Vergeef me, dat ik u nu eerst antwoord op de vriendelijke toezending van
uw beider portretten, een geschenk, ons zoo innig welkom en zoozeer door
ons gewaardeerd, waarvoor wij u beiden onzen hartelijken dank betuigen.
Wat kwam mij al niet voor den geest, toen ik uw portret zag. Menigmaal,
wanneer ik neerslachtig ben gestemd, bedroefd om zooveel treurigs in 't
leven, ontmoedigd door 't zien van zooveel ellende, waar ik als een
mensch onmachtig tegenover sta, van zooveel onrechtvaardigheid, van
zooveel liefdeloosheid, dan is mij een opbeuring de gedachte aan onzen
verren vriend--zoo mogen wij u noemen, niet waar?--die uit louter
menschenmin, zichzelf uit zijn eigen wereld bande, om zich in een
wildernis temidden van "wilden" te vestigen, hun liefde gevend, liefde
leerend, die hij zoo machtig in eigen boezem voelt.
En wij vinden 't heerlijk daarom, uw beider portretten te bezitten; 't
zien daarvan roept ons des te levendiger die mooie zielen voor den
geest, voor wie wij zoo'n innige bewondering, vereering en sympathie
gevoelen.
Hoe maakt u beiden het? Ik hoop van ganscher harte als wij, want dan is
't goed. Ik ben hier des te dankbaarder voor, omdat 't nu overal zoo
ongezond is. Daar is geen plaats, waar men niet van de daar heerschende
een of andere ziekte, meestal koorts, hoort spreken.
In onze buurt, Semarang, is zelfs de cholera uitgebroken, monster, dat
op Batavia en Soerabaja zoovele slachtoffers maakte. Gelukkig, dat op
Semarang de ziekte maar sporadisch voorkomt, maar zij schijnt van 't
kwaadaardigste soort te zijn, bijna geen enkelen lijder heeft men kunnen
behouden. Er is naast cholera, knokkelkoorts, nog een andere plaag, die
op eenige plaatsen van Java ontzettend veel ellende onder de bevolking
veroorzaakt; voedingsgebrek. God behoede ons land voor de vreeselijkste
aller rampen, die een land teisteren kan: hongersnood.
't Is haast ongelooflijk, dat er op Java, dat vruchtbare Java, waar
alles als 't ware zoo maar uit den grond opschiet, voedingsgebrek kan
zijn. En toch is 't zoo, helaas! De nood moet vooral vreeselijk zijn in
Poerwodadi; maar nu las ik dezer dagen tot mijn onuitsprekelijke
blijdschap, dat de Regeering plus minus 3 1/2 ton beschikbaar stelde
voor den aankoop van ploegvee voor Poerwodadi en Demak.
Dit is ook zoo'n ongelukkig land, waar onze oom regent over is; de
bevolking ziet ieder jaar met angst en beven den westmoesson tegemoet,
die altoos 't land _verdrinkt_. Ik weet niet, hoeveel tonnen gouds de
Regeering reeds voor de waterwerken aldaar uitgegeven heeft, maar er is
daar elken westmoesson nog steeds watersnood. Maar, hoe ellendig 't hier
ook kan zijn, men is toch altijd nog gelukkiger dan onze minbedeelde
broeders en zusters in 't verre Europa, die naast honger nog koü te
lijden hebben in den winter.
Ik heb hier een werk van Fielding pas uit Holland gekregen; 't handelt
over 't Boeddhisme en moet volgens de recensies, die ik ervan gelezen
heb, heel, heel, mooi zijn. 't Is uit het Engelsch vertaald door Felix
van Ort, redacteur van "Waarheid en Vrede". U zult hem zeker wel kennen
van naam. Dat is de idealist, die propaganda maakt voor zijn heel-mooie
overtuiging: "het kwaad overwinnen door liefde". Heel mooi in theorie,
maar o zoo moeilijk in practijk. Wij voelen er heel veel voor, lazen ook
zijn mooi boek: "Naar 't groote Licht", dat alle brandende vraagstukken
van den dag behandelt.
