10 Augustus 1901. (IV.)

Vergeef me, dat ik u nu eerst antwoord op de vriendelijke toezending van

uw beider portretten, een geschenk, ons zoo innig welkom en zoozeer door

ons gewaardeerd, waarvoor wij u beiden onzen hartelijken dank betuigen.

Wat kwam mij al niet voor den geest, toen ik uw portret zag. Menigmaal,

wanneer ik neerslachtig ben gestemd, bedroefd om zooveel treurigs in 't

leven, ontmoedigd door 't zien van zooveel ellende, waar ik als een

mensch onmachtig tegenover sta, van zooveel onrechtvaardigheid, van

zooveel liefdeloosheid, dan is mij een opbeuring de gedachte aan onzen

verren vriend--zoo mogen wij u noemen, niet waar?--die uit louter

menschenmin, zichzelf uit zijn eigen wereld bande, om zich in een

wildernis temidden van "wilden" te vestigen, hun liefde gevend, liefde

leerend, die hij zoo machtig in eigen boezem voelt.

En wij vinden 't heerlijk daarom, uw beider portretten te bezitten; 't

zien daarvan roept ons des te levendiger die mooie zielen voor den

geest, voor wie wij zoo'n innige bewondering, vereering en sympathie

gevoelen.

Hoe maakt u beiden het? Ik hoop van ganscher harte als wij, want dan is

't goed. Ik ben hier des te dankbaarder voor, omdat 't nu overal zoo

ongezond is. Daar is geen plaats, waar men niet van de daar heerschende

een of andere ziekte, meestal koorts, hoort spreken.

In onze buurt, Semarang, is zelfs de cholera uitgebroken, monster, dat

op Batavia en Soerabaja zoovele slachtoffers maakte. Gelukkig, dat op

Semarang de ziekte maar sporadisch voorkomt, maar zij schijnt van 't

kwaadaardigste soort te zijn, bijna geen enkelen lijder heeft men kunnen

behouden. Er is naast cholera, knokkelkoorts, nog een andere plaag, die

op eenige plaatsen van Java ontzettend veel ellende onder de bevolking

veroorzaakt; voedingsgebrek. God behoede ons land voor de vreeselijkste

aller rampen, die een land teisteren kan: hongersnood.

't Is haast ongelooflijk, dat er op Java, dat vruchtbare Java, waar

alles als 't ware zoo maar uit den grond opschiet, voedingsgebrek kan

zijn. En toch is 't zoo, helaas! De nood moet vooral vreeselijk zijn in

Poerwodadi; maar nu las ik dezer dagen tot mijn onuitsprekelijke

blijdschap, dat de Regeering plus minus 3 1/2 ton beschikbaar stelde

voor den aankoop van ploegvee voor Poerwodadi en Demak.

Dit is ook zoo'n ongelukkig land, waar onze oom regent over is; de

bevolking ziet ieder jaar met angst en beven den westmoesson tegemoet,

die altoos 't land _verdrinkt_. Ik weet niet, hoeveel tonnen gouds de

Regeering reeds voor de waterwerken aldaar uitgegeven heeft, maar er is

daar elken westmoesson nog steeds watersnood. Maar, hoe ellendig 't hier

ook kan zijn, men is toch altijd nog gelukkiger dan onze minbedeelde

broeders en zusters in 't verre Europa, die naast honger nog koü te

lijden hebben in den winter.

Ik heb hier een werk van Fielding pas uit Holland gekregen; 't handelt

over 't Boeddhisme en moet volgens de recensies, die ik ervan gelezen

heb, heel, heel, mooi zijn. 't Is uit het Engelsch vertaald door Felix

van Ort, redacteur van "Waarheid en Vrede". U zult hem zeker wel kennen

van naam. Dat is de idealist, die propaganda maakt voor zijn heel-mooie

overtuiging: "het kwaad overwinnen door liefde". Heel mooi in theorie,

maar o zoo moeilijk in practijk. Wij voelen er heel veel voor, lazen ook

zijn mooi boek: "Naar 't groote Licht", dat alle brandende vraagstukken

van den dag behandelt.

