Augustus 1901. (VII.)

Waar ik zoo innig overtuigd ben, dat er van de _vrouw_ een groote

invloed kan ten leven uitgaan in de maatschappij, wensch ik niets

liever, niets vuriger, dan opgeleid te worden voor het onderwijs, ten

einde mij later te kunnen wijden aan de opvoeding van dochters van

Inlandsche hoofden. O! zoo innig, innig graag zou ik er toe in staat

willen zijn, kinderhartjes te leiden, karaktertjes te vormen, jonge

hersens te ontwikkelen, vrouwen voor de toekomst te vormen, die het goed

zouden kunnen voortplanten en verbreiden.

Het zou zoo'n groote zegen zijn voor de Inlandsche maatschappij, indien

de vrouwen goed werden opgevoed.

En voor de _vrouw_ zelf wenschen wij vurig, vurig onderwijs en

opvoeding, het zal haar zoo'n groote zegen zijn.

Daar is zooveel droefs in onze Javaansche vrouwenwereld, daar wordt

zooveel en zoo bitter geleden.

De eenige weg, die er voor 't Javaansche meisje, en inzonderheid de

adellijke, openstaat, is 't huwelijk.

Wat heeft de sleur van deze instelling, die oorspronkelijk van Gode en

der vrouwen hoogste bestemming is, gemaakt? Het huwelijk, dat _roeping_

moet zijn, is geworden: een _beroep_! En o! onder welke onteerende en

vernederende voorwaarden en omstandigheden nog hebben vele, vele

Javaansche vrouwen dat beroep te vervullen. Op bevel van vader, oom of

broer, moet 't jonge meisje klaar staan, een wildvreemden man te volgen,

die niet zelden reeds vrouw en kinderen heeft. Naar haar opinie wordt

niet gevraagd, zij heeft slechts te gehoorzamen. Bij een

huwelijkssluiting is haar tegenwoordigheid niet vereischt, evenmin haar

"ja".

Van verre en van nabij kennen wij dat helsche vrouwenleed, veroorzaakt

door zekere Mohammedaansche instelling, die het den mannen zoo

gemakkelijk maakt, maar die o, zoo bitter hard en wreed is voor de

vrouw.

"Zij zijn er aan gewend, zij vinden 't niets", beweert de alwetende

"men". "Als zij er geen vrede mee hebben, waarom er zich dan in

geschikt?"

Laat ik, een kind van 't Javaansche volk, in diens schoot groot geworden

en er heel mijn leven in vertoefd hebbend, u de verzekering geven, dat

de Inlandsche vrouwen wel degelijk een hart hebben, dat _voelen,

lijden_ kan als 't fijn beschaafdste vrouwenhart in uw land.

Maar 't blijft hier bij een stil lijden en zich schikken, volslagen

machteloos en weêrloos als zij zijn, door hare onkunde en onwetendheid.

De oude overlevering vertelt: Fatima's echtgenoot huwde opnieuw, en zij

werd door den Profeet ondervraagd, hoe zij zich daarbij gevoelde. "Niets

Vader, niets, betuigde zij." Dit zeggende, leunde zij tegen een

pisangboom; de bladeren, eerst frisch en fleurig, verwelkten, en de

stam, waartegen haar lichaam rustte, verkoolde.

Opnieuw vroeg de Vader, hoe zij zich gevoelde, en weer betuigde zij:

"Niets, Vader, niets!"

De Vader gaf haar een rauw ei, en verzocht haar dat tegen haar hart te

drukken; het terugvragend brak hij het open: het ei was gaar!

Het Oostersche vrouwenhart is sedert niet veranderd. Dit vertellinkje

leert ons meteen de opinie van vele vrouwen over dat wreede mannenrecht.

Velen vinden er een eer in om met onbewogen gelaat een of meer vrouwen

van haar echtgenoot naast zich te verdragen; maar vraag niet, wat er

onder dat stalen masker is verborgen, en wat de wanden harer woningen

aan 't oog der wereld onttrekken: kankerende vrouwenharten en arme

onschuldig lijdende kinderzieltjes zijn er zooveel.

