10 Juni 1901. (III.)

Dat mooie stukje van Borel over de gamelan (zielemuziek, zooals de

schrijver ze noemt) kennen we en hebben we in bezit. Kent u andere

werken ook van hem? o.a. "Het Jongetje," dat iets hoogverrukkelijks is!

Velen vinden Borel erg aanstellerig-ziekelijk, maar wij genieten van

vele zijner werken! Heel mooi is ook van hem "De laatste incarnatie" en

iets bijzonder moois is zijn "Droom uit Tosari"; daarin beschrijft hij

op éénig mooie manier 't wondere natuurschoon op Java's blauwe bergen.

Hoe genoten wij er van! men moet kunstenaar zijn of minstens met een

flinke dosis kunstgevoel behebt zijn, om zòo 't schoon van moeder natuur

te _zien_ en te _genieten_; en om dat alles in zoo mooie gekuischte taal

weer te geven, moet men een dier bevoorrechte menschenkinderen zijn,

wien de muzen een kus op 't voorhoofd gedrukt hebben.

Ik hoop eens zoo gelukkig te zijn in de gelegenheid te komen, uw

schoone, zoetklinkende taal te leeren; ik zal die gelegenheid _niet_

onbenut laten, dat verzeker ik u. 't Is mij ernstig meenens eens uw taal

te kennen; al bepaalt die kunde zich slechts tot lezen en schrijven, ik

zou al heel gelukkig zijn. En mocht ik zoo gelukkig zijn 't ooit tot

Duitsch spreken te brengen, dan kom ik u opzoeken, is 't goed? In dien

tusschentijd zal zeker de vliegmachine reeds uitgevonden zijn en zult u

dan op een goeden dag zulk een gevaarte door Jena's luchtruim zien

zweven, dat u uwe verre gast brengt!!!

Ik had eigenlijk als een jongen geboren moeten worden--zou dan misschien

wat van mijn hoogvliegende plannen kunnen terecht komen. Nu als meisje

in de tegenwoordige Inlandsche maatschappij is 't bijna niet mogelijk,

een heksentoer, een er van in verwezenlijking te brengen. Hoe kan 't

anders ook. Waar zelfs in Europa, brandpunt der beschaving en

verlichting, nog zoo fel de strijd om 't _goed recht_ der vrouw

gestreden wordt, zou men in ernst kunnen verwachten, dat Indië, 't

onbeschaafde, onverlichte, dommelende Indië goedig zou toestaan dat zijn

dochter, de vrouw door eeuwen heen als een wezen van lager orde, ja,

waarom zal ik 't niet zeggen, als een _zielloos_ voorwerp beschouwd en

behandeld, zich 'n mensch beschouwt, d.i., een wezen, dat recht heeft op

een _onafhankelijk geweten_, op vrijheid van denken, voelen en

handelen?

't Was mij als sprong de hemelpoort open, en als vertoonde daarachter

zich een eindelooze heerlijkheid aan mijn verrukte oogen, toen eenigen

tijd geleden ik 't heugelijk bericht in de courant las, dat bij de

Regeering 't voornemen bestond, voor dochters van regenten de

gelegenheid open te stellen zich te bekwamen tot onderwijzeres. Wiens

werk het is, hoef ik u zeker niet te vertellen.

Wij waren half dol van vreugde over dat bericht in de nieuwsbladen, en

't was een _flinke_ stap vooruit en 't spreekwoord zegt zoo waar: "'t

komt er maar op aan den eersten stap te doen". O, als degene, wien deze

weldaad bewezen wordt, ze maar kunnen waardeeren! Om te kunnen

waardeeren, moet men eerst kunnen _begrijpen_, en begrijpen, o, dat is

zoo'n moeilijke kunst? niet in één dag, niet in één jaar aan te leeren!

Hoe zou de overgroote meerderheid van de Inlandsche hoofden, de plannen

der Regeering voor 't toekomstig heil en geluk harer dochters kunnen

apprecieeren, zij, voor wie de allereerste beginselen der richting, die

wij, jong geslacht, hooghouden, raadsel en mysterie zijn?

