Al heel veel had ik in mijn jong leven uitgestaan, maar dat alles was
niets vergeleken bij hetgeen ik in die angstige dagen van Vader's
ziek-zijn uitstond.
Er waren uren, waarin ik was zonder wil, sidderend ineenkromp van
moreele pijn, en de lippen, die trotsch verkonden; "er kome wat wil!"
beefden en stamelden: "mijn God erbarmen!" Mijn jaardag was een dubbel
feest--een viering ook van Vader's herstelde gezondheid. Ik liet Vader
je cadeau zien en vertelde, hoe blij je was met zijn portret. Vader lag
op een langen stoel, ik zat er naast op den grond, zijne hand rustte op
mijn hoofd, zoo sprak ik hem van jou. Vader glimlachte toen ik vertelde
van je geestdriftige, sympathieke ontboezemingen over mijn Vadertje, en
met dien glimlach om zijn mond en zeker met een gedachte aan zijn verre
vereerster en geliefde vriendin van zijn kind, sliep mijn zieke in. Zóó
na ben je mij, ben je ons, Stella. Geloof je nu, dat 't geen
onhartelijkheid was, die mij zwijgen deed zoo lang tegenover jou, en kun
je mij dat zwijgen nu vergeven? Laat ik je nu nog eens innig danken voor
je vriendschap en je liefde, die aan mijn leven meer waarde geven, en
laat ik je in gedachte vast aan 't hart drukken, in die omarming
leggend, alles, wat ik voor jou gevoel! O! kon ik dit in werkelijkheid
doen, oog in oog, hart aan hart, je mijn hart uitstorten dat zoo vol
droefheid is. Stella, mijn Stella, Ik zou je zoo zielsgraag gelukkig
maken met een jubelenden brief, je verblijden met de tijding, dat wij
gelukkig zijn, dat wij ons doel bereikt hebben! helaas, in plaats
daarvan zal deze één klaaglied worden. Ik houd niet van klagen, maar de
waarheid moet gezegd worden. Er is een onverwachte wending in onze zaak
gekomen; de quaestie is nu neteliger dan ooit, spoedig handelen dringend
noodig; 't is een quaestie van _staan_ of _vallen_, van _zegevieren_ of
_algeheelen ondergang_ en ... _ons zijn de handen gebonden_. Er is een
plicht, die dankbaarheid heet, er is een hooge heilige plicht, die
kinderliefde heet, en daar is een lage, verfoeilijke slechtheid, die
heet "egoïsme". O! 't is soms zoo moeilijk, uit te maken, waar het goede
ophoudt, en 't slechte begint. Als men de dingen zoo hoog opvoert, is de
grenslijn tusschen beide uitersten nauwelijks merkbaar. Vaders
gezondheid is zóó, dat hevige gemoedsaandoening moèt _vermeden_ worden.
Weet ge, wat dit zeggen wil? wij zijn weerloos aan de genade van het
blinde Lot overgeleverd!
Zoo dicht reeds stonden we bij de vervulling van onze dierste wenschen,
en nu staan wij er weer zóó ver van af, en hangt er bovendien iets
vreeselijks ons boven het hoofd. Bitter ontwaken na den zoeten droom van
alle moeilijkheden uit den weg geruimd te hebben. Dat arme, gefolterde
hart, dat altoos krijt in diepen, bangen smart: "wat is mijn plicht"? en
er geen antwoord op krijgt, wijl degeen, die antwoorden moet, rondtast
in 't diepste duister. Licht, licht! mijn God! en sta ons bij! wij weten
niet hoe en waar dit alles op uitloopen zal!
