Dat mooie stukje van Borel over de gamelan (zielemuziek, zooals de
schrijver ze noemt) kennen we en hebben we in bezit. Kent u andere
werken ook van hem? o.a. "Het Jongetje," dat iets hoogverrukkelijks is!
Velen vinden Borel erg aanstellerig-ziekelijk, maar wij genieten van
vele zijner werken! Heel mooi is ook van hem "De laatste incarnatie" en
iets bijzonder moois is zijn "Droom uit Tosari"; daarin beschrijft hij
op éénig mooie manier 't wondere natuurschoon op Java's blauwe bergen.
Hoe genoten wij er van! men moet kunstenaar zijn of minstens met een
flinke dosis kunstgevoel behebt zijn, om zòo 't schoon van moeder natuur
te _zien_ en te _genieten_; en om dat alles in zoo mooie gekuischte taal
weer te geven, moet men een dier bevoorrechte menschenkinderen zijn,
wien de muzen een kus op 't voorhoofd gedrukt hebben.
Ik hoop eens zoo gelukkig te zijn in de gelegenheid te komen, uw
schoone, zoetklinkende taal te leeren; ik zal die gelegenheid _niet_
onbenut laten, dat verzeker ik u. 't Is mij ernstig meenens eens uw taal
te kennen; al bepaalt die kunde zich slechts tot lezen en schrijven, ik
zou al heel gelukkig zijn. En mocht ik zoo gelukkig zijn 't ooit tot
Duitsch spreken te brengen, dan kom ik u opzoeken, is 't goed? In dien
tusschentijd zal zeker de vliegmachine reeds uitgevonden zijn en zult u
dan op een goeden dag zulk een gevaarte door Jena's luchtruim zien
zweven, dat u uwe verre gast brengt!!!
Ik had eigenlijk als een jongen geboren moeten worden--zou dan misschien
wat van mijn hoogvliegende plannen kunnen terecht komen. Nu als meisje
in de tegenwoordige Inlandsche maatschappij is 't bijna niet mogelijk,
een heksentoer, een er van in verwezenlijking te brengen. Hoe kan 't
anders ook. Waar zelfs in Europa, brandpunt der beschaving en
verlichting, nog zoo fel de strijd om 't _goed recht_ der vrouw
gestreden wordt, zou men in ernst kunnen verwachten, dat Indië, 't
onbeschaafde, onverlichte, dommelende Indië goedig zou toestaan dat zijn
dochter, de vrouw door eeuwen heen als een wezen van lager orde, ja,
waarom zal ik 't niet zeggen, als een _zielloos_ voorwerp beschouwd en
behandeld, zich 'n mensch beschouwt, d.i., een wezen, dat recht heeft op
een _onafhankelijk geweten_, op vrijheid van denken, voelen en
handelen?
't Was mij als sprong de hemelpoort open, en als vertoonde daarachter
zich een eindelooze heerlijkheid aan mijn verrukte oogen, toen eenigen
tijd geleden ik 't heugelijk bericht in de courant las, dat bij de
Regeering 't voornemen bestond, voor dochters van regenten de
gelegenheid open te stellen zich te bekwamen tot onderwijzeres. Wiens
werk het is, hoef ik u zeker niet te vertellen.
Wij waren half dol van vreugde over dat bericht in de nieuwsbladen, en
't was een _flinke_ stap vooruit en 't spreekwoord zegt zoo waar: "'t
komt er maar op aan den eersten stap te doen". O, als degene, wien deze
weldaad bewezen wordt, ze maar kunnen waardeeren! Om te kunnen
waardeeren, moet men eerst kunnen _begrijpen_, en begrijpen, o, dat is
zoo'n moeilijke kunst? niet in één dag, niet in één jaar aan te leeren!
Hoe zou de overgroote meerderheid van de Inlandsche hoofden, de plannen
der Regeering voor 't toekomstig heil en geluk harer dochters kunnen
apprecieeren, zij, voor wie de allereerste beginselen der richting, die
wij, jong geslacht, hooghouden, raadsel en mysterie zijn?