't Zal al zoo gauw een jaar zijn geleden, dat wij u zagen op Depok. Toen

hadden wij er nog niets geen idee van, hoe allerprettigst die

kennismaking zou worden. Ik zie u nog aan den trein staan en vragen of

"de Regent van Japara ook meegekomen is". Ik kan 't niet begrijpen, dat

't al gauw een groot jaar geleden is; mij is 't, of 't gisteren pas is

gebeurd. Wat vliegt de tijd toch!

Van Mevrouw A. kreeg ik daarnet een brief, zij beiden maken 't niet zoo

goed ....

Dat waren weeldedagen voor ons, die dagen bij die lieve, lieve

hartelijke vrienden op Batavia doorgebracht! Van vriendschap, liefde,

sympathie kunnen die inhalige schepsels, die Javaansche vriendinnetjes

van u, nooit, nooit genoeg hebben. En die vonden wij daar zooveel!

't Is eergisteren een jaar geleden, dat 't "gelukkigste aller gelukkige

gesternten" hen tot ons voerde, die sedert onafscheidelijk zijn aan ons

bestaan. Dien middag van de verjaring onzer kennismaking brachten wij op

Klein-Scheveningen, ons verrukkelijk mooi strand door, ons nu zooveel te

dierbaarder, omdat dáár wij haar hebben gevonden, die zóóveel moois in

ons leven bracht.

De zee was goddelijk mooi, zoo effen, en welk een kleurenspel tooverde

daarop de ondergaande zon! 't Was of men één reusachtige parelmoerschelp

zag. In 't Westen de hemel in gloeiende zonnebrand; in 't Zuiden, waar

hemel en zee elkaar ontmoeten, was 't teer violet. Hoe weldadig deed dat

prachtig, diep blauw, boven onze hoofden, onze oogen aan, na al dat

schitterende, dat verblindde! En daar te midden van al dat mooi, gezeten

op 't reinwitte strand, met onze voeten in 't water, leefden wij weer

eens dien droom van geluk door!

Wat een dwaze, dweepzieke wezens, zult u zeker denken! Och, jeugd en

dwaasheid, jong en dwepen, dat hoort nu eenmaal zoo bij elkaar! Wij

hopen innig, dat wij altijd zoo dwaas mogen blijven, nooit verstandig

worden, verstandig zijn, dat zoo koud, zoo koel maakt! En wij huiveren

voor alles wat koud en koel is, en toch liever ijskoud dan lauw!

Wij hebben helaas tot nog toe onze vrienden, de familie Ovink, op

Djombang nog niet kunnen bezoeken tot ons groot verdriet. Wij verlangen

heel erg naar elkaar, maar telkens als wij wilden gaan, kwam er

verhindering. Als wij daar komen, zullen wij stellig naar Modjowarno

gaan, waar wij zooveel van gehoord hebben. Mevrouw Ovink vertelde ons

zooveel goeds van de familie Bervoets, die zij hoog waardeert. Mijn oom

van Demak en zijne familie zijn ook op Modjowarno geweest, en riepen

daarover ook zoo.

Als u mij eens met een brief mocht verblijden, zou u dat genot dan nog

grooter voor mij willen maken, door heel, heel veel van u zelf, uw werk

en de menschen, waaronder u beiden leeft, te vertellen? Wat duurt 't

lang, voor een brief van Gorontalo uit gepost, Java bereikt! men kon

haast even goed naar Holland schrijven, 't duurt bijna even lang de

overtocht!

In Juni hebben wij de geheele familie over gehad, kinderen,

behuwdkinderen en kleinkinderen, allen bij elkaar, neen, toch niet

allen, één plaats bleef ledig, die van onzen besten broer in Holland. 't

Was zoo gezellig, al die lieve gezichten weder bij elkaar te zien, en

met weemoed gedachten we onzen lieven afwezige. Dat is zoo'n lieve,

hartelijke jongen, waar wij allen innig veel van houden. Weemoedige

gedachte voor ouders, dat de kleine wezentjes, voor wie ze alles zijn,

die héél van hen zijn, eens hun niet meer zullen toebehooren, verlaten

om ieder zijn eigen weg te gaan.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 42 / 136 题