O, en zeker om ons te troosten en op te vroolijken moesten wij vernemen,
dat er van dat goddelijk Regeeringsplan, om de dochters van regenten tot
onderwijzeressen op te leiden, niets komen zal, wijl vele regenten, wier
advies in deze werd ingewonnen, er zich tegen verklaarden, daar 't tegen
den _adat_ strijdt, dat meisjes buitenshuis opleiding ontvangen. 't Is
voor ons een harde slag, daarop hadden wij al onze hoop gebouwd; adieu
nu illusie! adieu gouden toekomstdroom! waarlijk 't was te mooi, om waar
te zijn! O! wisten ze maar wàt ze verwierpen! Doch stil, wij mogen niet
onbillijk zijn, en hen hard vallen, die niets kunnen voelen voor de
geavanceerde plannen der Regeering en 't belang hunner dochters. Om te
kunnen waardeeren, moet men eerst kunnen begrijpen, en hoe kunnen zij
begrijpen de wenschen en verlangens van ons jong modern geslacht, zij
die nooit anders hebben gekend? Waar in 't verlichte Europa, 't centrum
der beschaving, de bron van 't Licht, de strijd om het recht der vrouw
nog zoo hevig en fel wordt gevoerd, mogen wij verwachten, dat Indië, dat
eeuwenlang ingedommeld is en nòg slaapt, er zich bij zal neerleggen, zal
toestaan, dat de vrouw, die door eeuwen heen als een inferieur wezen is
beschouwd en behandeld wordt, zich als _mensch_ beschouwt, die _recht_
heeft op een _onafhankelijk geweten_?
O, Stella, en we waren zoo zielsgelukkig, zoo trotsch, toen wij
vernamen, dat bij de Regeering 't voornemen bestond, voor
regentsdochters de gelegenheid open te stellen zich te bekwamen tot
onderwijzeres. Aan alle meisjes-standgenooten werd de weg geopend, zich
een zelfstandig bestaan te veroveren, en alzoo de toegang verleend tot
vrijheid en geluk, en het werd van de hand gewezen. En ik zat me al te
verkneuteren van pleizier bij de gedachte, hoe je oogen tintelen zouden,
als je dat heerlijk nieuws vernam, en nu is al 't moois naar de maan.
Hoe nu de zaken precies staan, weet ik niet--onze vrienden op Batavia
zijn op reis--maar wij denken, heel, heel treurig. Als nu die kostelijke
plannen van onderwijs voor Inlandsche meisjes in 't algemeen ook maar
niet er bij inschieten, ook door onwil der ouders, dan is 't niets,
hoor! Dàt zou vreeselijk zijn! O, je weet niet, hoe mij de vingers
branden om te schrijven over die heerlijke voorstellen van den Directeur
van Onderwijs, en over de voorgestelde opleiding van regentsdochters tot
onderwijzeres, maar ik, stakker, moet mijn mond of mijn pen stilhouden,
ik mag _mijn opinie over die belangrijke onderwerpen niet zeggen_,
allerminst door middel van de pers. Weet je wel, dat zelfs personen in
onze onmiddellijke omgeving niets weten van wat er broeit en gloeit en
woelt in ons binnenste? dat men niets weet van onze plannen? Ik had bij
mezelve zoo'n schik, toen een goede kennis, die veel bij ons aan huis
komt, dat over de opleiding van regentsdochters in de krant las, tot de
zusjes zeide, dat 't net iets was voor me en dat haar man en zij mij
zouden _dwingen_ stappen te doen in die richting. Haar man sprak er mij
naderhand ook over, en ik met een doodleuk gezicht, als van niets
wetend, liet hem maar spreken.
Beiden, man en vrouw, zijn aan mijn kant en gloeien voor de emancipatie
der Inlandsche vrouwenwereld. Hij is bestuursambtenaar en kan veel doen
voor onze zaak; zijne vrouw beloofde mij haar steun in toekomstige
dagen. Aardig om dat enthousiasme te zien; zij is een, die graag zich
nuttig wil maken, maar niet weet op welk een wijze. Haar man zal
binnenkort promotie maken en dan zullen zij beiden nog veel meer kunnen
doen voor de opheffing van ons volk. Wij hebben een plannetje beraamd,
op hoe'n wijze zij zich nuttig zou kunnen maken, en zij en haar man
hebben er ooren naar. Als hij assistent-resident is, zal ze dochtertjes
van onder haar man dienende Inlandsche ambtenaren op bepaalde dagen bij
zich aan huis laten komen om ze onderricht te geven in handwerken en
koken, en misschien ook lezen en schrijven. 't Zal een nuttig en
dankbaar werk zijn; het vrouwtje is er verrukt over! We hopen, dat dat
werk dan navolging zal vinden. Vindt je dat niet aardig? Ik heb haar
natuurlijk veel van je verteld, en ik genoot van hare bewondering voor
je. Zij wil ook graag lid worden van de Onderlinge Vrouwenbescherming.
