4 September 1901. (VIII.)

O! wij kunnen, wij _willen niet_ gelooven, dat onze levens, zoo gewoon,

banaal, als duizenden anderen voor en na ons, zullen eindigen. En toch,

soms lijkt ons iets anders zoo onwaarschijnlijk! Nu eens schijnt de

vervulling onzer dierste en innigste wenschen zoo nabij, dan weer staan

wij er zoo eindeloos ver van af.

Er zijn uren, waarin 't heen en weer geslingerde en gefolterde

menschenhart in vertwijfeling vraagt: "Mijn God, wat is dan toch

plicht?"

Zelfverloochening heet plicht en zelfverwezenlijking heet plicht: hoe

kunnen twee dingen, die lijnrecht tegenover elkaar staan, beiden

_plicht_ heeten en zijn?

"Blijf", zegt luid hierbinnen een stem, "blijf, bestrijd uwe eigen

wenschen en verlangens ter wille van hen, die u dierbaar zijn en aan wie

gij dierbaar zijt; deze, uw strijd adelt uw menschzijn. Blijf!" En dan

weer klinkt het even hard en krachtig: "Ga, werk aan de verwezenlijking

uwer idealen; werk voor de toekomst; werk voor 't heil van duizenden,

die gebukt gaan onder onrechtvaardige wetten, onder een valsch begrip

van goed en kwaad; ga, ga, lijd en strijd, maar werk voor de

eeuwigheid!" Wat is nu hooger plicht, 't eerste of 't laatste?

Egoïsme heb ik steeds beschouwd als de slechtste ondeugd, die er

bestaat, en het diep, diep verfoeid; evenzoo ondankbaarheid --en dat

andere, ons ideaal, is één geworden met ons bestaan; wij kunnen er niet

zonder, evenmin als wij 't buiten de liefde onzer dierbaren kunnen

stellen.

Groot is 't getal van degenen niet, hoe nauw verbonden ook door banden

des bloeds zij aan elkander zijn, die elkaar volkomen begrijpen en

verstaan als mijn vadertje en ik. Hoevele punten van aanraking en

overeenstemming vindt men niet in ons beider karakter; wij

sympathiseeren zoo in alles met elkaar; alléén op één punt raken onze

karakters elkaar niet. O, waarom dat toch, waarom? Zou 't waar zijn, wat

men beweert, dat er in de heele wijde, wijde natuur geen twee dingen

zijn, elkaar _volkomen_ gelijk, geen twee menschelijke naturen, die

volkomen eender zijn? Mijn eigen lief vadertje, wij weten beiden zoo

goed, hoe dierbaar wij elkaar zijn; wij weten ook zoo goed, dat de weg,

dien uwe dochtertjes gekozen hebben, met dorens is bezaaid; maar gij

weet ook, dierste, dat 't geen _gril_ is, die ons leidt; dat wij ons

ideaal met hart en ziel aanhangen, gelijk wij 't u doen; waaròm, waaròm

toch ons dien reeds zoo zwaren, moeielijken weg nog zwaarder en

moeielijker te maken, door 't onthouden van uwe toestemming! Dat wij

niet gelukkig kunnen zijn zonder uwen zegen, weet u, maar ook zonder ons

ideaal kunnen wij 't niet. Met uw zegen zal 't ons steeds licht voor de

oogen zijn, de zwaarste weg begaanbaar zijn! Vader, vader, waarom kunt

gij mij op dat ééne punt niet toegeven? Liefde is almachtig, is eeuwen

door verkondigd en bewezen geworden. Ons beider liefde voor elkaar is

groot. O! Liefde, veelgeprezene, maar ook veelbeweende Liefde, verricht

bij ons uw zegenwerk: veeg die verschilpunten in ons beider karakter

weg, doe ze één worden!

Ik heb mijn Vader innig lief, dat weet u, maar Vaders liefde voor ons is

nòg grooter. Ik was zoo spoedig ongeduldig, kregelig, in een woord:

"humeurig"; hoe geduldig verdroeg mijn best Vadertje al mijn nukken!

nooit hoorde ik een hard of bitter woord, altijd is Vader even lief en

zacht! Zoo uit alles voel ik zijn oneindige liefde! Toen eenigen tijd

geleden ik aandrong op 't spoedig beëindigen van onze zaak, zag ik zijn

blik op mij rusten zoo inbedroefd; 't was of die treurig kijkende oogen

vrager wilden: "heb je dan zoo'n haast, om mij te verlaten, kind?" Ik

wendde mijn hoofd af, ik wilde niet in die dierbare, trouwe oogen zien,

ik wil sterk zijn en niet zwak.

Mijn hart brak bijna van wee, toen eens wij beiden tegenover elkaar

stonden, Vader mij in zijn armen sloot en met trillende stem vroeg:

"Moet 't dan zóó zijn? Kan 't niet anders? Moeten dan allen zijn als

jij? Kan 't niet anders?" Wat ging er niet bij ons om, toen wij zoo hart

aan hart elkaar in de vochtige oogen keken.

Er werd toen hevig geleden, zoo hevig als er op aarde geleden kan

worden. Dat was kort vóór Vaders ziekte. Later toen Vader herstellende

was, vroeg Moeder me: "Och kind, toe, geef maar toe". "Ik kan niet",

antwoordde ik met gesmoorde stem.

Sedert spreekt Moeder er mij nooit meer over. Als Vader maar toegeeft,

dan zal Mama ons haren zegen niet onthouden. Allen zijn ze lief en zacht

voor ons, dat maakt ons den strijd juist zwaarder.

Leed--leed--leed--niet dan leed hebben wij over al die liefhebbende,

trouwe harten gebracht!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 45 / 136 题