O! wij kunnen, wij _willen niet_ gelooven, dat onze levens, zoo gewoon,
banaal, als duizenden anderen voor en na ons, zullen eindigen. En toch,
soms lijkt ons iets anders zoo onwaarschijnlijk! Nu eens schijnt de
vervulling onzer dierste en innigste wenschen zoo nabij, dan weer staan
wij er zoo eindeloos ver van af.
Er zijn uren, waarin 't heen en weer geslingerde en gefolterde
menschenhart in vertwijfeling vraagt: "Mijn God, wat is dan toch
plicht?"
Zelfverloochening heet plicht en zelfverwezenlijking heet plicht: hoe
kunnen twee dingen, die lijnrecht tegenover elkaar staan, beiden
_plicht_ heeten en zijn?
"Blijf", zegt luid hierbinnen een stem, "blijf, bestrijd uwe eigen
wenschen en verlangens ter wille van hen, die u dierbaar zijn en aan wie
gij dierbaar zijt; deze, uw strijd adelt uw menschzijn. Blijf!" En dan
weer klinkt het even hard en krachtig: "Ga, werk aan de verwezenlijking
uwer idealen; werk voor de toekomst; werk voor 't heil van duizenden,
die gebukt gaan onder onrechtvaardige wetten, onder een valsch begrip
van goed en kwaad; ga, ga, lijd en strijd, maar werk voor de
eeuwigheid!" Wat is nu hooger plicht, 't eerste of 't laatste?
Egoïsme heb ik steeds beschouwd als de slechtste ondeugd, die er
bestaat, en het diep, diep verfoeid; evenzoo ondankbaarheid --en dat
andere, ons ideaal, is één geworden met ons bestaan; wij kunnen er niet
zonder, evenmin als wij 't buiten de liefde onzer dierbaren kunnen
stellen.
Groot is 't getal van degenen niet, hoe nauw verbonden ook door banden
des bloeds zij aan elkander zijn, die elkaar volkomen begrijpen en
verstaan als mijn vadertje en ik. Hoevele punten van aanraking en
overeenstemming vindt men niet in ons beider karakter; wij
sympathiseeren zoo in alles met elkaar; alléén op één punt raken onze
karakters elkaar niet. O, waarom dat toch, waarom? Zou 't waar zijn, wat
men beweert, dat er in de heele wijde, wijde natuur geen twee dingen
zijn, elkaar _volkomen_ gelijk, geen twee menschelijke naturen, die
volkomen eender zijn? Mijn eigen lief vadertje, wij weten beiden zoo
goed, hoe dierbaar wij elkaar zijn; wij weten ook zoo goed, dat de weg,
dien uwe dochtertjes gekozen hebben, met dorens is bezaaid; maar gij
weet ook, dierste, dat 't geen _gril_ is, die ons leidt; dat wij ons
ideaal met hart en ziel aanhangen, gelijk wij 't u doen; waaròm, waaròm
toch ons dien reeds zoo zwaren, moeielijken weg nog zwaarder en
moeielijker te maken, door 't onthouden van uwe toestemming! Dat wij
niet gelukkig kunnen zijn zonder uwen zegen, weet u, maar ook zonder ons
ideaal kunnen wij 't niet. Met uw zegen zal 't ons steeds licht voor de
oogen zijn, de zwaarste weg begaanbaar zijn! Vader, vader, waarom kunt
gij mij op dat ééne punt niet toegeven? Liefde is almachtig, is eeuwen
door verkondigd en bewezen geworden. Ons beider liefde voor elkaar is
groot. O! Liefde, veelgeprezene, maar ook veelbeweende Liefde, verricht
bij ons uw zegenwerk: veeg die verschilpunten in ons beider karakter
weg, doe ze één worden!
Ik heb mijn Vader innig lief, dat weet u, maar Vaders liefde voor ons is
nòg grooter. Ik was zoo spoedig ongeduldig, kregelig, in een woord:
"humeurig"; hoe geduldig verdroeg mijn best Vadertje al mijn nukken!
nooit hoorde ik een hard of bitter woord, altijd is Vader even lief en
zacht! Zoo uit alles voel ik zijn oneindige liefde! Toen eenigen tijd
geleden ik aandrong op 't spoedig beëindigen van onze zaak, zag ik zijn
blik op mij rusten zoo inbedroefd; 't was of die treurig kijkende oogen
vrager wilden: "heb je dan zoo'n haast, om mij te verlaten, kind?" Ik
wendde mijn hoofd af, ik wilde niet in die dierbare, trouwe oogen zien,
ik wil sterk zijn en niet zwak.
Mijn hart brak bijna van wee, toen eens wij beiden tegenover elkaar
stonden, Vader mij in zijn armen sloot en met trillende stem vroeg:
"Moet 't dan zóó zijn? Kan 't niet anders? Moeten dan allen zijn als
jij? Kan 't niet anders?" Wat ging er niet bij ons om, toen wij zoo hart
aan hart elkaar in de vochtige oogen keken.
Er werd toen hevig geleden, zoo hevig als er op aarde geleden kan
worden. Dat was kort vóór Vaders ziekte. Later toen Vader herstellende
was, vroeg Moeder me: "Och kind, toe, geef maar toe". "Ik kan niet",
antwoordde ik met gesmoorde stem.
Sedert spreekt Moeder er mij nooit meer over. Als Vader maar toegeeft,
dan zal Mama ons haren zegen niet onthouden. Allen zijn ze lief en zacht
voor ons, dat maakt ons den strijd juist zwaarder.
Leed--leed--leed--niet dan leed hebben wij over al die liefhebbende,
trouwe harten gebracht!