Zij heeft twee dochtertjes in Holland, waarvan de eene advocaat wil
worden en de andere ook voor een vak wenscht opgeleid te worden. Toen ik
mij eens liet ontvallen, dat ik ernstig plan had, vóór ik 't leven
inging als wat dan ook, eerst minstens jaar in een ziekenhuis werkzaam
te zijn, om kennis op te doen in ziekenverpleging, opdat mij de handen
niet verkeerd zouden staan in ziektegevallen, zeide zij dadelijk, dat
haar zwager, die dokter is, bereid was, mij tot zich te nemen, om mij in
te wijden in de geheimen van het ziekenverplegen, een kennis, die mij
altijd te pas zal komen en voor mijne omgeving van nut. Die dokter is
een baar, spreekt geen Javaansch en zeer gebrekkig Maleisch; ik kan hem
dus wederkeerig van dienst zijn, door als tolk op te treden, daar
verreweg zijn meeste patiënten Inlanders en Chineezen zijn. Ik denk er
heusch ernstig over een tijdje de werkzaamheden in een ziekenhuis te
volgen; dat moet een deel uitmaken van mijne opvoeding; ik heb er reeds
lang over zitten pikeren. Hoe denk je er over? O, 't is ellendig en nog
eens ellendig, om iemand vreeslijke pijnen te zien uitstaan en niet te
weten, hoe dat lijden te verlichten; de toeschouwer lijdt eigenlijk meer
dan de patiënt zelf. Ik heb aan veel ziekbedden gezeten, als kind zelfs
reeds, en kan daarvan meepraten. Aan een dier ziekesponden kwam dat
denkbeeld, om me in 't ziekenverplegen te laten onderrichten, in me op;
eerst vaag, maar allengs nam 't vaste vormen aan, en nu is 't een idee
fixe geworden! Als ik later spreken mag, d.w.z. uitzeggen, wat ik op 't
hart heb en 't over opvoeding van 't meisje heb, zal ik pleiten voor 't
nut, dat kennis op hygiënisch gebied, van 't samenstel van 't
menschelijk lichaam etc. etc. voor vrouwen heeft. Ik zou dat ook graag
opgenomen zien in 't leerplan der op te richten scholen voor Inlandsche
meisjes. Arme stumpers, hè, die naast al dat poespas ook nog dat
inslikken en verwerken moeten. Wat een ideaal school zal dat internaat
voor Inlandsche freuletjes worden, hè? kunsten, wetenschappen, koken,
huishouden, handwerken, gezondheidsleer en vakonderwijs zal en moet
komen! Droom maar, droom maar, als 't je gelukkig maakt, waarom ook
niet?
* * * * *
Wat ik tot dusver voor 't publiek schreef, was maar wat onzin, indrukken
van de een of andere gebeurtenis. Ernstige onderwerpen mag ik niet
aanroeren, helaas! Later, als wij ons geheel losgeworsteld hebben uit
den ijzeren greep der eeuwenoude traditie, (deze bestaat voor ons nog
maar alleen uit onze liefde voor onze beste ouders) zal 't anders
worden. Vadertje heeft niet graag, dat de naam zijner dochters zoo over
de tong gaat; als ik algeheel zelfstandig ben, mag ik mijne opinie
zeggen. Tot zoolang geduld dus, Stella, _onzin_ zend ik je _niet_. Als
ik iets schrijf, dat mij heel lief is, omdat 't mijn innigste
overtuiging weergeeft, zàl ik 't je zenden.--