Helaas! onze vrees blijkt gegrond te zijn; er zal van dat _prachtige_
regeeringsplan, waar we zooveel van verwachten, niets komen, daar de
_meeste Inlandsche hoofden_ wier advies in deze gevraagd werd, er zich
tegen verklaarden, aangezien 't _tegen de adat_ strijdt, dat meisjes
buitenshuis opleiding ontvangen. Adieu illusies! adieu gouden
toekomstdroomen! Och, ik heb 't mijzelve al zoo dikwijls herhaald, luide
toegeroepen, dat droomen en idealen onnoodige ballast in onze Inlandsche
Maatschappij zijn, eene overbodige en _gevaarlijke_ weelde!--maar dat
zegt de _mond_ alleen, op inblazingen van dat koude, koele verstand; het
hart, dat domme dwaze ding, kan er zich niet van los maken. Zóó diep
zijn vrijheidsdroomen en andere idealen ons in 't hart geworteld, dat ze
niet meer uit te roeien zijn, zonder den bodem, waarop ze tieren, er
geheel en al door te verwoesten.
Ik vind het heel lief van u, dat u zich bezorgd maakt over mijne
toekomst; ik ben er u innig dankbaar voor. Maar och, weest u niet meer
treurig om mij; of liever wij weten wat ons wacht; wij drieën gaan hand
aan hand door 't leven, dat voor ons vol zal zijn van _strijd_ en
_teleurstellingen_ en _verdriet_! Met rozen is zeker de weg niet
bezaaid, dien wij gekozen hebben; wel is hij vol dorens, maar wij
hebben hem _zelf_ gekozen, uit liefde; en met liefde en blijmoedig
zullen we hem bewandelen. Den weg mede te helpen opbreken, die duizenden
en duizenden arme verdrukte en vertrapte zielen, onze zusteren, voert
naar vrijheid en geluk; die millioenen landgenooten onvermijdelijk
brengt tot hooger zedelijk gehalte; en alzoo mede te arbeiden aan 't
eeuwige werk der volmaking; reuzenarbeid waaraan eeuwen door, de besten
onder de menschen hebben gewerkt; de menschheid op te voeren tot hooger
zedelijk gehalte, kortom onze schoone aarde nader te brengen tot de
volmaking--is dat niet werk, allen levensstrijd waard?
Dat is de droom van "Tiga Soedara", de drie Javaansche zusters in 't
verre Zonneland! O! konden wij maar in 't land der wisselende
jaargetijden, 't land van warmte en koû komen, 't vaderland der
wetenschappen; ons dáár toerusten voor den grooten strijd, dien wij ons
aanbinden willen voor 't toekomstig heil en geluk van ons volk.
Studeeren! studeeren! in Europa wijsheid vergaren; onze zielen vullen
met schoonheid, om in eigen land terug, met meer vrucht te kunnen werken
aan de verwezenlijking onzer idealen! Men heeft zoo bij alles zijn
verstand noodig, vooral om goed te doen; daar is niets tegen te zeggen,
al beweert men nog zoo vaak 't tegendeel daarvan, dat _goed doen_ en
_verstandig_ doen twee tegenovergestelde zaken zijn, die niet best samen
kunnen gaan, maar hierin ligt juist de groote kunst; die tegenstrijdige
machten, die wij menschen allen in ons voelen, te temperen, te mengen en
harmonisch te doen samenwerken! O zoo dikwijls heb ik gezien, dat goed
doen zonder verstand meer kwaad doet dan goed.
Europa! Europa! zult ge dan steeds onbereikbaar blijven voor ons!? wij,
die zoo met hart en ziel naar u verlangen? wij kunnen, wij willen 't
niet gelooven--en toch _is_ 't zoo. Eene reis naar en een verblijf in
Europa is zoo kostbaar; die weelde kan onze minister van financiën ons
niet veroorloven.
Maar daarom niet getreurd; 't leven is te mooi, te heerlijk om 't te
verkniezen met klagen over dingen, die eenmaal niet te veranderen zijn.
Laten wij dankbaar zijn--en dat _zijn wij_ ook--voor de vele zegeningen,
die de lieve God over ons uitstort. Zijn we met hetgeen we al hebben en
zijn, niet reeds boven duizenden en duizenden bevoorrecht? 't bezit van
onze lieve, beste ouders, een goede gezondheid en tal van ander goeds,
dat de mooiheid van ons leven vormt. O, 't leven is vol schoonheid, als
wij die maar willen opmerken, ondanks vele diepdroeve dingen, die er
zijn, en onze plicht is die schoonheid te verhoogen en 't droeve minder
droef te maken.
