8--9 Augustus 1901. (VIII).[1]

Ik zie weder dat heerlijk mooie strand fantastisch verlicht door 't

zilveren schijnsel der bleekgouden maan, die zich milliarden malen

weerspiegelde in 't onafzienbare zich immer bewegende zilte nat: één

oneindige schittering van levend zilver en goud!

Ik hoor ruischen weder 't trillend klappergroen, dat als reusachtige

zilveren veeren gracieus wuifde in den zoelen avondwind, die zoo

heerlijk ons langs de wangen streek en om de ooren suisde.

Liefelijk mengde zich bij dat bladergeruisch het zacht geklots der

glinsterende golfjes, die zich in dartelen overmoed te pletter sloegen

tegen het schitterend, reinwitte strand.

Dàt was een droom van mooi! een droom van geluk! En in die fantastische

omgeving van in zilveren maanlicht badend strand, van eene zee van

vloeibaar goud en zilver, van een pràchtig blauwen hemel getooid met

enkele zachtglanzende sterretjes, van wuivende zilverschitterende

palmen, van windgesuizel en zacht golfgeklots, zaten wij, met een nieuw

gevonden kostelijken schat in ons midden, in stil genieten en met

toenemende verrukking te luisteren naar eene melodieuse stem, die

verhaalde van 't sprookjesmooi van vreemde landen vèr, vèr over zee,

over die oneindige schittering van zilver en goud vóór ons, van haar

eigen goddelijk Vaderland.

* * * * *

Zal ik ooit dien rit kunnen vergeten, dien goddelijken rit met haar naar

't station? Een groot jaar is er sedert verstreken, een jaar vòl rijk

leven, waarin ik had hóóg gejubeld en bitter geschreid, waarin ik had

geleefd oogenblikken van 't zaligste, hoogste genieten, en ook uren van

wanhoop en vertwijfeling, van onduldbare ellende, uren van hellepijnen,

van brandend lijden,--ik heb _geleefd_! dat ééne jaar meer dan al de 21

voorgaande tezamen!--en tòch nog steeds even helder en frisch staat de

dag me voor den geest, als waren er slechts minuutjes over heengegaan,

en niet 365 X 24 uren! Nòg wordt 't me warm om 't hart, nóg trilt mijn

ziel van aandoening bij 't herdenken van die groote, groote zaligheid in

mijn leven! Wat zie ik alles weer duidelijk voor me. Zij in een

zachtblauw eenvoudig reistoilet.... Of 't een afspraak was, ook wij

waren in 't blauw--kleur der trouw!

Trouw, nietig woordje, maar o zoo reusachtig van beteekenis! Zij is méér

dan liefde; trouw eischt vaak grooter kracht. O jonge hartjes, die

achter dat beschermend blauw kloppen, moogt gij zóó sterk, zóó krachtig

zijn om haar, wier kleur wij dragen, door àlles heen hoog te houden: de

"trouw"!

Daar reed een wagen vol van 't zinnebeeld der kostelijkste aller

Godsgaven: de "trouw" over een schitterenden zonneweg, langs lachende

dreven en in gouden gloed badende velden. De natuur was één lach en

licht, geheel in harmonie met onze zielen, die trilden in een ether van

jubel en zonneglans!

O! moest werkelijk dit zalig ontmoeten zoo spoedig weder eindigen? kon

dit heerlijk samenzijn niet nog één ènkelen dag langer duren?

"U weet niet hoe innig graag wij nog langer hier zouden blijven, mijn

man heeft nog zooveel met papa te bespreken, zooveel te zeggen; maar

mijn man kan niet langer blijven, zijn tijd is zóó beperkt. Konden wij

maar tijd tooveren--of mochten wij u mede nemen naar Batavia, dat zou

nog 't beste zijn!"

"Wij zijn u beiden innig, innig dankbaar, dat u hier is gekomen". Ze

drukte me zwijgend de hand en ik liet haar niet weder los.