Nogmaals; er wordt veel en bitter geleden in onze arme Inlandsche

vrouwenwereld. En dàt lijden dat ik reeds in mijn kinderjaren

aanschouwde, was 't, dat 't eerst in mij 't verlangen wakker riep, in te

gaan tegen sleur, die oude toestanden schijnt te rechtvaardigen.

Ons streven heeft een tweeledig doel, mede te arbeiden aan de opheffing

van ons volk en voor onze zusteren den weg te banen naar betere,

menschwaardiger toestanden. Aan u allen, die veel gevoelen voor Java en

den Javaan, richten wij een dringende bede: helpt ons ideaal

verwezenlijken, dat het heil beoogt van ons volk en onze sekse!

Voedt de Javaansche vrouwen op, ontwikkelt ze naar hart en verstand, en

gij vrienden van Java, zult flinke medearbeidsters hebben gevonden aan

uw edelen, schoonen reuzenarbeid: de beschaving, ontwikkeling en

opheffing van een volk!

Leert haar een vak, opdat zij niet langer weerlooze prooien zullen zijn,

wanneer hare beschermers wenschen dat zij een huwelijk zullen aangaan,

dat haar en hare eventueele kinderen onvermijdelijk in ellende dompelen

zal.

Wij hebben zooveel treurigs gezien in zoo menig Javaansch

huwelijksleven: naar aanleiding van dat wreede Mohammedaansche

mannenrecht. 't Leed der vrouwen in zoo'n verbintenis, 't leed van zoo

menig kind uit zoo'n huwelijk geboren, brandt ons in de ziel, en zweept

ons tot opstand tegen die toestanden!

De eenige uitweg om zulk een leven te ontkomen, is dat het meisje zich

een zelfstandig bestaan verovert.

Er is niemand nog, die 't doet, die 't _durft_ te doen!

't Is een _schande_ als een meisje _niet trouwt_, eene vrouw ongetrouwd

blijft.

Ons idee is, om wanneer wij de bevoegdheid ertoe hebben een internaat te

openen voor dochters van Inlandsche hoofden, waar haar naast allerlei

kennis, nuttig voor 't practisch leven, zal worden geleerd, wat den

geest verheft en 't gemoed veredelt.

Zou zulk een school kunnen bestaan? Wij durven "ja" te zeggen. Al zenden

nu verreweg de meeste Inlandsche hoofden hunne dochters naar school

slechts voor den geur, omdat zij niet onder willen doen voor anderen, en

niet omdat zij doordrongen zijn van 't nut, dat meerdere ontwikkeling

der vrouw voor haar zelf en hare omgeving heeft, 't doet geen afbreuk

aan 't feit, dat er hoe langer hoe meer Inlandsche hoofden en grooten

zijn, die voor hunne dochters eene vrije opvoeding wenschen;

gouvernements-en particuliere scholen zullen van de waarheid dezer

bewering kunnen getuigen. Zelfs de Keizer van Solo zendt zijne dochters

naar school. In de vooruitstrevende Preanger, waar 't geen nieuws meer

is, dat meisjes schoolgaan, is voor dochters van den adel een

particuliere, door de Regeering gesubsidieerde school geopend. Daar zijn

regentsdochters, die op eene vreemde plaats op een kostschool zijn.

Meer ouders, die gaarne hunne dochters ook zouden willen laten leeren,

laten 't na, omdat zij 't niet over zich verkrijgen kunnen hun meisjes

naar school te zenden, waar zij samen met jongens zouden leeren.

Eene gouvernante houden, gaat de draagkracht van gewone stervelingen ver

te boven, slechts heel enkelen kunnen zich die weelde veroorloven; toch

is er een wedono, geen "licht", ook niet gefortuneerd, die voor zijn

kleindochtertje eene gouvernante er op na houdt.

Er was een jong moedertje, dat, op een harer laatste levensdagen, haar

man beloven liet, zoodra hij in beter doen was, een illusie van haar te

vervullen: "hun dochtertje naar de Europeesche school te zenden".

Wij bespraken de quaestie, en ook 't idee van eene zelfstandige,

geldverdienende vrouw, meermalen met vrouwen van Inlandsche hoofden. En

alles sterkt ons in onze hoop en ons geloof, dat 't hier slechts op aan

komt, den eersten stap te doen, m.a.w. moet een voorbeeld gegeven

worden; en als 't van practisch nut blijkt en aangepast kan worden door

anderen, dan zal 't stellig navolging vinden.