Helaas! onze vrees blijkt gegrond te zijn; er zal van dat _prachtige_

regeeringsplan, waar we zooveel van verwachten, niets komen, daar de

_meeste Inlandsche hoofden_ wier advies in deze gevraagd werd, er zich

tegen verklaarden, aangezien 't _tegen de adat_ strijdt, dat meisjes

buitenshuis opleiding ontvangen. Adieu illusies! adieu gouden

toekomstdroomen! Och, ik heb 't mijzelve al zoo dikwijls herhaald, luide

toegeroepen, dat droomen en idealen onnoodige ballast in onze Inlandsche

Maatschappij zijn, eene overbodige en _gevaarlijke_ weelde!--maar dat

zegt de _mond_ alleen, op inblazingen van dat koude, koele verstand; het

hart, dat domme dwaze ding, kan er zich niet van los maken. Zóó diep

zijn vrijheidsdroomen en andere idealen ons in 't hart geworteld, dat ze

niet meer uit te roeien zijn, zonder den bodem, waarop ze tieren, er

geheel en al door te verwoesten.

Ik vind het heel lief van u, dat u zich bezorgd maakt over mijne

toekomst; ik ben er u innig dankbaar voor. Maar och, weest u niet meer

treurig om mij; of liever wij weten wat ons wacht; wij drieën gaan hand

aan hand door 't leven, dat voor ons vol zal zijn van _strijd_ en

_teleurstellingen_ en _verdriet_! Met rozen is zeker de weg niet

bezaaid, dien wij gekozen hebben; wel is hij vol dorens, maar wij

hebben hem _zelf_ gekozen, uit liefde; en met liefde en blijmoedig

zullen we hem bewandelen. Den weg mede te helpen opbreken, die duizenden

en duizenden arme verdrukte en vertrapte zielen, onze zusteren, voert

naar vrijheid en geluk; die millioenen landgenooten onvermijdelijk

brengt tot hooger zedelijk gehalte; en alzoo mede te arbeiden aan 't

eeuwige werk der volmaking; reuzenarbeid waaraan eeuwen door, de besten

onder de menschen hebben gewerkt; de menschheid op te voeren tot hooger

zedelijk gehalte, kortom onze schoone aarde nader te brengen tot de

volmaking--is dat niet werk, allen levensstrijd waard?

Dat is de droom van "Tiga Soedara", de drie Javaansche zusters in 't

verre Zonneland! O! konden wij maar in 't land der wisselende

jaargetijden, 't land van warmte en koû komen, 't vaderland der

wetenschappen; ons dáár toerusten voor den grooten strijd, dien wij ons

aanbinden willen voor 't toekomstig heil en geluk van ons volk.

Studeeren! studeeren! in Europa wijsheid vergaren; onze zielen vullen

met schoonheid, om in eigen land terug, met meer vrucht te kunnen werken

aan de verwezenlijking onzer idealen! Men heeft zoo bij alles zijn

verstand noodig, vooral om goed te doen; daar is niets tegen te zeggen,

al beweert men nog zoo vaak 't tegendeel daarvan, dat _goed doen_ en

_verstandig_ doen twee tegenovergestelde zaken zijn, die niet best samen

kunnen gaan, maar hierin ligt juist de groote kunst; die tegenstrijdige

machten, die wij menschen allen in ons voelen, te temperen, te mengen en

harmonisch te doen samenwerken! O zoo dikwijls heb ik gezien, dat goed

doen zonder verstand meer kwaad doet dan goed.

Europa! Europa! zult ge dan steeds onbereikbaar blijven voor ons!? wij,

die zoo met hart en ziel naar u verlangen? wij kunnen, wij willen 't

niet gelooven--en toch _is_ 't zoo. Eene reis naar en een verblijf in

Europa is zoo kostbaar; die weelde kan onze minister van financiën ons

niet veroorloven.

Maar daarom niet getreurd; 't leven is te mooi, te heerlijk om 't te

verkniezen met klagen over dingen, die eenmaal niet te veranderen zijn.

Laten wij dankbaar zijn--en dat _zijn wij_ ook--voor de vele zegeningen,

die de lieve God over ons uitstort. Zijn we met hetgeen we al hebben en

zijn, niet reeds boven duizenden en duizenden bevoorrecht? 't bezit van

onze lieve, beste ouders, een goede gezondheid en tal van ander goeds,

dat de mooiheid van ons leven vormt. O, 't leven is vol schoonheid, als

wij die maar willen opmerken, ondanks vele diepdroeve dingen, die er

zijn, en onze plicht is die schoonheid te verhoogen en 't droeve minder

droef te maken.

