30 September 1901. (VIII.)

In de Preanger zijn er een massa Hollandsch sprekende, geschoolde

vrouwen en meisjes. De meesten, waar we kennis mee maakten, spraken

Hollandsch met ons, omdat wij elkaars taal niet kennen. Alleraardigst!

dáár hebben wij werkelijk eens _aangenaam_ kennis gemaakt met eigen

land- en stamgenooten.

De omgang was hartelijk, vrij en ongedwongen. Vroolijke menschjes vol

scherts en lach.

Wat ik overigens op reis heb gezien en gehoord stijft mij in mijn

meening, dat verstandelijke ontwikkeling alleen niet alles is; dat er

ook eene andere, hoogere ontwikkeling moet zijn, die aan de andere de

hand reikt, om den mensen daarheen te brengen, waar hij heen moet. Naast

't hoofd, moet 't hart geleid worden, anders blijft de beschaving

slechts aan de oppervlakte.

* * * * *

O, wek toch geen illusies, die stellig sterven moeten, wek geen droomen,

waar men van te voren weet, dat wreed-ontwaken volgen moet. 't Is

_wreed, wreed_! O! wat wensch ik vurig, vurig, macht te bezitten over

één taal slechts, mijn eigen, of wel de Hollandsche, om _goed_ te kunnen

uitzeggen, wat ik denk en voel over zooveel, dat mijn bewondering gaande

maakt, of mij met verontwaardiging vervult, zooals dat ellendige, dat

mijn landgenooten huldigen en aanhangen, de mannen uit egoïsme en de

vrouwen uit machteloosheid, uit onwetendheid ontsproten, rechtvaardigen.

Ik heb iets scherps en vinnigs in gedachte over "Idealen". Soms jeuken

mij de vingers zoo--om al die gedachten niet voor mij alleen, voor mijne

vertrouwden neer te schrijven, maar ook om ze anderen in 't gelaat te

slingeren.

Maar wat voor nut zou dat hebben? Men zou de schouders er over ophalen,

een ander er over lachen en de meesten er heel geen notitie van nemen.

Wartaal van een idioot of gek!

Misschien is 't beter zoo, dat ik de taal niet zoo onder de knie heb, om

er mee te doen, wat ik wil; wie weet wat voor een kwaad de pen van dat

onervaren, onverstandige heethoofd anders zou kunnen uitrichten instede

van goed!

En macht bezitten over de taal, zou bovendien op 't oogenblik me toch

niet van veel nut zijn, omdat ik _niet luid_ denken màg.

Na al dat teleurstellende nu eene opfrissching, die u zeker ook

aangenaam zal zijn.

Kort geleden zaten de Quartero's met nog een anderen controleur bij ons.

De heeren hadden 't over een regent, dien de vreemde controleur goed

kende. "Een zéér ontwikkelde man", hoorden wij hem zeggen en kort

daarop: "Neen, hij is niet getrouwd; hij is wel getrouwd met iemand, die

hij niet presenteeren kan; 't is eene gewone vrouw uit 't volk, waarbij

hij een paar kinderen heeft. Hij is niet van plan weer te huwen, hij wil

geen Raden Ajoe trouwen, omdat hij die andere dan zou moeten wegzenden

of haar een tweede plaats laten innemen. In beide gevallen zou hij haar

_verdriet_ doen en dat _wil hij niet_".

Mijn hart sprong open, toen ik dàt hoorde, dan toch is er zóó één! Mooi,

vindt u niet? Mevrouw Quartero vertelde ons naderhand, dat toen zij dat

hoorde, zij en ook haar man gauw naar ons keken, beiden hetzelfde

denkend: "Zouden de meisjes 't gehoord hebben? wat zal hij in hare

achting stijgen!" Zoo is 't ook! We hopen innig, dat die regent immer

zichzelve gelijk zal blijven en zich door _niets_ van zijn mooi besluit

zal laten afbrengen.

't Zal ons thans een waar genoegen zijn met hem in kennis en aanraking

te komen; we hopen, dat 't eens gebeuren zal.

De jonge garde, onverschillig van welke sekse, moet zich met elkaar in

verbinding stellen. Ieder kan op zichzelf wat doen voor de opheffing,

beschaving van ons volk; maar wanneer wij ons bij elkaar aansloten, onze

krachten vereenden, samenwerkten, zouden wij met meer vrucht kunnen

arbeiden.

In eendracht zit kracht en macht.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 46 / 136 题