Er is zooveel dat tot danken stemt! Als wij genieten van een
vogelconcert of van mooie muziek, waarin wij geheel opgaan, dan zijn we
zoo dankbaar, dat God ons niet doof schiep! Zijn we op
Klein-Scheveningen, 't idyllisch plekje aan zee, waar alles ademt van
rust, vrede en poëzie, en de zon gaat zoo heerlijk mooi onder, dan
kunnen wij niet genoeg dankbaar zijn, dat wij goede oogen hebben, en in
de verrukte blik, die in stil genieten 't wonderschoone licht en
kleurenspel op 't golvend water en aan den hemel volgt, ligt een stil
dankgebed den Onzienlijken Grooten Geest, die 't Al schiep en bestuurt,
gewijd! Dank! dank! tikt 't jubelend bonzend hart hier binnen; dank, dat
ik dit schoone mag en kan zien. Hoevelen zijn er niet, die dat schoons
_niet_ genieten? Niet alleen die armen, voor wie de dagen en nachten
gelijk zijn, één ondoordringbare duisternis; maar er zijn zoovelen, die
in het volle bezit hunner gezichtsvermogens zijn, en toch die schoonheid
_niet zien_. En wij komen tot 't besef, hoe bevoorrecht we zijn boven
zoovelen onzer medemenschen, en dankbaarheid voor al de zegeningen van
den Goeden God vult onze zielen! Weemoedige gedachte, dat velen onzer
zich het gemis van _anderen_ moeten herinneren om eigen voorrechten te
beseffen.
Er zijn meer beschaafde Inlandsche vrouwen, veel, veel, ontwikkelder en
begaafder dan wij, die àlles te harer beschikking hadden; wien 't niet
aan gelegenheid ontbroken had, haar geest rijkelijk met wetenschappen te
voeden; die geenszins belemmerd waren in de ontwikkeling harer
geestkracht; die àlles hadden _kunnen worden_, wat zij wilden; en zij
allen hebben _niets_ gedaan, _niets_ kunnen bereiken, dat tot de
opheffing harer sexe en haar volk kon leiden. Zij zijn òf weer in de
oude sleur terugvervallen, òf zijn geheel in 't Europeesche opgegaan; in
beide gevallen verloren voor haar volk, voor wie zij een zegen hadden
kunnen zijn, zoo zij 't maar gewild hadden; dat zij hadden moeten
vóórlichten naar de verlichte wereld, waarin de vrije opvoeding haar
bracht. Is 't niet de plicht van een ieder, die zedelijk en
intellectueel meer is dan menig ander, zijne minderen met zijne meerdere
kennis en weten bij te staan en vóór te lichten? Geen tastbare wet
verplicht hem daartoe, maar zedelijk is hij dat verplicht.
Wat ben ik weer aan 't doordraven gegaan, vergeef me, als ik u daarmee
onaangenaam ben of verveeld heb. Hoe kom ik er toch toe u dit alles te
schrijven, en u zooveel van uw kostbaren tijd te ontrooven met dit
gebabbel? Vergeef me! maar u zelf is hieraan niet zonder schuld: uw
beider brieven, die ik voor mij heb liggen zijn zoo sympathiek; bij 't
lezen dier hartelijke woorden, is 't mij, of ik u beiden hier voor me
heb, en daaraan heb ik aldoor onder het schrijven gedacht.
Dat een van Java's vulkanen in den Oosthoek vreeselijk aan 't spoken is
geweest en verscheidenen 't leven heeft gekost, zult u zeker reeds van
anderen vernomen hebben; dus daarover zal ik maar niet schrijven.
Volgens de krant zouden nu ook een paar andere vulkanen aan 't werken
zijn. O! verraderlijke, schoone blauwe bergen!
De zonsverduistering van 18 Mei, waarvoor uit alle oorden der wereld
geleerden naar Indië trokken, konden wij hier slechts even waarnemen,
daar 't ongeluk wilde, dat dien dag de lucht zwaar betrokken was, en 't
op den koop toe nog regende er bij! Maar wat ons een uitroep van spijt
ontlokte, was voor den landman een zegen! Vader was zoo gelukkig met
dien flinken regen, die den dorstenden velden ten goede kwam, en hieraan
is zóóveel gelegen! Wat toch van zoo'n enkele regenbui kan afhangen! 't
Wel en wee van honderden, ja, van duizenden!