"Eenvoudige harten verstaan elkaar al gauw", zeide ze eenvoudig, toen

mijn mond haar niet langer dat zoet geheim verzwijgen kon, dat voor haar

toch stellig géén geheim meer was: "hoe innig, innig gelukkig ik was hen

beiden te kennen, haar gevonden te hebben, ontmoet in zulk een groote

sympathie!"

Dat waren weelde-uurtjes voor mij, die uurtjes aan hare zijde

doorgebracht! Ik was dronken van weelde, dronken van geluk! voelde mij

zoo licht als een veertje, dat slechts een windezucht behoefde om òp te

zweven naar de blauwe lucht, 't stralende licht!

Wat is geluk, als 't niet die oogenblikken van _jubel, vervoering,

ontroering_ zijn?--oogenblikken, waarop ons de borst te eng wordt om 't

bonzend hart te bevatten, waarop wij voelen ons zweven tot licht en

jubel, tot 't onreëele--oogenblikken kort als een bliksemschicht, maar

lang, wèldadig in hunne nawerking!

Liefde ontvangen maakt alléén dàn gelukkig, als degene, die haar

ontvangt, zelf óók liefheeft!...

* * * * *

Weder instappen, de tram moest voort.

Och, gillend, rammelend monster, vertraag, temper toch uwe vaart! laat

niet te spoedig ons aan 't punt komen, waar onze wegen, die gij zelf

gisteren hebt helpen bijeenvoegen, weder uiteen zullen gaan.

Maar helaas! de stoker hoorde me niet, en ging bedaard zijn gang; en al

hoorde hij me, wat zou hij zich storen aan den wensch, 't verlangen van

een dwaas meisjeshart? Rustig gleed 't gevaarte voort over den

wèlgebaanden ijzeren weg, en op den gewonen tijd stoomde 't het zoo

gevreesde eindstation binnen.

Met geweld drong ik dien akeligen bobbel, die me in den keel schoot,

terug, dat verdacht branden in mijn oogen; ik beet op de lippen om ze

het beven onmogelijk te maken. Zoo stond ik tegenover haar, zwijgend,

haar aankijkend met omfloersden blik--zij hield làng mijn hand vast en

zeide zacht: "Gij zult een harden strijd te voeren hebben, doch wees

ferm en moedig en opgewekt, hoop en vertrouw!" Nog één warmen stevigen

druk van hare zachte hand, nog één innigen blik uit die lieve, lieve

oogen, en zij stond op 't perron. "Geef mij nog een handje!" vroeg zij

lief ons allen. Vlug, vlug, die akelige bel klonk reeds --ai--wat deed

haar harde klank nu een pijn!

Een schok--de wielen der wagens bewogen zich, en langzaam rolde de trein

't stationsgebouw uit.

Zij wuifde met haar zakdoekje, hij met zijn hoed. De tram versnelde zijn

vaart. Daar gingen ze, daar vlogen ze weg, vèr, ver weg van ons,

menschen ons een etmaal geleden nog volkomen onbekend, en nu een stuk

van mijn ziel, onafscheidelijk van mijn bestaan!

O! Leven, raadselvol Leven, wanneer zult gij ons eens ten vòlle uwe

geheimenissen openbaren?

Wie zal ons den sluier opheffen van dat onwezenlijke, dat onstoffelijke

van ons bestaan? Wie ons dat groot, heerlijk wonder in 't menschelijk

leven verklaren, dat wij geest, ziel noemen? Wie dat mysterie

ophelderen, dat wij zielenverwantschap heeten, dat geheimzinnige, dat

twee elkaar volkomen onbekende levens als met een ènkele ademhaling, met

één woord, één blik in elkaars oogen, voor immer met hechten sterken

band verbindt?

[1] Wat hier volgt is geen brief, maar een herinnering aan de

gewaarwordingen van een jaar te voren, toen de uitgever van deze brieven

met zijne echtgenoote te Japara een bezoek bracht. Het stuk draagt tot

opschrift: "Eenige uurtjes uit een meisjesleven. Sentimenteele

herinneringen eener oude vrijster".

Om licht te bevroeden redenen kunnen slechts brokstukken uit de schets

gegeven worden, terwijl de hoofdzaak reeds voorkomt in de brieven van

Augustus 1900.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 41 / 136 题