6 Juni 1901. (V.)

Lieve Hilda,

Laat ik beginnen met u beiden ook namens de zusjes, recht hartelijk

geluk te wenschen met de geboorte van uw tweede zoontje, van harte

hopend, dat hij ook zoo'n lekker gezond kereltje mag worden als zijn

oudste! broertje, waaruit mettertijd een flinke jongen zal groeien, waar

gij beiden met recht trotsch op kunt zijn.

Hoe houdt onze kleine vriend zich onder zijn nieuwe waardigheid van

"oudste broer zijn"? Wil hij niet reeds dadelijk met Alfredje spelen?

zoo heet de kleine, niet waar?

Een Meikindje! de Genestet maakte daarop zoo'n mooi gedicht, het einde

is treurig, maar voor uw Meikindje hopen wij innig, dat de zegenbeden

van den dichter in de twee laatste coupletten van 't eerste gedeelte

geuit, vervuld mogen worden. Ofschoon gij die regelen natuurlijk zelve

reeds kent, kan ik toch niet nalaten ze hier nog eens even uit te

schrijven.

De God der lente spreide

U rozen voor den voet,

De God der Liefde leide

U zachtkens, trouw en goed!

Bloei in uw vaders gaarde

Bloei aan uw moeders zij,

Hun schoonste bloem op aarde,

Gij, knaapje van den Mei!

'k Hoor u lachen, als gij dit zijdje leest, hoe dwaas, hè maar verwonder

u er maar niet over, alle oude tantes zijn min of meer sentimenteel

uitgevallen, en tot die categorie behoort ondergeteekende.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 39 / 136 题