Er is zooveel dat tot danken stemt! Als wij genieten van een

vogelconcert of van mooie muziek, waarin wij geheel opgaan, dan zijn we

zoo dankbaar, dat God ons niet doof schiep! Zijn we op

Klein-Scheveningen, 't idyllisch plekje aan zee, waar alles ademt van

rust, vrede en poëzie, en de zon gaat zoo heerlijk mooi onder, dan

kunnen wij niet genoeg dankbaar zijn, dat wij goede oogen hebben, en in

de verrukte blik, die in stil genieten 't wonderschoone licht en

kleurenspel op 't golvend water en aan den hemel volgt, ligt een stil

dankgebed den Onzienlijken Grooten Geest, die 't Al schiep en bestuurt,

gewijd! Dank! dank! tikt 't jubelend bonzend hart hier binnen; dank, dat

ik dit schoone mag en kan zien. Hoevelen zijn er niet, die dat schoons

_niet_ genieten? Niet alleen die armen, voor wie de dagen en nachten

gelijk zijn, één ondoordringbare duisternis; maar er zijn zoovelen, die

in het volle bezit hunner gezichtsvermogens zijn, en toch die schoonheid

_niet zien_. En wij komen tot 't besef, hoe bevoorrecht we zijn boven

zoovelen onzer medemenschen, en dankbaarheid voor al de zegeningen van

den Goeden God vult onze zielen! Weemoedige gedachte, dat velen onzer

zich het gemis van _anderen_ moeten herinneren om eigen voorrechten te

beseffen.

Er zijn meer beschaafde Inlandsche vrouwen, veel, veel, ontwikkelder en

begaafder dan wij, die àlles te harer beschikking hadden; wien 't niet

aan gelegenheid ontbroken had, haar geest rijkelijk met wetenschappen te

voeden; die geenszins belemmerd waren in de ontwikkeling harer

geestkracht; die àlles hadden _kunnen worden_, wat zij wilden; en zij

allen hebben _niets_ gedaan, _niets_ kunnen bereiken, dat tot de

opheffing harer sexe en haar volk kon leiden. Zij zijn òf weer in de

oude sleur terugvervallen, òf zijn geheel in 't Europeesche opgegaan; in

beide gevallen verloren voor haar volk, voor wie zij een zegen hadden

kunnen zijn, zoo zij 't maar gewild hadden; dat zij hadden moeten

vóórlichten naar de verlichte wereld, waarin de vrije opvoeding haar

bracht. Is 't niet de plicht van een ieder, die zedelijk en

intellectueel meer is dan menig ander, zijne minderen met zijne meerdere

kennis en weten bij te staan en vóór te lichten? Geen tastbare wet

verplicht hem daartoe, maar zedelijk is hij dat verplicht.

Wat ben ik weer aan 't doordraven gegaan, vergeef me, als ik u daarmee

onaangenaam ben of verveeld heb. Hoe kom ik er toch toe u dit alles te

schrijven, en u zooveel van uw kostbaren tijd te ontrooven met dit

gebabbel? Vergeef me! maar u zelf is hieraan niet zonder schuld: uw

beider brieven, die ik voor mij heb liggen zijn zoo sympathiek; bij 't

lezen dier hartelijke woorden, is 't mij, of ik u beiden hier voor me

heb, en daaraan heb ik aldoor onder het schrijven gedacht.

Dat een van Java's vulkanen in den Oosthoek vreeselijk aan 't spoken is

geweest en verscheidenen 't leven heeft gekost, zult u zeker reeds van

anderen vernomen hebben; dus daarover zal ik maar niet schrijven.

Volgens de krant zouden nu ook een paar andere vulkanen aan 't werken

zijn. O! verraderlijke, schoone blauwe bergen!

De zonsverduistering van 18 Mei, waarvoor uit alle oorden der wereld

geleerden naar Indië trokken, konden wij hier slechts even waarnemen,

daar 't ongeluk wilde, dat dien dag de lucht zwaar betrokken was, en 't

op den koop toe nog regende er bij! Maar wat ons een uitroep van spijt

ontlokte, was voor den landman een zegen! Vader was zoo gelukkig met

dien flinken regen, die den dorstenden velden ten goede kwam, en hieraan

is zóóveel gelegen! Wat toch van zoo'n enkele regenbui kan afhangen! 't

Wel en wee van honderden, ja, van duizenden!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 38 / 136 题