Er zijn andere meisjes, die denken en voelen als wij en gaarne de banden

en boeien zouden willen verbreken, waaronder de adat de Mohammedaansche

vrouw gekluisterd houdt. Ook zij blijven stilstaan voor het: "Er is

niemand nog die 't doet".

En er moet toch één de eerste zijn!

Er is een Inlandsch hoofd, dat den Directeur van O., E. en N.[1]

toelating tot de doktersschool verzocht voor zijn dochtertje.

Gezegende vader! gezegende dochter! Zij zal haar land van zoo groot nut

zijn.

Ik hoop, dat zij haar voornemen werkelijk zal uitvoeren!

Een jonger zusje van mij, Roekmini, voelt heel veel voor teekenen, en 't

is haar grootste illusie om de teekenacademie te bezoeken, ten einde

zich later te kunnen wijden aan de wederopbloeiing der Inlandsche kunst.

Is volkskunst niet mede een der middelen tot volkswelvaart? Als 't

blijkt, dat zij op de teekenacademie niet op haar plaats is, m.a.w. dat

zij niet genoeg talent heeft, zal ze tot de huishoudschool overgaan, om

later de toekomstige vrouwtjes de waarde van 't geld te leeren kennen,

wat wel hoognoodig is in de Inlandsche maatschappij. De Regeering is

voornemens hare Inlandsche ambtenaren spaarzaamheid te leeren. Wat baat

het of de Regeering de mannen dwingt geld op zij te leggen, als hunne

vrouwen, in wier hand de huishouding berust, de waarde van 't geld niet

kennen?

Mijne zuster en ik zullen dan samenwerken.

En wat wij nog graag op onze toekomstige school zouden willen geleerd

zien, is: gezondheids-, ziekte- en verbandleer!

Dit is een kennis, die ons altijd te pas komt, en voor onze omgeving van

groot nut is. Ieder mensch moet vroeg of laat voor een ziekbed staan, en

't is zoo ellendig om onze lieven te zien lijden, en niet te weten hoe

hun lijden te verzachten. De kennis van gezondheids-, ziekte- en

verbandleer moet tot de opvoeding behooren. Hoeveel ongelukken zouden

niet gebeurd zijn, of dan tot een minimum teruggebracht zijn geworden,

wanneer men aan mannen zoowel als vrouwen die nuttige kennis had

geleerd.

't Ligt geenszins in onze bedoeling van de Javanen Europeesche Javanen

te maken door hun eene vrije opvoeding te geven; ons idee is, hun naast

de mooie eigenschappen, die zij zelf bezitten, het mooie van andere

volken te geven; niet om hun eigene te verdringen, maar om ze te

_veredelen_!

* * * * *

Hoe genoot ik van uwe "Inleiding", van "Land en Volk van Java"; 't werd

mij zoo warm en wonder wèl in 't hart, toen ik die bezielde woorden las,

die 't schoon van mijn land schetsen en ... zijne wondeplekken bloot

leggen.

Dat machtige geluksgevoel hebben wij dikwijls over ons gehad, als wij in

Gods vrije, wijde natuur zijn!

Ver, ver van 't kleinzielig menschengedoe, alleen met onze zielen, onze

gedachten in de heerlijke, schoone natuur, boven ons hoofd de blauwe

hemel, voor onze voeten de onafzienbare zee, achter ons wuivend

klappergroen, o! dáár kunnen wij ons geluk niet op!

Vaak betrapte ik mij op eene egoïstische gedachte: "O! laat mij alléén

in deze reine atmosfeer leven, ver van marktgewoel, van wereldsche

zaken, alleen, alleen, met de natuur, en mijne ziel! Dat is puur

egoïsme! néén, dàt is niet de bestemming van ons leven, wij moeten mèt

en vóór de menschen leven.

't Leven mooier maken, dàt is onze bestemming.

Doch nu heb ik u reeds te lang opgehouden, u heeft wel andere en

nuttiger bezigheden, dan naar 't gesnap te luisteren van een

"sentimenteel" Javaansch meisje.

[1] Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 44 / 136 题