't Zal al zoo gauw een jaar zijn geleden, dat wij u zagen op Depok. Toen
hadden wij er nog niets geen idee van, hoe allerprettigst die
kennismaking zou worden. Ik zie u nog aan den trein staan en vragen of
"de Regent van Japara ook meegekomen is". Ik kan 't niet begrijpen, dat
't al gauw een groot jaar geleden is; mij is 't, of 't gisteren pas is
gebeurd. Wat vliegt de tijd toch!
Van Mevrouw A. kreeg ik daarnet een brief, zij beiden maken 't niet zoo
goed ....
Dat waren weeldedagen voor ons, die dagen bij die lieve, lieve
hartelijke vrienden op Batavia doorgebracht! Van vriendschap, liefde,
sympathie kunnen die inhalige schepsels, die Javaansche vriendinnetjes
van u, nooit, nooit genoeg hebben. En die vonden wij daar zooveel!
't Is eergisteren een jaar geleden, dat 't "gelukkigste aller gelukkige
gesternten" hen tot ons voerde, die sedert onafscheidelijk zijn aan ons
bestaan. Dien middag van de verjaring onzer kennismaking brachten wij op
Klein-Scheveningen, ons verrukkelijk mooi strand door, ons nu zooveel te
dierbaarder, omdat dáár wij haar hebben gevonden, die zóóveel moois in
ons leven bracht.
De zee was goddelijk mooi, zoo effen, en welk een kleurenspel tooverde
daarop de ondergaande zon! 't Was of men één reusachtige parelmoerschelp
zag. In 't Westen de hemel in gloeiende zonnebrand; in 't Zuiden, waar
hemel en zee elkaar ontmoeten, was 't teer violet. Hoe weldadig deed dat
prachtig, diep blauw, boven onze hoofden, onze oogen aan, na al dat
schitterende, dat verblindde! En daar te midden van al dat mooi, gezeten
op 't reinwitte strand, met onze voeten in 't water, leefden wij weer
eens dien droom van geluk door!
Wat een dwaze, dweepzieke wezens, zult u zeker denken! Och, jeugd en
dwaasheid, jong en dwepen, dat hoort nu eenmaal zoo bij elkaar! Wij
hopen innig, dat wij altijd zoo dwaas mogen blijven, nooit verstandig
worden, verstandig zijn, dat zoo koud, zoo koel maakt! En wij huiveren
voor alles wat koud en koel is, en toch liever ijskoud dan lauw!
Wij hebben helaas tot nog toe onze vrienden, de familie Ovink, op
Djombang nog niet kunnen bezoeken tot ons groot verdriet. Wij verlangen
heel erg naar elkaar, maar telkens als wij wilden gaan, kwam er
verhindering. Als wij daar komen, zullen wij stellig naar Modjowarno
gaan, waar wij zooveel van gehoord hebben. Mevrouw Ovink vertelde ons
zooveel goeds van de familie Bervoets, die zij hoog waardeert. Mijn oom
van Demak en zijne familie zijn ook op Modjowarno geweest, en riepen
daarover ook zoo.
Als u mij eens met een brief mocht verblijden, zou u dat genot dan nog
grooter voor mij willen maken, door heel, heel veel van u zelf, uw werk
en de menschen, waaronder u beiden leeft, te vertellen? Wat duurt 't
lang, voor een brief van Gorontalo uit gepost, Java bereikt! men kon
haast even goed naar Holland schrijven, 't duurt bijna even lang de
overtocht!
In Juni hebben wij de geheele familie over gehad, kinderen,
behuwdkinderen en kleinkinderen, allen bij elkaar, neen, toch niet
allen, één plaats bleef ledig, die van onzen besten broer in Holland. 't
Was zoo gezellig, al die lieve gezichten weder bij elkaar te zien, en
met weemoed gedachten we onzen lieven afwezige. Dat is zoo'n lieve,
hartelijke jongen, waar wij allen innig veel van houden. Weemoedige
gedachte voor ouders, dat de kleine wezentjes, voor wie ze alles zijn,
die héél van hen zijn, eens hun niet meer zullen toebehooren, verlaten
om ieder zijn eigen weg te gaan.