnt te
zeggen: "neêr, gij nietig mensch neêr in 't stof!" Alleen sterken van
hart en geest vermogen zich staande te houden in zulk een storm,
weerstand te bieden aan de wreedheid en hardheid van wereldmachten.
't Komt mij voor dat juist zij, wier hart en geest sterk zijn, 't meest
bezocht worden door datgene, dat men Noodlot heet! Foei wat ben ik
somber, dat komt zeker doordat ik in den laatsten tijd zooveel ellendigs
heb gezien en doorleefd. O! nietig wurmpje, dat ik ben, dat al siddert
en beeft, als 't de roe nauwelijks op zich voelt neerkomen; hoe wil ik
toch troosten en opbeuren?
U mag mijn land _niet_ verlaten vóór we u nog eens hebben weergezien, en
vóór ... vóór u uw drietal _gelukkig_ weet.... wij werkelijk een
overwinning hebben behaald over datgene, dat ons _laag_ bij den grond
wil houden, en van ons stomme, ziellooze voorwerpen wil maken. Maar dat
zullen ze _niet_ kunnen. Zij kunnen uwe meisjes _breken_, maar buigen
_niet_. Met uw beider steun zullen, _moeten_ wij er komen!
Daar zijn drie jonge harten, die u warm tegenkloppen, harten die u aan
het uwe heeft gehecht, die harten vertrouwen zich aan u toe! U zult ze
nooit verlaten, nooit nietwaar? al wordt de afstand, die ons inderdaad
van elkaar scheidt ook nog zoo groot, dat de snelste stoomer nog weken
er voor noodig heeft om hem te overbruggen. Aan dien tijd, die eenmaal
komen zal, denken wij 't liefst niet. Wij kunnen dat idee niet uitstaan,
dat u ook eens onbereikbaar ver van ons zal zijn. Roekmini en Kleintje
hebben besloten om géén nieuwe banden meer aan te knoopen; na u willen
zij niemand meer liefhebben. Mijn dwaze meiskens, wat weet men toch
vooruit te zeggen, over onze harten te beschikken? Liefde en sympathie
komen ongeroepen, leggen 't arme harte vast, zonder te vragen of 't
gewenscht is of niet.