19 Augustus 1901. (V.)

Wat zult gij dat erg onaardig van mij gevonden hebben, dat ik zoo lang

zweeg, op uw lieven brief, uwe allerliefste uitnoodiging en die

vriendelijke toezending van dat lieve kiekje, waar ik zoo blij mee ben.

Dat zwijgen was geenszins aan onhartelijkheid te wijten, maar de door en

door gezonde Kartini vond 't nu eens aardig voor de variatie zieke zus

te spelen. 't Was wel zoo leuk om eens erg vertroeteld te worden, en

vond ik 't zoo erg niet om eene kleine ongesteldheid een beetje te

overdrijven. Als geen van de oogenparen, die mij zoo bezorgd hebben

aangezien, nu maar over mijne schouders heenkijkt en dit leest. Jongen,

jongen, wat zal ik er dan van langs krijgen! Die zusjes van me kunnen

iemand de ooren wasschen hoor, dat verzeker ik u. Maar wat doe ik nu,

kwaad vertellen van mijn beste zusjes, 't is wat moois!

* * * * *

Niets is onmogelijk in deze wereld! en wat wij vandaag voor eene groote

onmogelijkheid uitkrijten, is morgen een voldongen feit!

Er is eene gisting in de Inlandsche maatschappij, de geest om "vooruit"

te komen is tot haar doorgedrongen en houdt de gemoederen in beweging.

Hij stuit echter op de ingekankerde liefde der Javanen voor die overoude

"adat". Er zal nog heel veel zelfstrijd en andere strijd gestreden

moeten worden, voor eenige dier verouderde denkbeelden en beginselen,

die niet aanpassen bij den vooruitgang, diep in den grond begraven

worden, om nooit weder op te staan.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 43 / 136 题